De moderne geschiedenis van Jehovah’s getuigen
Deel 18: Christelijke neutralisten in het Britse gemenebest tijdens de tweede Wereldoorlog
IN DE „Slag om Engeland” — waartoe ook de verschrikkelijke vuurproef der luchtoorlog behoorde — verloor nog geen dozijn van de meer dan 12.000 Britse getuigen van Jehovah het leven. Het is waar dat vele getuigen schade leden en hun huis en Koninkrijkszaal in de „blitz”-oorlog der nazi-luchtaanvallen verloren, doch desondanks lieten zij zich niet van de aanbidding van de levende God Jehovah afbrengen. Zij bleven op grote schaal van huis tot huis prediken. De gemeentevergaderingen moesten ’s zondagsmiddags worden gehouden om het gevaar van avondlijke luchtaanvallen te vermijden; desondanks werden ze wel geregeld gehouden. De grote predikingsveldtocht welke zelfs in die oorlogsjaren voortgang vond en zich zelfs uitbreidde, bracht duizenden oprechte mensen veel troost en hoop.
Alsof er geen oorlog was, werden er volgens schema grote zonevergaderingen gehouden, en sommige daarvan werden zelfs tijdens bomaanvallen gehouden. De grote Free Trade Hall van Manchester werd bij een nachtelijke luchtaanval vernietigd, vlak nadat Jehovah’s getuigen daar in 1940 hun nationale congres hadden beëindigd. Wel zeer opmerkenswaardig was het van 3 tot 7 september 1941 gehouden congres te Leicester; ongeveer 12.000 getuigen kwamen er te midden van de intense oorlogshitte voor een vijfdaags theocratisch feest bijeen. Ondanks de ongunstige factoren — er moesten nagenoeg op elk terrein schier onoverkoombare moeilijkheden worden overwonnen zoals bij de voedselvoorziening, de huisvesting en het vervoer — kwam er zo’n groot aantal bijeen. De opnamen van de in de maand daarvoor gehouden lezing van rechter Rutherford op het congres te St. Louis in de V.S., waren net bijtijds per luchtpost naar Londen opgestuurd, zodat de censors ze nog net voor dit Britse congres konden vrijgeven. Welk een geestelijke opwekking bleek deze vergadering teweeg te brengen! Welk een geest van eenheid en liefdevolle samenwerking werd er tentoongespreid! Allen werden er door gesterkt om de beproevingen van de oorlogsjaren te doorstaan.a
Er werd een embargo gelegd op de ontvangst van lectuur uit Brooklyn. Daarna ontwikkelde er zich een strijd om papier te krijgen, zodat het Genootschap in Engeland zelf op behoorlijk grote schaal zou kunnen gaan drukken, om de vloed van publikaties voor de velddienst gaande te houden; dit was nodig omdat een grote groep pioniers vele duizenden mensen die zich van hun geestelijke nooddruft bewust waren, bedienden. Later werd de invoer van het tijdschrift De Wachttoren verboden, zodat hij niet meer aan abonnees op de Britse eilanden verstuurd kon worden. Het plaatselijke drukken van een blad, dat de voornaamste studie-artikelen van De Wachttoren bevatte, was echter niet verboden, en aldus werd het maandelijkse voedingsprogramma op de honderden wekelijkse Wachttoren-studievergaderingen niet onderbroken; de Britse broeders en zusters bleven geestelijk volkomen gelijke tred houden met hun Amerikaanse metgezellen. Er werden in verscheidene grote steden verschillende pioniershuizen onderhouden om het pionierswerk in gebieden waar zich weinig gemeenteverkondigers bevonden, gaande te houden.
Veel rechters weigerden de broeders vrijstelling van militaire dienst te verlenen. Als gevolg hiervan werden er 1593 veroordelingen uitgesproken, met een totale straftijd van zes eeuwen hieronder waren 344 veroordelingen van vrouwen, die, evenals de mannen, enige tijd in de gevangenis moesten doorbrengen omdat zij weigerden op aanwijzing der regering werk in de oorlogsindustrie te verrichten; er bestond in Engeland namelijk een algehele inschakeling van mannen en vrouwen.b Voor de oorlog waren er vele getuigen uit Polen, Duitsland, Oostenrijk, België en ten slotte uit Frankrijk naar Engeland gevlucht en waren daar pionier geworden. Toen de oorlog later echter intensiever werd, interneerde de regering hen voor de duur van de oorlog in een kamp op het eiland Man. De getuigen die Amerikaanse en Zwitserse onderdanen waren, werden eveneens uitgewezen.
