Wanneer het materialisme christelijke huizen binnendringt
Wanneer gij denkt dat gij iets eerst moet zien en er dan pas in kunt geloven, en dat een materialistische philosophie geestelijke zegeningen kan inluiden, zult gij bemerken dat er in dit artikel werkelijk waardevolle inlichtingen voor u worden uiteengezet.
HET materialisme is er op uit de wereld met zijn philosophie te veroveren. Zijn strijd zal kort zijn, want een materialistische philosophie is absoluut in strijd met de wil van God. Het is evenmin een oplossing voor deze gekwelde wereld als de ontploffing van de atoombom op Hirosjima een verklaring was van de beginselen van het Christendom. Alhoewel een materialistische zienswijze de mens juist moge toeschijnen, kan ze in de ogen van God volkomen verkeerd zijn. ’Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar Jehovah weegt de harten.’ „Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.” Het materialisme is een van die wegen. — Spr. 21:2; 14:12.
Het materialisme is wereldsgezind. Het is tegengesteld aan en gekant tegen datgene wat geestelijk is. Het is een theorie welke leert dat menselijke verschijnselen op historisch, sociaal of psychologisch gebied veeleer uit het oogpunt van physieke of materiële oorzaken beschouwd en verklaard dienen te worden dan uit het oogpunt van geestelijke oorzaken. Het is een voortbrengsel van een ongelovige wereld, welke wordt onderhouden door het bijtende dieet van wetenschappelijke afgoderij, zelfverheerlijking en verdraaiing van waarheden en waarden. De onschatbare waarde van de geest Gods in het leven der mensen wordt er door verkleind doordat Jehovah God op de achtergrond wordt geschoven. In plaats daarvan worden menselijke prestaties en redeneringen er door verheerlijkt en van het hoogste belang beschouwd. Door middel van de technologische vooruitgang doet het materialisme het voorkomen alsof het de belangen van de mensheid op het oog heeft, terwijl het in werkelijkheid een van de dodelijkste vijanden van de mensheid is, want het materialisme zal deze wanhopige beschaving onder geen omstandigheden door de strijd van Armageddon heen voeren en tot in de nieuwe wereld, welke door God wordt gemaakt, bewaren. Evenmin zal het eeuwig geluk, vrede en leven waarborgen.
Het materialisme een eeuwenlange bedreiging
Eeuwenlang is het materialisme een bedreiging voor de mensheid geweest. De mensen die in de wereld van vóór de vloed leefden, „aten en dronken” en bekommerden zich weinig om geestelijke zaken. Deze onachtzaamheid en nalatigheid betaalden zij met hun leven. In 1473 v. Chr. waarschuwde Mozes Israël voor dit altijd aanwezige gevaar: „Weest op uw hoede opdat gij Jehovah uw God niet moogt vergeten zodat gij zijn geboden en zijn rechterlijke beslissingen en zijn verordeningen niet onderhoudt welke ik u heden gebied; opdat gij niet misschien eet en werkelijk wordt verzadigd en goede huizen bouwt en er werkelijk in woont, en uw vee en uw kudde toeneemt en zilver en goud voor u toenemen en alles wat het uwe is, toeneemt; en uw hart zich misschien werkelijk verheft en gij Jehovah uw God werkelijk vergeet.” „En gij in uw hart zegt: ’Mijn kracht en de volledige macht van mijn hand hebben deze rijkdom voor mij verworven.’” Zowel het Israël uit de oudheid als het tegenwoordige Israël hebben deze verstandige raad, welke bij monde van Mozes werd gegeven, vergeten. Toen het volk Israël voorspoed genoot, pochte het in zijn eigen kracht en macht, en spraken zij in de zin van: „Onze eigen handen hebben deze rijkdom verworven.” Zij eerden zichzelf en niet de God die de hand heeft gemaakt, die kracht en macht geeft en die alles mogelijk heeft gemaakt. — Deut. 8:1-20, NW.
In Samuëls tijd waren zij zo volledig in beslag genomen door hun materialistische philosophie, dat zij gelijk de natiën rondom hen wilden zijn. Zij wensten een koning die zij konden zien. Al de jaren dat Jehovah had bewezen Koning over hen te zijn, waren niet voldoende om de stroom der materialistische denkwijze te onderdrukken. God zeide tot Samuël dat hij naar hen moest luisteren en hen een koning moest geven die zij konden zien, „want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen dat Ik geen Koning over hen zal zijn.” Tot elke prijs stond Israël er op het materialisme aan te hangen ook al betekende het dat zij God moesten verwerpen. Deze materialistische philosophie heeft Israël niet gered. In plaats daarvan heeft ze er toe geleid dat Israël werd onderdrukt en tot de vernietiging werd gedoemd. — 1 Sam. 8:5-7.
