Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w55 1/7 blz. 196-202
  • Rechtschapenheid handhaven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Rechtschapenheid handhaven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1955
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • WAT HET VOOR ONS IN DEZE TIJD BETEKENT
  • WAARSCHUWINGEN VOOR HET NIET HANDHAVEN VAN RECHTSCHAPENHEID
  • ’Oordeel, o Jehovah!’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1956
  • Waarom moeten we rechtschapen blijven?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2008
  • Waarom de strijd om rechtschapenheid te handhaven?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1953
  • Handhaaf uw persoonlijke rechtschapenheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1955
w55 1/7 blz. 196-202

Rechtschapenheid handhaven

„De Rots, volmaakt is zijn activiteit, want al zijn wegen zijn gerechtigheid. Een God van getrouwheid, bij wie geen ongerechtigheid is; rechtvaardig en oprecht is hij.” — Deut. 32:4, NW.

1. Wat maakt hen die Jehovah kennen, gelukkig, en wat doen zij?

HOE gelukkig zijn de schepselen die Jehovah leren kennen zoals hij is, de Opperste Souverein van het gehele universum, wiens onberispelijke gedrag de onverdeelde lof van al het levende dient uit te lokken! Zulke personen worden er toe bewogen hetzelfde te zingen als wat de psalmist uit de oudheid zong: ’Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal. Want Jehovah’s woord is recht, en al Zijn werk getrouw. Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid van Jehovah’ (Ps. 33:3-5). Deze dankbare personen scheppen er behagen in te „tonen dat Jehovah oprecht is,” zodat velen van hun medeschepselen er toe bewogen mogen worden zijn heilige naam te dienen en te aanbidden, hetgeen tot hun eeuwige welzijn is. — Ps. 92:15, AS.

2. Wat zijn Jehovah’s kenmerkende eigenschappen, en waarom moeten met verstand begaafde schepselen tot hem aangetrokken?

2 Op een andere plaats getuigde David: „Jehovah is goed en oprecht” (Ps. 25:8, AS). Zowel zijn geïnspireerde geschriften als alle andere Geschriften weerkaatsen voor ons op wonderbaarlijke wijze de smetteloosheid en voortreffelijkheden van Jehovah. Hij wordt aan ons geopenbaard als een heilige God, die absoluut zuiver, rein, onverderfelijk, niet te besmetten, getrouw en standvastig is en volkomen aan rechtvaardigheid is toegewijd. Menselijke bewoordingen schieten ver te kort om een toereikende beschrijving van Zijn uitnemendheid te geven. Het is daarom niet te verwonderen dat mensen die een nederige geestesgesteldheid hebben, met ontzag worden vervuld voor zijn glorierijke alhoewel onzichtbare majesteit. Het valt niet te verwonderen dat zij er toe worden geïnspireerd in zijn tegenwoordigheid te naderen door er naar te streven hun leven in overeenstemming te brengen met de wonderbaarlijke beginselen en wetten die hij heeft gemaakt opdat zijn gehele universele gezin zich er door zou laten leiden. Hij is gelijk een ontzettend grote magneet waardoor schepselen die dezelfde geestesgesteldheid bezitten, onweerstaanbaar worden aangetrokken.

3. In welk belangrijk opzicht vormt hij een tegenstelling met andere zogenaamde „goden”?

3 En hoe anders is Jehovah dan alle andere goden, die door hun menselijke aanbidders worden voorgesteld als goden die een geïsoleerde, gereserveerde en zelfzuchtige majesteit verkiezen te behouden en zich gaarne in geheimzinnigheid hullen door hun aanbidders op een eerbiedige afstand te houden uit vrees dat hun bedrog ontdekt en aan de kaak gesteld zal worden! Daarentegen schept Jehovah behagen in degenen die ijverige pogingen in het werk stellen hem te leren kennen en hun gedachten en handelingen naar zijn voorbeeld te vormen. Aan allen die zijn kinderen zouden willen zijn, geeft hij het bevel: „Gij moet er blijk van geven heilig te zijn, want ik ben heilig” (Lev. 11:44, NW). Dit wil zeggen, dat zijn ware aanbidders moeten trachten zijn oprechtheid na te streven; zij moeten rechtschapenheid ten toon spreiden in al hun betrekkingen met hem en met hun medeschepselen.