Ondanks de zware beperkingen en oorlogsbelemmeringen bleven Jehovah’s getuigen in Groot-Brittannië echter neutraal en bewaarden hun rechtschapenheid jegens hun God. De strijd Jehovah in vrijheid te aanbidden was in Engeland nog niet ten einde, integendeel, hij woedde feller dan ooit tevoren.
Ook in Canada begon de geschiedenis van de activiteit van Jehovah’s getuigen werkelijk sensationeel te worden. In de vroege jaren van het Genootschap stond het werk in Canada tezamen met dat der Amerikaanse gemeenten onder het bureau in Brooklyn. Ten slotte werd er in 1918 in Winnipeg een eigen bijkantoor opgericht.c Na de eerste Wereldoorlog en kort na de opheffing van de verbodsbepalingen tegen de Canadese getuigen op 1 januari 1920 werd het bureau van het Genootschap naar Toronto overgeplaatst.d In 1925 werd de charitatieve corporatie, de INTERNATIONAL BIBLE STUDENTS ASSOCIATION OF CANADA georganiseerd en deze werd de eigenaresse van de bezittingen van het bijkantoor.e In de loop der jaren ging het werk behoorlijk vooruit, maar doordat enkelen van de waarheid afweken, waren er in 1936 administratieve veranderingen nodig. Het resultaat was dat de geestelijke toestand zich verbeterde, terwijl het getuigeniswerk sneller voorwaarts ging.f In geheel katholiek Quebec werd er sterke tegenstand ondervonden en men ging zelfs tot nog meerdere arrestaties over. De werkelijke „slag om Quebec” zou echter, zoals wij later zullen zien, pas in de naoorlogse jaren worden geleverd.
Op 4 juli 1940, toen Hitler op het hoogtepunt van zijn Europese overwinningen stond, vaardigde de toenmalige minister van justitie Ernest la Pointe een maatregel van bestuur uit waardoor de activiteit van Jehovah’s getuigen en hun Canadese corporatie, de I.B.S.A. van Canada, volkomen werd verboden.g Nu de democratieën zich meer dan ooit tevoren voor de oorlog omschakelden, was het niet moeilijk Jehovah’s getuigen tot de zondebok te maken. Er doemde nu een moderne inquisitie op. Iedereen werd aangezet om zijn buren te bespioneren, er werden aanvallen op huizen gedaan, particuliere bibliotheken werden in beslag genomen, bijbelse vergaderingen werden opgebroken, vieringen van het Gedachtenisfeest gestoord, en er werden zelfs exemplaren van de algemeen bekende King James Vertaling van de bijbel in beslag genomen en op bevel vernietigd. De pers deed bittere aanvallen. Deze uitbarstingen sloegen van het ene deel van het land op het andere over.h Alhoewel dit voor de Canadese getuigen een donderslag bij heldere hemel was, lieten zij zich er niet door uit het veld slaan. Spoedig daarop hadden zij een uitgebreid, efficiënt ondergronds stelsel opgebouwd, waardoor zij in kleine bijbelstudiegroepjes konden bijeenkomen en hun predikingswerk konden voortzetten. Alhoewel het werk van deze ijverige predikers van Jehovah’s koninkrijk door mensen was verboden, waren zij er van overtuigd dat Hij, de levende God, hun Zijn aanbidding niet had verboden en dat hij hun oprechte pogingen om Zijn wil te doen nog steeds zegende. Doordat zij God meer gehoorzaamden dan de mensen, volgden zij dus een