„Maar dat kunnen wij niet doen!”
● In een klein stadje in de Oostzone van Duitsland kwamen twee getuigen van Jehovah aan het huis van een op leeftijd zijnde geestelijke. Deze nodigde de getuigen uit binnen te komen. Er ontspon zich een levendige discussie over de leerstellingen van de Bijbel. Tegen het einde van het gesprek werden hem de feiten omtrent Jehovah’s getuigen onder de aandacht gebracht, en dat ondanks de vervolging, en de getuigen vroegen hem: ’Zou het in het licht van deze feiten niet lonend zijn een nauwkeurig en onbevooroordeeld onderzoek in te stellen?’
De geestelijke gaf dit toe en verklaarde toen dat hij hier al eens over had nagedacht, want slechts enige dagen tevoren was er een man bij hem op bezoek gekomen die net uit een communistische gevangenis was ontslagen, en deze man had hem verteld: „U kunt mij geloven of niet, Mijnheer ———, maar hadden wij die getuigen van Jehovah niet bij ons in de gevangenis gehad, dan zouden wij vertwijfeld zijn geworden, wij zouden het niet hebben kunnen uithouden!” Waaraan de geestelijke toevoegde: „Ik weet dat God in de getuigen van Jehovah werkelijk een volk heeft opgewekt dat voor zijn Naam pal staat.” Gelaten voegde hij er aan toe: „Maar dat kunnen wij niet doen.” Waarom kunnen Jehovah’s getuigen dit wel en zulke geestelijken het niet? Waarom toch?