4. Verklaar de uitdrukking „rechtschapenheid,” en toon aan hoe ze van toepassing is op Jehovah en zijn kinderen.

4 Maar wat is rechtschapenheid? En hoe kunnen wij deze onontbeerlijke kenmerkende eigenschap van Gods universele gezin van schepselen verwerven en behouden? Rechtschapenheid wordt in Websters International Dictionary beschreven als oprechtheid van gedrag; zuiverheid van morele beginselen; eerlijkheid, onkreukbaarheid, staat van gaafheid, ongeschonden, onverbroken; volledigheid. Wanneer wij dieper in de structuur van het woord delven, ontdekken wij dat het woord rechtschapenheid overeenkomt met integriteit, welk laatste woord is samengesteld uit in, wat het woord ontkennend maakt, en tegriteit, een vorm van het Latijnse werkwoord tangere, dat „aanraken” betekent. Hieruit maken wij dus op dat rechtschapenheid of integriteit een toestand is waarin iemand onaangeraakt, onverdorven en ongeschonden is door verdeeldheid brengende en verdorven invloeden. Hoe wonderbaarlijk treedt onze God Jehovah derhalve naar voren als de God van rechtschapenheid! Hoe noodzakelijk is het dat wij deze hoedanigheid aankweken indien wij op hem willen gelijken en ons waardig willen tonen zijn kinderen te zijn!

5. Waarmede rustte God de mensen toe, en waarom is het passend dat zij dienen te trachten gelijk hem te zijn?

5 Toen God de eerste maal overwoog om mensen te scheppen, besloot hij op edelmoedige wijze hen toe te rusten met de grootse vermogens al zijn rechtvaardigheid te weerspiegelen, want hij verklaarde: „Laten wij de mens maken naar ons beeld, overeenkomstig onze gelijkenis, en dat zij de vissen der zee en de vliegende schepselen der hemelen en de huisdieren en de gehele aarde en alle kruipende dieren die op de aarde kruipen, in onderworpenheid hebben.” Hoe passend is het daarom dat de mens in het miniatuurgebied waarin hij heerschappij oefent, zijn gedrag dient te vormen naar het volmaakte voorbeeld van de hemelse Vader, over wie wordt gezegd: ’Jehovah is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken.’ — Gen. 1:26, NW; Ps. 145:17.

6. Waarom is er zoveel strijd en demoralisatie, en wat is de oorzaak hiervan?

6 Denkt u eens in wat voor verwarring er in dit universum zou heersen zonder die grote en volmaakte Stabilisator en Integrator, en wat een chaos het zou zijn van tegenstrijdige belangen en demoraliserende invloeden! Zoals het er thans mede is gesteld, is de beschaving van deze gehele wereld zozeer verdorven en zo verdeeld in haar loyaliteit en zo verward in haar denkwijze dat de Souvereine God van rechtschapenheid zelf bij deze beschaving op de achtergrond is gedrongen, en de mensen worden verenigd ten einde door mensen en demonen geïnspireerde plannen te ondersteunen voor het verbeteren van hun toestanden. Dit alles is begonnen toen het eerste opstandige schepsel, dat zich er door zijn ingebeelde trots en begeerte toe liet brengen zijn juiste getrouwheid aan Jehovah te verbreken en te verderven, een slang gebruikte ten einde op innemende wijze tot de volmaakte Eva te zeggen: „Is het werkelijk zo dat God heeft gezegd dat gij van alle bomen van de hof niet moet eten? . . . Gij zult volstrekt niet sterven. Want God weet dat in dezelfde dag dat gij er van eet, uw ogen geopend moeten worden en gij gelijk God moet zijn, kennend goed en kwaad.” — Gen. 3:1-5, NW.

7. Toon in het kort wat zowel in Eden als in Jobs tijd het doel van de opstandige cherub was.

7 Uit deze woorden bemerken wij op treffende wijze de met voorbedachten rade gedane stap om de rechtschapenheid van het eerste paar jegens hun Schepper aan het wankelen te brengen. Breng hen er toe naar een andere bron van inlichtingen te luisteren, een andere „gezaghebbende” stem, ten einde hun loyaliteit te verdelen en hun vertrouwen in de Schepper terug te voeren tot een fractie van dat wat het eens was. Zouden zij zwichten voor de verdervende invloed van Satan of zouden zij moedig stand houden tegen hem en volledig toegewijd blijven aan Degene die hun Schepper en Weldoener was? De strijdvraag welke aldaar in Eden is gerezen, is sedertdien niet uitgestorven of beslist. In de tijd van Job, ongeveer vijf en dertig eeuwen geleden, beschuldigde de pocherige opstandeling die rechtvaardige man voor Jehovah’s troon, door te beweren dat hij slechts bij God in de gunst wilde staan en een persoon was die alleen in overeenstemming met Gods regelingen leefde wegens het goede dat Jehovah hem gaf.

8, 9. (a) Aan welke beproeving werd Job blootgesteld? (b) Hoe heeft hij er het hoofd aan geboden?