handelwijze die hun hemelse Vader aangenaam was, alhoewel het betekende dat zij lijden moesten ondergaan doordat de aardse autoriteiten het zich aanmatigden inbreuk te maken op ’s mensen vrije aanbidding van de Almachtige God (Hand. 5:29). Ten slotte waren er weer ongeveer vijfduizend verkondigers actief, en zij gingen voort met het nabezoek- en bijbelstudiewerk. Op een novemberochtend in 1940 stonden deze „sprinkhanen” vroeg op en overstroomden in een „blitz”-getuigenis het land van het ene einde tot het andere, waarbij honderdduizenden stuks van een speciale brochure getiteld „Het einde van het nazisme,” onder de deuren der huizen werden doorgeschoven. Dit vertoon van moedige activiteit joeg de vijanden schrik aan. De tegenstanders konden slechts tien getuigen arresteren. Naarmate de oorlogsjaren verstreken, bleef de vloed van geestelijk voedsel door zulke gewaagde ondernemingen tot de mensen van goede wil stromen.i
Bijna twee jaar lang droegen Jehovah’s getuigen in alle stilte hun leed, daar men hen de gelegenheid had ontnomen een officieel protest in te dienen en zich enigerwijze te verdedigen. Toen, in juni 1942, werd hun echter de gelegenheid geboden afgevaardigden te zenden naar een uit leden van het Canadese Lagerhuis gevormd comité ter verdediging van de Canadese bepalingen. Het comité deed eenstemmig de aanbeveling het verbod op de wettelijke corporaties van Jehovah’s getuigen op te heffen, maar de minister van justitie weigerde zijn verbodsbevel in te trekken. Het verzet tegen het verbod groeide niet alleen voortdurend in kringen der liberale pers, maar ook in het Lagerhuis werd er fel over gedebatteerd. Ten slotte werd het verbod op het geen rechtspersoon vormende genootschap van Jehovah’s getuigen opgeheven; echter niet dat op hun wettelijke corporaties. Het was aan deze slechts gedeeltelijke opheffing van het verbod te wijten, dat het bijkantoor in Toronto niet heropend kon worden.j In juni 1944 circuleerde er een nationaal verzoekschrift waarop 223.448 handtekeningen werden verkregen en waarin werd gevraagd het verbod op de I.B.S.A, van Canada op te heffen. Voor het verzoekschrift evenwel werd aangeboden, besloot de regering het verbod op de corporatie op 13 juni 1944 op te heffen.
Vanaf het ogenblik dat het verbod in oktober 1943 ten dele werd opgeheven, beijverden de Canadese broeders en zusters zich om Koninkrijkszalen te verkrijgen en hierover, net als in de dagen van voor het verbod, veel publiciteit te geven. Toen het werk in het Canadese veld in 1940 werd verboden, waren er gemiddeld 6081 verkondigers, doch toen het verbod drie jaar later, in juni 1944, werd opgeheven, namen 10.345 werkers aan het getuigeniswerk deel.k Dat was waarlijk een behoorlijke toename in die dagen van beperkende bepalingen, waaruit nog eens te meer blijkt dat Jehovah’s aanbidding niet uitgeroeid kan worden. Vervolging stimuleert de theocratische toename veeleer. De Nieuwe-Wereldmaatschappij blijft in Canada op opmerkenswaardige, indrukwekkende en gezonde wijze groeien. Zij is in staat en bereid alle tegenstand te weerstaan.