Koning Nebukadnezar van Babylon pochte op zijn grote koninkrijk: „Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijke woonstede door de sterkte mijner macht en tot eer mijner majesteit?” Terwijl hij zichzelf nog verheerlijkte, begon zijn gezonde verstand in hem te vervallen. Nebukadnezar vertrouwde op zijn eigen vorsten en op de militaire macht van ijzer en vlees. Hij had geen geloof in de macht welke God bezit om te redden en te vernietigen. Opdat anderen niet gelijk hem zouden denken, door hun vertrouwen in materiële goederen te stellen, wordt de volgende waarschuwing gegeven: ’Wee hun die naar Egypte trekken om hulp, die steunen op paarden en vertrouwen op wagens, omdat zij talrijk zijn, en op ruiters, omdat zij machtig in aantal zijn, maar den blik niet richten op den Heilige Israëls en naar Jehovah niet vragen. De Egyptenaren daarentegen zijn mensen en geen God en hun paarden zijn vlees en geen geest; daarom zal Jehovah zijn hand uitstrekken, zodat de helper struikelt en de geholpene valt, en zij allen tezamen vergaan.’ Dat gebeurt met het materialisme door toedoen van de Almachtige. — Dan. 4:30; Jes. 31:1, 3, NBG.
Hoe Jezus het materialisme bezag
Aan het begin van het Christelijke tijdperk hing het lot van de beschaving er geheel van af hoe Jezus tegenover deze aangelegenheid van het materialisme zou staan. Jezus bracht zijn standpunt aldus onder woorden: „De mens moet niet van brood alleen leven, doch door elke uitspraak die door Jehovah’s mond uitgaat.” Met andere woorden, een materialistische philosophie was niet zijn opvatting, maar de opvatting van zijn tegenstander, Satan de Duivel die deze philosophie aan deze Jezus voorlegde. Jezus zeide dat het waar was dat de mens moet leven. Maar om te leven, heeft hij meer nodig dan materiële goederen. Hij heeft Gods geest nodig; ja, „elke uitspraak die door Jehovah’s mond uitgaat,” is onontbeerlijk voor zijn eeuwige welzijn. — Matth. 4:4, NW.
Ten einde te leven, moet de mens God aanbidden. „God is een Geest, en die hem aanbidden, moeten met geest en waarheid aanbidden.” Hieruit volgt, dat een persoon die de geestelijke zaken verkleint of veronachtzaamt, er blijk van geeft absoluut geen besef te hebben van waarden. Hij is gelijk de materialistisch gezinde man die door Jezus werd gebruikt in een illustratie. Deze man zeide: „’Ziel, gij hebt vele goede dingen voor vele jaren opgelegd; neem uw gemak, eet, drink en geniet.’ Maar God zeide tot hem: ’Onredelijke, deze nacht eisen zij uw ziel van u. Wie zal dan datgene bezitten wat gij hebt weggelegd?’ Zo gaat het met de man die schatten voor zichzelf oplegt maar niet rijk is jegens God.” De les welke hier wordt geleerd, is: „Ook al heeft een persoon in overvloed zijn leven spruit niet voort uit datgene wat hij bezit.” „Rijkdom baat niet ten dage des toorns, maar gerechtigheid redt van den dood.” Wees derhalve op uw hoede voor het materialisme. — Joh. 4:24; Luk. 12:15-21, NW; Spr. 11:4, NBG.
Het materialisme teistert de Christenheid
Ondanks de waarschuwing in de Schrift betreffende de geleidelijke verlamming door het materialisme, heeft het de wereld bijna volledig overwonnen. John Sutherland Bonnell van de Fifth Avenue (New York) Presbyteriaanse kerk zeide: „Er is een schrikbarende aanwijzing van corruptie en omkoopbaarheid in geheel Amerika. Het materialisme is tot het hart van ons land doorgedrongen. Wij hebben goden van ijzer, zilver, goud en hout verwekt. Wij hebben een grote ademtocht van God nodig die door de natie moet blazen.” Monseigneur John J. Hayes kenmerkte het „liberale materialisme” als grote leemten van teleurstelling, eenzaamheid en verwarring scheppend in de moderne beschaving. „Het heeft slavenarbeid en hongerdood geschapen, en kinderen die hun ouders bespieden. Het heeft getracht het idee aan de man te brengen, dat het een gecultiveerd en waardig geslacht kan voortbrengen zonder geloof in God. Zulk een philosophie neemt de enige bron van licht en sterkte welke de mens bekend is, weg.” Hij classificeerde het materialisme als „de grootste misdaad tegen menselijke vrede en geluk in onze gehele intellectuele geschiedenis.”