8 Jobs rechtschapenheid werd derhalve op de proef gesteld. Rijkdom en bezittingen werden weggenomen, kinderen en huisknechten werden gedood, een weerzinwekkende huidziekte tastte zijn lichaam van top tot teen aan, en zijn eigen vrouw en drie valse vrienden spanden samen om hem zijn aanbidding van de enige waarachtige God te doen verloochenen. Klaarblijkelijk gebruikte de Duivel deze menselijke woordvoerders ten einde zijn vernietigende propaganda te laten weerklinken: ’De gemakkelijke weg uit al uw moeilijkheden is eenvoudig God te vervloeken en dan te sterven. Bovendien is hij uw aanbidding en toewijding niet werkelijk waard. Hij is een onredelijke dictator zonder enige werkelijke liefde voor zijn scheppingen.’

9 Wat denkt gij van Jobs rechtschapenheid? Stond hij toe dat hij verdeeld werd met betrekking tot zijn getrouwheid, of verdorven werd ten gevolge van twijfel en achterdocht en de knappe sophisterij van deze wereld en haar god? Neen! In plaats daarvan horen wij hem vastberaden het volgende te kennen geven: „Totdat ik sterf, zal ik mijn rechtschapenheid niet van mij wegdoen.” „Ook al zou hij mij doden, toch zal ik op hem vertrouwen” (Job 27:5, AT; 13:15, KJ). Voordat deze diepgaande beproevingen over Job werden gebracht, was hij reeds onderscheiden als een getrouwe dienstknecht van Jehovah. En nu hij als overwinnaar uit de beproeving te voorschijn was gekomen, werd hij zeer gezegend door de grote Gever van elke goede en volmaakte gave. Jehovah heeft degenen die er op zijn voorbereid ten behoeve van zijn naam en rechtvaardigheid te lijden, werkelijk lief en zij maken hem gelukkig. De loopbaan van rechtschapenheid, deze algehele toewijding, dit algehele vertrouwen en deze algehele gehoorzaamheid jegens de Schepper, is het pad der wijsheid, en Jehovah’s vaderlijke vermaning aan zijn kinderen luidt: „Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.” — Spr. 27:11.

10. Wat is Satans strategie?

10 De grote Smader, Satan, is er voortdurend op uit en wacht steeds op een gelegenheid schepselen van de loopbaan van oprechtheid te doen afwijken zodat hij de naam van de Schepper met nog meer spot en smaad kan overladen. Hij liet zich vertegenwoordigen door de laagste van alle schepselen, een slang, die over de grond kruipt, en hij zou er voor zorgen dat al Gods schepselen verleid zouden worden zodat zij zich niet langer in de oprechte toestand zouden bevinden waarin zij Jehovah aanbaden en dienden. Dit is zijn plan en daarom gebruikt hij elk onderhandse wapen om de dienstknechten van de Allerhoogste te bestrijden, terwijl hij goed weet dat hij er slechts in behoeft te slagen enige geringe twijfel in de geest van een onbehoedzaam schepsel te doen opkomen, welke twijfel zal dienen als de dunne kant van de wig die ten slotte de algehele toewijding van het schepsel in stukken kan breken.

11. Hoe bewijst Jehovah een liefderijke voorziener te zijn voor mensen die hun rechtschapenheid bewaren ?

11 Daarentegen schept Jehovah er groot behagen in degenen gade te slaan die hun rechtschapenheid handhaven en die alle smaad en al het lijden dat deze wereld en haar god kunnen geven, aanvaarden, en toch evenals Job wandelen in onverdeelde, onbevlekte getrouwheid aan de universele Souverein. Hij is de volmaakte Vader, die het voorbeeld van rechtschapenheid geeft aan al zijn zonen en dochteren. Meer dan dat, hij voorziet op liefderijke wijze in zijn Woord, de Heilige Schrift, een schatkamer van inlichtingen met betrekking tot zijn wonderbaarlijke beginselen en hoedanigheden, zodat de mens Gods grondig toegerust kan zijn om de aanvallen van de vijand af te weren en pal te staan voor oprechtheid en waarheid. En nog een andere wonderbaarlijke voorziening tot dat zelfde is het onberispelijke voorbeeld van zijn geliefde Zoon, toen deze als mens van vlees en bloed hier op aarde was. Merk op hoe ten tijde van die unieke doop welke aan de oever van de Jordaan werd verricht, het vertrouwen van de Vader op ondubbelzinnige wijze tot uitdrukking werd gebracht: „Deze is mijn Zoon, de geliefde, die ik heb goedgekeurd” (Matth. 3:17, NW). Ja, en vele eeuwen voor die tijd werd de beloning voor rechtschapenheid welke thans aan Christus Jezus is toegekend, eveneens vol vertrouwen aan de psalmist gedicteerd: „Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.” — Ps. 45:8.