Ook in Australië begonnen de religieuze leiders vanaf juli 1940 een politieke actie tegen de energieke getuigen in het leven te roepen. Op 16 januari 1941 kondigde eerste minister Menzies voortijdig in het parlement aan dat zijn regering het voorstel wilde doen Jehovah’s getuigen te verbieden. De volgende dag, 17 januari, werd de maatregel van bestuur afgekondigd waarin de activiteiten van het Genootschap en zijn wettelijke corporaties werden beperkt; hiertoe behoorde ook de Groep Adelaide van Jehovah’s getuigen, die een Koninkrijkszaal bezat welke door de regering in beslag werd genomen, terwijl dit eveneens gebeurde met het Bethelhuis waar het hoofdbureau was gevestigd.l Het is betreurenswaardig dat tijdens het verbod vele der getuigen zich niet strikt aan hun christelijke neutraliteit hielden, maar zich juist met aangelegenheden ophielden welke de oorlogsinspanningen der natie ondersteunden. Later zagen de broeders en zusters hun vergissing in en toonden berouw.a
Er werd een proefproces begonnen ten aanzien van de actie der regering om de activiteiten van Groep Adelaide van Jehovah’s getuigen, Inc., te verbieden, welk proces ten slotte voor de Hoge Raad van Australië kwam. Met vier tegen één beslisten de rechters van de raad ten gunste van de getuigen. Er werd bepaald dat de maatregel van bestuur waarbij Jehovah’s getuigen in Australië werden verboden, onwettig en ultra vires was. De raad bepaalde dat de getuigen zich niet met omverwerpende activiteiten ophielden en dat zij geen lectuur publiceerden of drukten welke in de zin van het Australische strafrecht omverwerpend was. Verder verklaarde de raad dat zij geen belemmering vormden voor de officiële voortzetting der oorlog.b Zo werden de broeders in Australië eveneens van hun beperkingen bevrijd en konden zij hun predikingswerk wederom ter hand nemen. Ook zij waren als overwinnaars uit de strijd tegen hun religieuze tegenstanders om de Almachtige God in vrijheid te aanbidden, te voorschijn gekomen.
Naarmate de katholiek-nazistische-fascistische oorlogsmachine Europa onder de voet liep, werd het werk van onze metgezellen in Frankrijk, Spanje, Polen, België, Griekenland, Bulgarije, Hongarije, Italië, Nederland, Roemenië, Joegoslavië, Estland, Finland, Denemarken en Noorwegen verboden; zij kregen gevangenisstraffen en er werden hun wettelijke beperkingen opgelegd. Ook het werelddeel Afrika werd niet onberoerd gelaten, want er werden de getuigen in Noord-Rhodesia, Zuid-Rhodesia, Nigeria en de Goudkust verschillende dingen verboden. Het in Europa gebeurde herhaalde zich in Azië en het gebied van de Stille Oceaan, toen de Japanse wals zich in 1941 in beweging zette. In Japan, op de Filippijnen, in Birma, Malakka, Straits Settlements, Indonesië, de Fidji-eilanden, Nieuw-Zeeland, India en Ceylon werden de getuigen bitter vervolgd en verboden. Al met al was er werkelijk een wereldomvattende demonische aanval op de getuigen aan de gang. In elk dezer landen werd hetzelfde verhaal opgetekend, namelijk dit, dat zij door hun christelijke moed pal bleven staan voor neutraliteit en Jehovah, al was het dan ondergronds, bleven aanbidden. Nadat de democratieën (de symbolische „aarde”) in 1945 de overwinning hadden behaald, werd de „rivier” van de katholiek-nazistische-fascistische wereldsamenzwering, welke had gepoogd de theocratische vrijheid teniet te doen, totaal vernietigd, verzwolgen. De „aarde” was Gods volk werkelijk te hulp gekomen (Openb. 12:16, NW). Hierdoor werden de overlevende getuigen in staat gesteld hun openbare werk dat bestaat uit het troosten der mensen en het hun verzoenen met God, weer „bovengronds” voort te zetten.c
[Voetnoten]
a Yearbook van 1942, de bladzijden 83-97.
b Yearbook van 1946, de bladzijden 86-92.
c Herdruk van De Wachttoren, deel 7, blz. 6190.
d W 1920, de bladzijden 36, 374.
e Yearbook van 1945, blz. 119.
f Yearbook van 1937, de bladzijden 126-138.
g Yearbook van 1941, blz. 160.
h Consolation van 15 maart 1944, blz. 4.
i Yearbook van 1942, blz. 156.
j Consolation van 15 maart 1944, de bladzijden 5, 14.
k Yearbook van 1945, de bladzijden 116-119.
l Yearbook van 1942, de bladzijden 124-134.
a Yearbook van 1948, blz. 62.
b Adelaide Company of Jehovah’s Witnesses, Inc., c. The Commonwealth (1943) 67 C.L.R. 116, 124.
c Yearbook van 1940, blz, 85; Yearbook van 1942, de bladzijden 88, 107, 111, 142, 143, 144, 161, 163, 171, 172, 181, 190, 191, 199, 201, 208.