De moderne geschiedenis van Jehovah’s getuigen
Deel 20: Christelijke neutralisten voeren tijdens het wereldconflict een theocratische oorlog
IN 1940 werd in de Verenigde Staten de Algemene Dienstplichtwet aangenomen, waardoor alle jonge mannen boven de 18 jaar voor inlijving in militaire dienst opgeroepen konden worden. Voor officieel aangestelde bedienaren van het evangelie werden in Klasse IV-D voorzieningen getroffen dat zij vrijstelling konden verkrijgen. Generaal Lewis B. Hershey, hoofd van de indelingsdienst der Verenigde Staten, bepaalde in juni 1941 dat leden van de Bethelfamilie te Brooklyn (V.S.) en pioniers vrijstelling konden verkrijgen. Evenals alle anderen moesten zij echter voor de plaatselijke indelingsraden hun aanspraak hierop met bewijzen staven.a Op 2 november 1942 deelde generaal Hershey vervolgens in een gewijzigd besluit mede waarom Jehovah’s getuigen als officieel aangestelde bedienaren der religie in Klasse IV-D ondergebracht en dientengevolge van militaire training en dienst vrijgesteld konden worden. In dit schrijven toont hij uitdrukkelijk aan dat Jehovah’s getuigen een religieuze gemeenschap vormen.
„De Watchtower Bible and Tract Society, Inc., is krachtens de wetten van de staat New York als rechtspersoon erkend voor charitatieve, religieuze en wetenschappelijke doeleinden. De geen rechtspersoonlijkheid bezittende gemeenschap van personen die als Jehovah’s getuigen bekendstaan, bezitten gemeenschappelijk bepaalde religieuze leerstellingen en geloofsovertuigingen en erkennen de Watchtower Bible and Tract Society, Inc. als hun aardse besturende lichaam. Doordat zij verbonden zijn met deze religieuze corporatie, wordt de geen rechtspersoonlijkheid bezittende gemeenschap van Jehovah’s getuigen beschouwd als een erkende religieuze sekte.”b
Dit regeringsbesluit heeft velen geholpen om aan de hand van de wettelijke classificatie van de term „bedienaar van het evangelie” hun respectieve posities toe te lichten.
Jehovah’s getuigen hebben zich in werkelijkheid als ’soldaten van Jezus Christus’ die een bediening verrichten, reeds aan God opgedragen. Daarom kunnen zij het niet nog eens op zich nemen hun toewijding te schenken aan de dienst in cesars legers (2 Tim. 2:3). De meeste manlijke getuigen konden hun status als bedienaar van het evangelie voor hun plaatselijke indelingsraad met succes aantonen. Ten gevolge van vooroordeel van de zijde van de plaatselijke indelingsraad werden enkelen die op deze status aanspraak maakten, niet erkend. Hierdoor moesten velen voor het gerecht verschijnen en zij werden ten slotte tot gevangenisstraffen variërend van één tot vijf jaar veroordeeld. Verscheidene aspecten van het geschilpunt inzake de inlijving zijn dientengevolge voor het Hooggerechtshof der Verenigde Staten gebracht, waaronder ook gevallen van Jehovah’s getuigen. Een aantal rechtszaken werd gewonnen, andere verloren. Tweederde van alle duizenden die strafrechtelijk werden vervolgd omdat zij onder de Algemene Dienstplichtwet op grond van gewetensbezwaren aanspraak maakten op ontheffing van militaire dienst, behoorden tot Jehovah’s getuigen.
„Dit verbazingwekkende aantal gevangenen bestaat voor bijna tweederde gedeelte uit getuigen van Jehovah, die nagenoeg allen om erkenning vroegen als bedienaren van het evangelie, maar wie dit door hun indelingsraden was geweigerd.”c
De vele getuigen-gevangenen werden in speciale kampen ondergebracht welke onder het toezicht stonden van de diverse federale gevangenissen. Tijdens de oorlog werden aldus meer dan 3500 jonge bedienaren van het evangelie opgesloten.d Deze jongemannen besteedden hun tijd echter niet ijdel, maar maakten gedurende de uren die zij vrij hadden, een grondige studie van de Schrift en andere onderwerpen waardoor zij na hun vrijlating beter toegerust zouden zijn voor de bediening. Deze gevangenen mochten als bijbelstudiegroepjes wekelijks bij elkaar komen en geregeld mocht een speciale van het hoofdbureau van het Genootschap uitgezonden bedienaar hen bezoeken om hun geestelijke bijstand te geven. De rechtschapenheid van deze jonge mannen was een groots getuigenis voor de natie. Er was meer moed voor nodig om voor de beginselen van neutraliteit op te komen dan om met de grote massa mee te gaan.