WAT HET VOOR ONS IN DEZE TIJD BETEKENT

12. Waarom is het in deze tijd belangrijk om het verslag van hen die in de oudheid hun rechtschapenheid hebben gehandhaafd, te beschouwen?

12 Maar wat betekent het voor ons in deze tijd, in dit jaar 1955, dat wij onze rechtschapenheid moeten handhaven? Het antwoord op deze vraag wordt duidelijk wanneer wij het verslag onderzoeken van hen die in vroegere tijden hun rechtschapenheid hebben gehandhaafd. Dat verslag heeft God speciaal bewaard opdat het thans, in deze zeer gevaarvolle tijden tot lering van ons zou zijn, in welke tijden Gog vanaf zijn duistere zetel, die zich in de nabijheid van onze aarde bevindt en van waaruit hij zijn operaties verricht, voorbereidingen treft voor en persoonlijk de leiding neemt in een weergaloze en onbarmhartige veldtocht tegen het volk dat zijn rechtschapenheid jegens Jehovah God en zijn Koning, Christus Jezus, handhaaft. Laten wij, terwijl wij in het kort de beproevingen beschouwen welke zij hebben ondergaan, beseffen hoe nauwkeurig hun omstandigheden overeenkomen met die waarin wij ons in deze tijd bevinden.

13. Licht toe wat het geschilpunt was in Abels tijd, en hoe hij Jehovah’s gunst heeft verworven.

13 In het geval van Abel kunnen wij opmerken dat de zuivere aanbidding op het spel stond. Abel wist wat er van hem werd vereist op het gebied van het brengen van offers die Jehovah God aangenaam zouden zijn. Naderhand wist Kaïn het eveneens, maar hij gaf er de voorkeur aan zijn eigen gang te gaan. En aangezien zijn moeder de ambitie had even wijs als God te zijn, ging Kaïn in deze aangelegenheid van de juiste aanbidding, volgens zijn eigen oordeel te werk en liep vooruit op Gods oordeel. Hoe handelde Abel echter te midden van zulk een omgeving, welke door de gezinsleden werd geschapen? Hij stond niet toe dat de zuiverheid van zijn toewijding werd besmet door de opzettelijke, onafhankelijke houding van Kaïn. Hij hield vast aan de juiste aanbidding, ook al kostte het hem zijn leven. — Gen. 4:1-15.

14. Waarop wordt in Henochs gedrag in het bijzonder de nadruk gelegd?

14 De prediking draagt eveneens op een speciale wijze bij tot de uiteindelijke succesvolle overwinning op het gebied van rechtschapenheid. Dit bemerken wij in het verslag over Henoch, die volgens Judas’ geïnspireerde woord vrijmoedig en onbevreesd heeft gesproken tot een goddeloos geslacht. Hij bekommerde zich er weinig om dat hij niet in overeenstemming was met de grote meerderheid van de bevolking der aarde. Zijn liefde voor recht en waarheid bande alle vrees voor louter schepselen en ondersteunde hem in het werk dat God hem had toegewezen (Gen. 5:18-24; Judas 14, 15). Wij bemerken dat ook wij een verachte en gehate minderheid vormen en dat wij dezelfde predikingstoewijzing hebben.

15. Toon aan hoe Noach zijn rechtschapenheid bewees en wat hem hiertoe in staat stelde.

15 Nederig met Jehovah God wandelen als met een geëerde vriend en leermeester, altijd verlangend met hem in contact te staan en zijn wegen van hem te leren, is nog een kenmerk van het handhaven van rechtschapenheid dat onontbeerlijk is. Beschouw het voorbeeld van Noach, over wie wordt getuigd dat hij ’met God wandelde.’ En op wat een wonderbaarlijke wijze heeft Jehovah deze getrouwe man beloond, die ’er blijk van gaf onberispelijk te zijn’ te midden van dat gehele geslacht van verdorven tijdgenoten! Dat hij met de grote Leraar wandelde en ijverig onder leiding van deze Leraar studeerde, rustte hem toe zodat hij weerstand kon bieden aan de snelle achteruitgang in zeden van dat tijdperk, hetwelk in de vernietiging door de Watervloed is geëindigd. — Gen. 6:8 tot 7:24.