In welke mate „Christelijke” huizen aan het materialisme ten prooi zijn gevallen, kan worden afgemeten naar Jezus’ woorden: „Houdt er mede op voor u zelf schatten op de aarde weg te leggen.” „Indien God nu de plantengroei des velds, welke er vandaag is en morgen in de oven wordt geworpen aldus bekleedt zal hij u dan niet veelmeer bekleden, gij kleingelovigen? Weest dus nooit bezorgd en zegt niet: ’Wat zullen wij eten?’ of, ’Wat zullen wij drinken?’ of, ’Wat zullen wij aandoen?’ Want dit alles streven de natiën vurig na. Want uw hemelse Vader weet dat gij al deze dingen nodig hebt. Blijft dan eerst het koninkrijk en zijn rechtvaardigheid zoeken, en al deze andere dingen zullen u worden toegevoegd. Weest dus nooit bezorgd voor de volgende dag, want de volgende dag zal zijn eigen bezorgdheden hebben. Voldoende voor elke dag is zijn eigen kwaad.” — Matth. 6:19, 30-34, NW.
Is deze gang van zaken in de meeste „Christelijke” huizen van tegenwoordig niet omgekeerd? Wanneer een bedienaar van het evangelie van Jehovah’s getuigen een bezoek brengt aan zogenaamde „Christelijke” huisgezinnen, zal hij of zij in de meeste gevallen het volgende antwoord krijgen: „Wij hebben het te druk met het verdienen van de kost.” „Wij hebben geen tijd voor die dingen.” „Wij hebben geen tijd voor religie.” „Wij hebben geen belangstelling voor de Bijbel.” „Wij hebben onze eigen religie.” „Ik heb geen tijd meer om de krant of andere bladen te lezen, laat staan de Bijbel,” alsof kranten belangrijker waren dan een kennis van Gods Woord, de Bijbel.
Het blijkt duidelijk dat deze belijdende Christenen niet geestelijk gezind zijn. Zij zoeken niet eerst het Koninkrijk, dat is zeker. Zij hebben alle gevoel voor geestelijke waarden verloren. Hun onmiddellijke belangstelling gaat uit naar de noodzakelijke levensbehoeften en genoegens van het leven. Zij hebben geen tijd voor geestelijke zaken. Zij zijn „op het materialisme uit zijnde robots” geworden. Hun geest is verwrongen en er toe gebracht te denken, dat geestelijke behoeften met materiële goederen verzadigd kunnen worden. Bijvoorbeeld: De Christenheid zoekt vrede door middel van materieel geweld, terwijl vrede bovenal een geestesgesteldheid is, een vrucht van de geest Gods. Vreugde, geluk en tevredenheid zijn vruchten van de geest. Maar wereldlingen zoeken deze hoedanigheden in materiële bezittingen, zoals nieuwe huizen, luxe meubelen, auto’s van de laatste modellen, reusachtig grote ijskasten, televisietoestellen met het grootste scherm, enz. Toch vinden zij dat deze materiële goederen geen werkelijke bevrediging schenken, en zij vragen zich af waarom dit zo is.
Zij beseffen niet dat ’een physiek mens de dingen die van de geest Gods zijn, niet aanneemt, want ze zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet begrijpen, omdat ze geestelijk worden onderzocht. De geestelijke mens echter onderzoekt inderdaad alle dingen, maar hij zelf wordt door niemand onderzocht.’ Indien wij door geest leven, dat wil zeggen, overeenkomstig de aanwijzing van het Woord Gods, zullen liefde, vreugde, vrede, goedgunstigheid, goedheid, geloof, zachtaardigheid en zelfbeheersing ons deel zijn als een natuurlijk resultaat der dingen. Egoïsme, wedijver en afgunst, waardoor strijd en verdeeldheid wordt veroorzaakt, zullen op de vlucht slaan ten gevolge van de werking van Gods geest. Vrede en tevredenheid vervullen het Christelijke huis waar het de geest van God wordt toegestaan vrijuit werkzaam te zijn. — 1 Kor. 2:14, 15, NW.