Al deze rechtszaken zijn tot een monumentaal bericht uitgegroeid, dat door allen gelezen kan worden. Merk op hoe wijlen rechter Murphy van het Hooggerechtshof der Verenigde Staten zich te dien aanzien uitdrukte:
„Vanouds en tot op heden heeft het vernuft des mensen geen grenzen gekend wanneer het er om ging wapens van onderdrukking uit te denken tegen hen die het aandurven niet-orthodoxe geloofsovertuigingen te uiten of dienovereenkomstig te handelen. De getuigen van Jehovah zijn er een levend bewijs van dat zelfs in deze natie, welke op de idealen der vrijheid werd gegrond, het recht religie op onconventionele wijze uit te oefenen nog lang niet veilig gesteld is. Zij bezitten een strijdbaar en impopulair geloof, dat zij met fanatieke ijver uitdragen. Zij zijn op wrede wijze geslagen; hun bezittingen zijn vernield; men heeft hen het vuur na aan de schenen gelegd doordat men bij alle mogelijke gelegenheden weinig gebruikte verordeningen en wetten uit het stof haalde en op hen van toepassing bracht. Zie Mulder en Comisky, ’Jehovah’s getuigen vormen het grondwettelijke recht’ 2 Bill of Rights Review, No. 4, blz. 262. Zij en met hen andere hedendaagse religieuze minderheden torsen de last onze toewijding aan de idealen en grondwettelijke waarborgen van religieuze vrijheid op de proef te stellen.”e
Zo hebben in de oorlogstijd de getuigen in de Verenigde Staten ten koste van veel tijd, geld en persoonlijk lijden energiek een consequente neutrale handelwijze aan de dag gelegd. Zij hebben gestreden om de deur van de vrijheid van aanbidding open te houden, opdat zij daardoor hun predikingsactiviteiten zouden kunnen uitbreiden. Aan het einde der oorlog nam de grote vloed van tegenstand af en de getuigen belandden in rustiger water, waarin zij verder konden gaan met de hen door God gegeven bediening van het evangelie. Terloops zij opgemerkt dat het Hooggerechtshof der Verenigde Staten tot 1955 vijftig zaken te behandelen heeft gekregen, waarbij Jehovah’s getuigen betrokken waren en waarbij het in 37 gevallen 23 gunstige uitspraken heeft gedaan en in 10 van de 13 zaken een ongunstige beslissing heeft genomen.
Na het einde van de 2de Wereldoorlog begonnen Jehovah’s getuigen zich aan de puinhopen van de oorlog te ontworstelen. Duizenden keerden uit de concentratiekampen en gevangenissen terug. Die eerste vrijheidsuren waren zoet. Op de thuisweg begonnen de getuigen reeds te prediken.f Er zijn vele berichten voorhanden van de ontroerende ontvangst welke de getuigen bij hun prediking van huis tot huis werd bereid. De mensen in het algemeen scheen het toe alsof zij uit de doden waren opgestaan. Er werden krachtsinspanningen gedaan de getuigen weer in gemeenten te verzamelen, opdat er op een georganiseerde wijze in de velddienst uitgetrokken kon worden. Toen de nazilegers zich uit het ene land na het andere terugtrokken en ten slotte werden verslagen, werden overal de bijkantoren heropend. Er was in de organisatie grote vraag naar leidinggevende dienaren wier gezondheid zo was dat zij kringdienaren konden worden. In hun armelijke toestand brachten de getuigen van Jehovah voorlopige uitrustingsstukken bijeen om de raderen van het publiciteitswerk weer op gang te brengen en om gedrukte lectuur en andere bijbelse hulpmiddelen te kunnen verschaffen. Aan voedsel en kleding dacht men pas op de tweede plaats. Men stelde zich eerst ten doel de bijbelse voedingsdienst weer te laten functioneren, allereerst voor de getuigen en daarna voor de grote massa mensen van goede wil, die geestelijk hongerden.