16. Wat heeft gehoorzaamheid met rechtschapenheid te maken, zoals blijkt uit Abrahams ondervindingen?

16 Gehoorzaamheid is nog een ander moeten voor hen die hun rechtschapenheid willen handhaven. Onmiddellijk komt Abraham in onze geest op als een op de voorgrond tredend voorbeeld op dit gebied. Ongetwijfeld heeft hij zich de weelde en genoegens van het dichtbevolkte Ur in het land der Chaldeeën ontzegd. Maar dat was slechts het begin. Zijn daaropvolgende reizen waren alle nauwgezet in overeenstemming met de reisroute welke God hem had medegedeeld. Door deze reizen kwam hij voortdurend in contact met goddeloze stammen en heidense koninkrijken. Maar nimmer werd zijn gehoorzaamheid aan zijn God aan het wankelen gebracht; nimmer gaf hij ook maar in het minst te kennen dat zijn rechtschapenheid op een ongunstige wijze was aangetast. En de grootste beproeving diende er slechts toe om buiten alle twijfel te bewijzen dat hij een zuivere geestesgesteldheid jegens God bezat. Hij stond klaar om die enige zoon, in wie al zijn godvruchtige, ouderlijke liefde was geconcentreerd, te doden, terwijl hij nederig erkende dat God het recht en de macht heeft het leven te geven en te nemen, alsook de doden tot eeuwig leven op te wekken. — Hebr. 11:19; Gen. 22:1-19.

17. Welke rol speelde Sara in het grote drama van rechtschapenheid?

17 Door Sara’s voorbeeld wordt eveneens nog een fonkelend facet van het kleinood van rechtschapenheid ten toon gespreid. Zeker, zij heeft gelachen toen de eerste maal de belofte werd gedaan dat zij op haar hoge leeftijd een kind zou baren. Maar de geïnspireerde schrijver getuigt over haar dat zij altijd een juiste onderworpenheid aan haar echtgenoot heeft bewaard, en toen zij er aan werd herinnerd dat het woord van de Opperste Souverein bij de belofte was betrokken, ’vreesde zij.’ Zij had vrees voor God, en die vrees vormde de basis voor ware wijsheid. Menselijke wijsheid en redenering werden op de vlucht gejaagd. Haar geloof werd een overwinnende kracht in haar, welke triomfeerde over de onvruchtbaarheid van haar hoge leeftijd. — Gen. 18:1-15; 21:1-7; 1 Petr. 3:6.

18. Op welk kenmerk van het handhaven van rechtschapenheid legde Jakobus de nadruk in Jakobus 5:10, 11?

18 Nog een kenmerk van rechtschapenheid is volharding. Hoe passend wordt dit door Jakobus onderstreept in de brief welke hij aan mede-Christenen heeft geschreven en waarin hij zegt: „Broeders, neemt als een voorbeeld van het verduren van kwaad en het oefenen van geduld de profeten, die in de naam van Jehovah hebben gesproken. . . . Gij hebt van de volharding van Job gehoord” (Jak. 5:10, 11, NW). En kunnen wij precies aanduiden wat de bron was van Jobs kracht waardoor hij kon volharden? Wat zou die bron anders kunnen zijn geweest dan de sterke hoop welke hij koesterde dat Gods overvloedige beloften in vervulling zouden gaan? Beschouw bijvoorbeeld de volgende woorden, welke afkomstig zijn van de lippen van een man die een folterende pijn te verduren had: „Och, of Gij mij in het graf [Sheʹol] verstaakt, mij verbergt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling stelde, en mijner gedachtig waart! Als een man gestorven is, zal hij weder leven?” (Job 14:13, 14; AS). Zijn verzekerde verwachting dat hij door middel van een opstanding wederom het leven zou verkrijgen, bracht volharding teweeg, en dat hij vervolgens op succesvolle wijze volhardde, versterkte zijn hoop. Wij doen er goed aan hem als ons door God goedgekeurde voorbeeld te aanvaarden.

19. Welke speciale houding van Mozes verdient in dit verband bijzondere aandacht?

19 Hoe gemakkelijk maakt de Duivel het voor dienstknechten van Jehovah om slechts enigszins een compromis te sluiten of hun toon en boodschap te verzachten! Maar Mozes heeft dit niet gedaan. Ondanks gevaar en smaad weigerde hij zijn verantwoordelijkheden te ontwijken of op de lange baan te schuiven. Hij liet het hof van Farao met alle verblindende attracties welke het had, in de steek, op grond van het feit dat hij overeenkomstig een leugen te werk zou gaan wanneer hij aldaar zou blijven, doordat hij uiterlijk Farao’s politiek en praktijken zou begunstigen, terwijl hij innerlijk tot de verachte en gehate Hebreeërs behoorde, die een minderheid vormden. Toen hij later met de boodschap van God tot in de tegenwoordigheid van de hardvochtige monarch werd gezonden, nam hij geen blad voor de mond, noch verzachtte hij datgene wat hij moest spreken, maar in plaats daarvan was hij getrouw aan God en aan zijn opdracht zonder dat hij compromissen sloot. Hij handhaafde een hecht standpunt voor datgene wat juist is. Hij bleef ongeschonden door de verdorven invloeden van Egypte. — Hebr. 11:23-29.

