Een geestelijke dankt God voor Jehovah’s getuigen
Eind september 1955 ontving het Wachttorengenootschap de volgende brief van een Baptistische geestelijke uit de stad New York.
„Geliefde broeders,
Het doet mij groot genoegen u deze paar regeltjes te kunnen schrijven en ik hoop dat ze u ook enige vreugde zullen brengen. Ik schrijf u dit alleen maar om God te danken dat ik de waarheid heb gevonden. Laat ik me duidelijker uitdrukken: Ik ben nog geen lidmaat van uw Genootschap, maar een predikant, en ik bedien tussen de zeven en negen kerken. Ongeveer twee jaar geleden ben ik in contact gekomen met Dhr. J. M———, die mij over deze waarheid heeft verteld. Als predikant luisterde ik en heb ik hem in mijn huis genodigd. Toen ik hem hoorde spreken, besefte ik dat ik maar erg weinig wist; mijn mensen wisten dat echter niet. Ik had mijn opleiding hoofdzakelijk in de dramatische sfeer en van een emotioneel standpunt uit ontvangen en ze was gebaseerd op een theologie welke nu niet veel meer voor mij betekent.
Ik had een aantal van uw boeken en bestudeerde ’God zij waarachtig.’ Kortom, ik ben nu het zwarte schaap onder de Baptistische geestelijken die enige weken geleden in Tennessee hun congres hebben gehouden. Mijn mensen zeggen echter dat mijn preken zeer goed zijn, maar zeer ongewoon, en zij vragen mij hun bijbelstudie te geven, wat ik dan ook zoveel mogelijk doe.
Tot besluit zou ik God ’wederom willen danken dat ik met uw Genootschap in contact ben gekomen. Moge hij mensen als J. M——— blijven zegenen. [Getekend]”