In de landen welke er gunstiger waren afgekomen, werd onmiddellijk een wereldomvattend reliefwerk op touw gezet, dat in januari 1946 in werking trad. De duizenden broeders en zusters in de Verenigde Staten, Canada, Zwitserland en Zweden deelden hun kleren en geld om voedsel te kopen, vrijwillig met hun minder fortuinlijke broeders en zusters. Nadat dit reliefprogramma twee en een half jaar in werking was geweest, waren de getuigen in de volgende door de oorlog getroffen landen weer op de been: Oostenrijk, België, Bulgarije, China, Tsjechoslowakije, Denemarken, Engeland, Finland, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Hongarije, Italië, Nederland, Noorwegen, de Filippijnen, Polen en Roemenië. In het totaal werden 479.536 kg kleren en 326.368 kg levensmiddelen en 124.110 paar schoenen verzonden. Dit alles vertegenwoordigde een waarde van ƒ 5.025.146,22.g Bij dit cijfer is niet de waarde inbegrepen van de vele uren welke men heeft besteed aan het bijeenbrengen en verdelen van deze kledingstukken. Stellig blijkt hieruit de liefde van de broeders en zusters om hun zegeningen met anderen te delen, hetgeen wederzijds was. Naar de ene kant stroomde materiële hulp en in ruil daarvoor stroomde naar de andere zijde het bericht over het rechtschapen gedrag, waardoor de getuigen over de gehele wereld in de koppen van de courant verschenen en wereldvermaard werden als voorvechters van christelijke beginselen. Aldus werd het getuigeniswerk tot lof van Jehovah in alle delen der aarde gemakkelijker gemaakt (2 Kor. 8:13-15). Dit alles is er een bewijs van dat Jehovah’s volk over de gehele wereld een verenigde familie vormt, waarover liefdevol wordt gewaakt door een moederlijke theocratische Nieuwe-Wereldmaatschappij.
Hoe verging het hun in die moeilijke oorlogsjaren met hun publiciteitswerkzaamheden? Alhoewel de massale verspreiding van lectuur in vele landen grotelijks werd belemmerd en duizenden bedienaren in de gevangenis werden geworpen, is de verspreiding over de gehele wereld toch nog een cijfer van behoorlijke omvang. Het verbazingwekkende is echter dat het hoogtepunt in het aantal actieve dienstknechten nagenoeg werd verdubbeld, waardoor wordt aangetoond dat oprechte mensen zich door de hitte van de oorlog sneller bij de rijen der predikende getuigen aansloten. Let eens op de volgende cijfers van de wereldomvattende activiteit:
1874-1892 1.535.600 400
1893-1918 9.737.224 21.274
1919-1930 93.500.000 23.988
1931-1939 215.984.991 73.469
1940-1945 158.315.308 141.606i
De verbreiding van de bijbelse waarheid gaat grotelijks voort, oorlog of geen oorlog. Dit is de tijd van het einde, waarin het goede nieuws van het opgerichte koninkrijk in elk continent der aarde wordt gepredikt. Mensen noch demonen kunnen het voor lange tijd tegenhouden. Wanneer zij trachten tegen God en de onweerstaanbare kracht van zijn heilige geest te strijden, geven zij te kennen dat zij de weg opgaan die ten slotte op vernietiging uitloopt, zoals goed wordt geïllustreerd door die beruchte nietige strijder tegen God en zijn getuigen — Hitler.
(Wordt vervolgd)
[Voetnoten]
a Consolation van 9 juli 1941, de bladzijden 22-28.
b Consolation van 17 februari 1943, de bladzijden 13-15.
c Conscience and the War (1943) door „American Civil Liberties Union,” blz. 33.
d Yearbook van 1946, blz. 11.
e Prince c. Massachusetts (1944) 321 U.S. 158.
f Yearbook van 1946, blz. 133.
g De Wachttoren van 1949, de bladzijden 59 en 60.
h Daarbij is niet inbegrepen de verspreiding van tientallen miljoenen tijdschriften en gratis traktaten.
i Yearbook van 1946, blz. 218.