20, 21. (a) Licht toe hoe Jezus de voornaamste persoon is geworden wat het handhaven van rechtschapenheid aangaat. (b) Wie hebben werkelijk van hem geleerd, en met welk resultaat?

20 Bij elk van de voorgaande voorbeelden van personen die hun rechtschapenheid hebben gehandhaafd, treedt één speciaal kenmerk of één speciale hoedanigheid op de voorgrond alsof ze onze aandacht wil boeien en op treffende wijze de nadruk wil leggen op de vele hoedanigheden welke worden vereist van degene die pal zou willen staan voor rechtvaardigheid en zich tegen ongerechtigheid wil keren. Maar merk nu op hoe alle hoedanigheden zich verenigen in het wonderbaarlijke voorbeeld van Gods Zoon, die geen enkele aanbidding toestond dan de aanbidding van Jehovah, voortdurend en onbevreesd predikte, altijd nederig bleef als Degene die door zijn Vader was gezonden, de instructies van de Vader gehoorzaamde totdat hij een schandelijke dood aan de martelpaal stierf, een onoverwinlijk geloof in de macht van zijn Vader ten toon spreidde en alles verdroeg, terwijl hij nimmer ook maar voor een ogenblik een compromis sloot met des Duivels zijde van de strijdvraag in verband met het handhaven van rechtschapenheid. Daarom wordt hij ’gezalfd met de olie van vreugde boven zijn metgezellen.’ — Hebr. 1:8, 9, NW.

21 En degenen die werkelijk van hem hebben geleerd terwijl hij op aarde wandelde, hebben dezelfde geestesgesteldheid aan de dag gelegd. In plaats dat zij hun rechtschapenheid lieten varen, waren zij er op voorbereid geriefelijkheden, eigendommen en alles, ja, het leven zelf op te geven. Hieraan herinnert Paulus ons in Hebreeën 10:34 (NW): „Gij hebt zowel medegevoel tot uitdrukking gebracht ten aanzien van degenen die in de gevangenis zijn, als de roving van uw bezittingen vreugdevol aanvaard, wetend dat gij zelf een betere en een blijvende bezitting hebt.” En Paulus zelf getuigde dat hij ’het verlies van alle dingen heeft aanvaard en ze als een hoop vuil heeft beschouwd,’ opdat hij zich waardig mocht bewijzen een volgeling van Christus genaamd te worden (Fil. 3:8, NW). Zijn „bezorgdheid voor alle gemeenten” hield in dat hij een voortdurende strijd moest voeren tegen verdeeldheid brengende en bezoedelende invloeden die reeds aan het werk waren ten einde de rechtschapenheid van de Christelijke organisatie, welke nog in haar kinderschoenen stond, te verbreken. — 2 Kor. 11:28, NW.

22. Hoe stond de wereld van de eerste eeuw verwonderd over het handhaven van rechtschapenheid?

22 God heeft de onzelfzuchtige arbeid van Paulus en zijn mede-apostelen rijkelijk gezegend. Duizenden zachtmoedige personen werden in die eerste eeuw van deze jaartelling uit liefde voor rechtvaardigheid door de onbevreesde bekendmaking van het Koninkrijk aangetrokken. Zij bestudeerden ijverig de Schrift, leerden Jehovah kennen, werden rijp in het geloof en werden actief in de predikingsveldtocht. Wat een schouwspel waren zij voor het verdorven en gedemoraliseerde geslacht van die tijd! Onversaagd traden zij wilde beesten en beestachtige menselijke vervolgers tegemoet, terwijl velen hun leven hebben moeten geven als bewijs van hun onwankelbare getrouwheid aan de God der rechtschapenheid. Alhoewel hun algehele toewijding een zeer raadselachtig verschijnsel was voor wereldse mensen, was ze een bron van verwondering voor allen die er getuigen van waren.