Maar wanneer er wordt toegestaan dat het materialisme een Christelijk huis binnendringt, wordt het Christendom er toe gedwongen weg te gaan. Wanneer er meer de nadruk wordt gelegd op dingen dan op personen, raken genegenheden en gezinnen spoedig verdeeld. „Want waar uw schat is, zal ook uw hart zijn.” De vrouw wordt er toe gebracht te geloven dat zij buitenshuis moet gaan werken ten einde thuis alles op pijl te houden, zoals dat over het algemeen wordt gezegd. Het huishouden komt op de tweede plaats. De zorg voor het kind wordt verwaarloosd. Het gevoel dat zij elkaar nodig hebben, wordt minder. Het duurt niet lang of er ontstaan moeilijkheden. — Matth. 6:21, NW.
Door de moderne geriefen en „gelukkig makende uitvindingen” krijgt men een vals gevoel van zekerheid. „Wij hebben ons huisgezin, onze zaak, familie en vrienden; en wij hebben ook onze eigen religie. U ziet dus wel, dat wij de Bijbel werkelijk niet nodig hebben. Wij zijn volkomen tevreden. Wij hebben alles wat wij wensen. Dank u.” Zulk een zelfgenoegzaamheid riekt naar materialisme. In zulk een huisgezin is religie slechts iets bijkomstigs; het is gemakkelijk een religie te hebben om zakelijke of maatschappelijke redenen, of slechts in geval van nood. Religie is min of meer gelijk een reserveband van een auto. Een reserveband geeft een persoon een gevoel van zekerheid, en het is gemakkelijk een extra band bij zich te hebben voor het geval dat men een lekke band zou krijgen. Met religie is het in dit huis precies hetzelfde, ze wordt getolereerd ter wille van het gerief.
Pogingen om het hoofd te bieden aan het materialisme
Ten einde het hoofd te bieden aan deze geleidelijke verlamming, wordt er een poging gedaan deze materialistische wereld te bekeren door materialistischer te worden, door de religie een groter aandeel in haar politieke en sociale aangelegenheden te laten nemen; en door er toe aan te moedigen meer vertrouwen te stellen in materialistische zeemachten en legers. Hoe fantastisch en onredelijk het ook moge klinken, deze wereld laat zich niettemin door zulk een philosophie leiden. Het materialisme in Christelijke huizen uit te nodigen, betekent onheil welkom te heten. „Overspeleressen, weet gij niet dat de vriendschap met de wereld vijandschap met God is? Al wie derhalve een vriend der wereld wil zijn, stelt zich tot een vijand van God.” Deze materialistische wereld de hand te reiken, betekent oorlog te maken met God. — Jak. 4:4, NW.
Gelijk een monsterachtige slang heeft het materialisme zich rondom deze wereld gekronkeld. Het heeft deze misdaad begaan door de dwaasheid en ongerijmdheid van de religieuze leiders dezer wereld. De materialistische wereld heeft kennis op de troon geplaatst als zijn afgod en heeft God de rug toegekeerd. Hij vergeet de Maker te eren, die hem van het gereedschap en het intellect heeft voorzien waardoor hij zijn werk kan verrichten.
Zoals Charles Lindberg zo passend verklaart in zijn Flight and Life, heeft de wereld, welke vertrouwen stelt in haar materialistische god, de „ware hoedanigheid van het leven verloren — de schoonheid van de aarde, haar jaargetijden en haar lucht; de broederschap van de mensen; de vreugde van vrouw en kinderen. Ze heeft de oneindige sterkte verloren zonder welke geen enkel mens de tijd kan overleven — het element dat door oorlog niet verslagen kan worden noch door vrede verdorven kan worden.” Hij besluit als volgt: „Ik begrijp nu dat de geestelijke waarheid belangrijker voor een natie is dan de metselkalk in de muren van haar steden. Wanneer een volk zich in zijn handelingen niet door deze waarheden laat leiden, is het slechts een kwestie van tijd voordat hun muren ineenstorten.”
De tijd tot aan de grootste oorlog der wereld verstrijkt snel. De overlevenden van deze oorlog worden vergeleken met een beleidvolle man, die zijn huis op een rotsachtig fundament heeft gebouwd, gebaseerd op gehoorzaamheid aan het blijvende Woord Gods. De muren van dat Christelijke huis zullen blijven staan. Alle andere zullen ineenstorten. Moge gij een verstandige bouwer zijn — door uw huis op geestelijke fundamenten te bouwen en te bedenken dat alhoewel sommigen op wagens vertrouwen, en sommigen op paarden, Jehovah alleen kan redden. — Matth. 7:24-27; Ps. 20:8.