23. Tegenover welke diepgaande vragen zien wij ons in deze gevaarvolle tijden geplaatst?

23 De ware aanbidders van Jehovah bevinden zich in deze tijd eveneens te midden van een vijandig geslacht, een geslacht dat door de god van deze wereld is verdorven en gedemoraliseerd. Ook in deze tijd vormen degenen die rechtschapen van hart zijn en voor het aangezicht van Jehovah wandelen, een volk waarover men verwonderd staat, dat verkeerd wordt begrepen, wordt gehaat, tegengestaan, vervolgd en in enkele delen der aarde met de dood wordt bedreigd. Zijt gij een van hen enkel en alleen omdat gij dit belijdt, of omdat gij persoonlijk een loopbaan van rechtschapenheid volgt waardoor gij als een van hen wordt geïdentificeerd? Houd in gedachten dat rechtschapenheid een aangelegenheid is die met de geest en het hart te maken heeft. Is uw geest alleen op God en op rechtvaardigheid gericht? Is uw hart sterk en rein zodat het de hemelse wijsheid, die een bron van eeuwig leven wordt, voortdurend door uw innerlijke mens kan pompen? Indien dit zo is, zult gij tot de gelukkigen behoren die onder Gods rechtschapen mensen worden gerekend.

WAARSCHUWINGEN VOOR HET NIET HANDHAVEN VAN RECHTSCHAPENHEID

24. Licht toe hoe sommigen niet oprecht zijn gebleven.

24 Daarentegen staan er in de Schrift eveneens waarschuwende voorbeelden opgetekend betreffende het niet handhaven van rechtschapenheid. In elk voorval zal worden vernomen dat het in gebreke blijven in dit opzicht zijn oorsprong vond in het feit dat het schepsel de eenheid en het welzijn van alle andere leden van de universele organisatie van Gods schepselen niet in aanmerking nam. De aandacht werd naar binnen gekeerd en op het schepsel zelf gevestigd. Het nauwe fundamentele verband dat er tussen de woorden in gebreke blijven en misleiden bestaat, onderstreept het feit dat een ieder die verdorven is geworden, zichzelf heeft misleid door meer van zichzelf te denken dan betamelijk is, en daarom minder van zijn Schepper en zijn medeschepselen te denken dan hij behoort. Toen hij zich eenmaal op de weg van zelfmisleiding had begeven, was de volgende stap medeschepselen te misleiden.

25. Wie was de eerste die in gebreke bleef, en waarom?

25 De hemelhoven waren getuigen van het eerste geval van iemand die in gebreke bleef, toen de buitensporige eerzucht van een machtige cherub hem er toe aanzette de veilige grenzen van vrijheid en van kostbare verantwoordelijkheid, waarmede zijn Maker hem had omgeven, te buiten te gaan. Hij bekommerde zich er niet om dat door deze handelwijze de rechtschapenheid van het universele gezin zou worden verbroken. Was hij niet knap en mooi en was hem geen grote macht en autoriteit gegeven? Waarom zou hij niet groter zijn? Waarom niet de grootste? Zelfmisleiding versterkte zijn onwettige begeerte, en de begeerte lokte hem vervolgens uit naar het terrein van onwettige daden. Hij maakte zich schuldig aan verraad en een samenzwering opdat hij de Opperste Souverein uit diens positie kon verdringen. — Ezech. 28:13-18.

26. Waar stonden Adam en Eva in de strijdvraag betreffende het handhaven van rechtschapenheid?

26 In Eden heeft die zelfde opstandeling het op boosaardige wijze in de hand gewerkt dat nog meer schepselen in gebreke zijn gebleven hun rechtschapenheid te handhaven. Behalve dat Eva zo dwaas was om grif zijn lastertaal aan te horen over Degene die haar voortdurend met goede gaven had gezegend, sloot Adam zich opzettelijk bij haar aan in de overtredingen. Deze beide volmaakte mensen zijn voor de verderfelijke invloed van de Duivel gezwicht, die er met opzet op uit was hen van Gods gelukkige organisatie af te scheiden en hun gedachtengang te verderven. In tegenstelling met de getrouwe Abraham wilde die bevoorrechte „eerste vader” van de mensheid wel al het goede van zijn grote Weldoener aannemen maar er niets voor opgeven. Hoe verdorven moeten zij zijn geweest om aldus en zo snel de glorierijke onverderfelijkheid van hun hemelse Vader uit het oog te verliezen! — Gen. 3:1-12; Jes. 43:27.

27. Waren er geestelijke schepselen bij deze strijdvraag betrokken, en in welke omstandigheden?

27 Vervolgens herinneren wij ons dat in Noachs tijd nog meer zonen van God, namelijk engelen, in gebreke zijn gebleven hun rechtschapenheid te handhaven. Zij verlieten hun juiste plaats van dienst in de hemelhoven ten einde een bezoek te brengen op de aarde en zich aan ongeoorloofde betrekkingen met de dochters der mensen over te geven. Hun zelfzuchtige begeerten werden belangrijker voor hen dan hun toegewezen plichten in de hemelse organisatie. Het is eveneens mogelijk dat zij de een of andere soort van zelfrechtvaardiging vonden in het denkbeeld dat zij veel zouden kunnen doen om het menselijke geslacht te verheffen en de ontaarding er van te stuiten. Het zou stellig in het voornemen van Satan passen hun zulk een schijnbaar rechtvaardige beweegreden voor de geest te spiegelen. Er volgde een bewind van terreur en gewelddaad op aarde. Hun gebroed van bastaarden, tiranniserende reuzen, beheerste het aardse toneel en zij bevorderden elke soort van goddeloos gedrag. Jehovah heeft in zijn barmhartigheid de nachtmerrie van dat tijdperk door middel van de Watervloed weggevaagd, en die liefhebbers van ongerechtigheid tot de duisternis van Satans wereld verbannen. Wat een glorierijke erfenis hebben zij verworpen door zich aldus te gedragen en hun rechtschapenheid te verbreken! — Gen. 6:1-6; 2 Petr. 2:4, 5; Judas 6.

28. Wat veroorzaakte Sauls val?

28 Nog een op de voorgrond tredend voorbeeld van iemand die zijn rechtschapenheid had verloren, was het geval van Saul. Zolang hij in eigen ogen klein en nederig bleef, stond hij bij God ten zeerste in de gunst. Na verloop van tijd ging hij echter te hoog van zichzelf denken. Hij matigde zich aan zijn eigen oordeel vóór dat van Jehovah te plaatsen, durfde het duidelijke woord van God te veronachtzamen, waardoor hij zich in zijn gedrag als koning en leider van de legers van Israël moest laten leiden, en trachtte vervolgens op oneerlijke wijze zijn daden te rechtvaardigen. Het oordeel dat bij monde van Jehovah’s boodschapper over hem werd uitgesproken, luidde: ’Omdat gij Jehovah’s woord verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat gij geen koning zult zijn’ (1 Sam. 15:23). Het scherp omlijnde oordeel van de oprechte God der waarheid sneed recht door Sauls uitvluchten heen en plaatste hem en degenen die hem ondersteunden, vierkant voor de strijdvraag. Het kleine beetje van Satans verderfelijke invloed had de eerste menselijke koning van Israël verdorven.

29. Welk voorbeeld van iemand die in gebreke bleef, hebben wij in Jeremia’s tijd?

29 Een van Jeremia’s tijdgenoten, de profeet Uria, had een aandeel aan het speciale werk dat er in bestond de ondergang van Jeruzalem en haar zondige koninklijke huis aan te kondigen. Stond Uria pal en was hij onbevreesd in de sterkte van zijn God toen geruchten de ronde deden dat anderen hem met weerwraak dreigden? Legde hij dezelfde onbedwingbare moed aan de dag als Jeremia? Neen. Hij wankelde. Hij liet toe dat mensenvrees zijn rechtschapenheid ondermijnde. Hij vluchtte naar Egypte. En zelfs daar was hij niet veilig, want zijn vijanden lieten hem uitleveren en brachten hem vervolgens op een rampzalige wijze ter dood. In deze tijd bevreesd te zijn, kan dezelfde uitwerking hebben op schepselen die in hun eigen kracht dienen en in gebreke blijven de wapenrusting aan te doen waarin God voor hun veiligheid heeft voorzien. — Jer. 26:20-24.

30. Wat voor waarde heeft het verslag van Judas en zijn einde?

30 Judas was nog een treffend voorbeeld van hen die al het goede van Jehovah God ontvangen — in zijn geval het kostbare voorrecht om met de Here Jezus verbonden te zijn — en er toch blijk van geven niet alleen ondankbaar te zijn, maar, wat nog veel erger is, er blijk van geven verraderlijk te handelen jegens Degene die in alle opzichten goedgunstig en barmhartig is. Ongetwijfeld heeft Satan elke zelfzuchtige neiging van Judas aangewakkerd tot een vlam van haat, zodat hij daardoor de hand kon slaan aan de Voornaamste persoon van Jehovah’s rechtschapen mensen. Zijn treurige einde, waarbij alle hoop was vervlogen, staat opgetekend als een krachtige waarschuwing om ’uw hart te behoeden boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.’ — Spr. 4:23; Matth. 27:3-10.

[Illustratie op blz. 196]

DIRECTEUR

BIJBEL

PREDIKEN

ZUIVERE AANBIDDING

NEDERIG WANDELEN

WIJSHEID

GEHOORZAAMHEID

VOLHARDING

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen