Met de juiste beweegreden geven
„Goede hoop” verschaft de gelegenheid om liefde tot uitdrukking te brengen
NIEMAND kan terecht aanmerkingen maken op de wijze waarop Jehovah God iets doet. Zij die wel aanmerkingen maken, doen dit enkel en alleen uit onwetendheid of trots. Wanneer God zich met zijn schepselen bezighoudt, doet hij zijn vier voornaamste eigenschappen van wijsheid, gerechtigheid, macht en liefde te allen tijde in volmaakt evenwicht samenwerken. Hoe meer wij bekend worden met hem en zijn Woord des te meer wij dat feit gaan waarderen.
Toen God begon te scheppen, nadat hij in het verleden een eeuwigheid alleen had doorgebracht, deed hij dit niet omdat hij gezelschap miste, want hij is altijd onafhankelijk; en dat hij aan zekeren van zijn schepselen bepaalde plichten gaf die zij moesten vervullen, was niet om zichzelf werk te besparen alsof hij vermoeid werd in zijn werk, want hij wordt nimmer moe (Ps. 90:2; Jes. 40:28). Het was daarentegen omdat hij in zijn wijsheid en liefde wist dat anderen zich evenals hij zouden verheugen in een bestaan; en dat zij evenals hij gaarne iets zouden doen, alhoewel natuurlijk op een oneindig veel kleinere schaal. Derhalve schiep God niet alleen met verstand begaafde schepselen die zich in een bestaan kunnen verheugen, maar hij heeft hen ook toegerust met verscheidene vermogens, alsmede de drang om er gebruik van te maken, en gaf hun vervolgens gelegenheden om deze vermogens op verscheidene wijzen te gebruiken. — Gen. 1:26-28; 2:17, NW.
Gods onmiddellijke voornemen voor zijn aardse schepselen in deze tijd houdt echter niet de opdracht in welke in Eden werd gegeven, om vruchtbaar te worden, en de aarde te vullen en te onderwerpen, maar houdt zich daarentegen bezig met de profetische bevelen die lang geleden door hem en zijn Zoon werden gegeven, zoals: „Gij zijt mijn getuigen, zegt Jehovah,” en: „Dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt met het doel een getuigenis aan alle natiën te geven” (Jes. 43:10-12, AS; Matth. 24:14, NW). Iedere dienstknecht van Jehovah God die zich volledig heeft opgedragen, schept er behagen in zoveel mogelijk tijd en energie te besteden aan het gehoorzamen van deze bevelen, terwijl hij beseft dat zowel zijn eigen redding als die van anderen er bij betrokken is (1 Tim. 4:16). Gedurende het afgelopen dienstjaar werd dit werk, dat door het Watch Tower Society wordt geleid, in 143 landen, eilanden en koloniën ten uitvoer gebracht, en dat door ongeveer een half millioen Christelijke bedienaren van het evangelie, die meer dan 72 millioen uur aan dit werk hebben besteed. Een van de resultaten van al deze activiteit was, dat meer dan vijftig duizend personen zich gedurende het jaar hebben opgedragen om Jehovah God insgelijks te dienen.
Natuurlijk zou een ieder van hen gaarne zijn gehele tijd aan dit belangrijke werk besteden, maar verreweg het grootste aantal, gemiddeld vijf en negentig procent, kan dit niet wegens gezinsverplichtingen of andere beperkende factoren. Velen van hen kunnen echter helpen het financiële gedeelte te verschaffen, dat nodig is om deze geweldige predikingsactiviteit op te bouwen, te organiseren en te leiden, en vooral ten einde het opleiden van zendelingen mogelijk te maken en vervolgens voor hen te zorgen in vreemde landen. Niet dat God ons geld nodig heeft, want, zoals hij ons duidelijk bij monde van de psalmist vertelt: „Al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen. Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen” (Ps. 50:10, 12). Hier is het daarentegen wederom zijn liefde en wijsheid waardoor wordt te kennen gegeven dat hij zijn aardse kinderen het voorrecht geeft samen te werken. Hoe diende dit voorrecht onder hun aandacht gebracht te worden, en op welke wijze kunnen zij het beste samenwerken?
Populaire methodes onschriftuurlijk
Onlangs besteedde het voornaamste Rooms-Katholieke weekblad van de Verenigde Staten, Our Sunday Visitor, 31 januari 1954, vrijwel een gehele uitgave om de nadruk te leggen op het geven van de zijde van Katholieken, en zij werden beschaamd gemaakt doordat er ongunstige vergelijkingen met Protestanten bij werden betrokken, zoals: „Wij kunnen van anderen leren”; en: „Dit is de ijver die wij behoorden te hebben.” Het is echter zonderling dat de Katholieken zelf in duisternis werden gelaten met betrekking tot hoeveel zij in werkelijkheid hadden gegeven. Zullen wij het geven aanmoedigen door ongunstige vergelijkingen te trekken? Neen, want wij moeten niet uit twist geven; een ieder staat of valt voor zijn eigen meester. — Fil. 2:3; Rom. 14:4.
In een andere uitgave van dezelfde publicatie moedigde een van de wijd en zijd bekendgemaakte Rooms-Katholieke prelaten het geven aan als een middel voor de verzoening van zonden: „Indien er iets in uw voorbijgegane leven is waarvoor gij verzoening zoudt willen doen, is de beste manier om het te doen, een offer te brengen . . . hecht uw offer aan deze kolom en zend het aan de Zeereerwaarde Fulton J. Sheen, . . . of aan de Bestuurder van uw Diocees.” Is dat een geldige beweegreden om bijdragen te geven? Neen, want uw zonden worden niet met zilver en goud, maar met het kostbare bloed van Christus uitgewist. Niet met werken van rechtvaardigheid in eigen ogen, maar door geloof verkrijgen wij vergeving. — 1 Petr. 1:18; Rom. 11:6; 1 Joh. 2:1.
De religieuze organisaties, zowel Katholieke als Protestantse, leggen steeds meer de nadruk op het geven van tienden. De kop van een bericht van United Press, 1 december 1953, luidde aldus: „31.000.000 vroegen om tienden van hun loon aan de kerk te geven.” Sommigen zullen stellig zeggen dat dit de beste methode is om ondersteuning voor een religieus werk te krijgen, want wordt ze niet in de Bijbel geleerd?
Van de tijd van Mozes tot de tijd van Christus gaven de Israëlieten een tiende, maar dit is niet verplicht voor Christenen, die zijn vrijgemaakt van de wet (Rom. 10:4). Laten wij bovendien niet vergeten dat wij, omdat wij ons aan Jehovah hebben opgedragen, hem niet alleen onze tiende schuldig zijn, maar alles wat wij hebben, evenals wij ons door geloof niet slechts één dag van de zeven in Jehovah’s rust verheugen maar alle dagen (Hebr. 4:1-11). Laten wij er vervolgens ook nota van nemen dat sommigen wegens economische verschillen wellicht niet in staat zijn een tiende te geven terwijl anderen veel meer zouden kunnen geven. Terloops zij opgemerkt, dat het in dit verband niet verkeerd zou zijn op te merken dat de wet in de Verenigde Staten personen en corporaties toestaat bedragen af te trekken om religieuze en andere liefdadige zaken te ondersteunen, tot twintig procent van hun totale belastbare inkomen.
Protestantse geestelijken worden aangespoord een boek te kopen dat meer dan dertig preken bevat waarin de mensen worden aangemoedigd geld te geven en waardoor ’een bedrag aan geld is bijeengebracht, variërend tussen de twintig duizend en driehonderd duizend dollar.’ Volgens een zekere geestelijke uit Wilmington, Noord-Carolina, zoals aangehaald in het tijdschrift Time van 21 september 1953, zijn er „tegenwoordig zo veel speciale financiële acties in de kerk, dat ’ik bemerk dat er slechts drie zondagen in het jaar zijn dat ik het Evangelie van Christus kan prediken.’” Alhoewel deze geestelijke overdreven mag hebben ten einde nadrukkelijk te zijn, hoe staat het dan nog met deze methode? Wij kunnen kijken waar wij willen in de Schrift, niet eenmaal lezen wij dat Mozes of een van de profeten, noch Christus of een van zijn discipelen preken hielden waarin zij om geld vroegen.
Sommige religieuze lichamen zenden brieven uit waarin hun leden dringend worden verzocht zich tot het betalen van een bepaald bedrag te verbinden; andere stellen een comité aan dat alle parochianen persoonlijk bezoekt; andere vertonen films waarin de nadruk wordt gelegd op geven; andere hebben bazaars, loterijen en roulettespelen; terwijl sommige zo ver gaan dat ze aan het einde van het jaar een boekje publiceren hetwelk in zwart en wit te kennen geeft hoeveel precies aan ieder lid was toegewezen te geven en hoeveel hij in werkelijkheid heeft gegeven, tot op de laatste cent toe. En dan is er de altijd aanwezige collecteschaal of -zak waarmede dikwijls wordt rondgegaan. Er behoeft echter niet veel tijd besteed te worden aan het peinzen over welke van deze methoden wij zouden kiezen, want alle hebben ze één ding gemeen, namelijk, dat ze geen ondersteuning vinden in de Schrift.
De schriftuurlijke methode
Wat is de Schriftuurlijke methode? Maak eenvoudig bekend dat de gelegenheid bestaat of men het voorrecht heeft iets te geven en laat vervolgens het bedrag van vrijwillige bijdragen dat wordt ontvangen, bepalen wat er kan worden gedaan in verband met de expansie van het werk zowel voor de zending in eigen land als in het buitenland. Aldus werd het gedaan in de dagen van Mozes, toen de tijd aanbrak om de prachtige tabernakel of tent der samenkomst te bouwen en uit te rusten, en de Israëlieten gaven zo bereidwillig gehoor aan de door Mozes gedane mededeling, dat hun spoedig moest worden gezegd geen bijdragen meer te brengen, want zij hadden meer dan genoeg. — Ex. 35:4, 5, 21; 36:3-7.
Ja, Christenen die zich waarlijk hebben opgedragen, geven vrijwillig. Het is voor hen niet nodig dat elke uitvinding die de psychologie bekend is, op hen wordt toegepast ten einde hen er toe te bewegen afstand te doen van hun zuur verdiende geld. Zij beseffen dat „het gelukkiger is te geven dan te ontvangen”; dat „een vrijgevig man verrijkt zal worden”; en dat zij het voorrecht hebben, in de mate dat hun geldmiddelen het toelaten, „rijk te zijn in goede werken, vrijgevig en mededeelzaam.” (Hand. 20:35, NW; Spr. 11:25, RS; 1 Tim. 6:18, NW). Zij weten dat „hij die overvloedig zaait, ook overvloedig zal maaien,” en dat een ieder moet doen „zoals hij in zijn hart heeft besloten, niet met tegenzin of onder dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.” Zij hebben „een bereidwilligheid om te willen doen,” hetgeen „vooral aangenaam is overeenkomstig datgene wat een persoon heeft” (2 Kor. 9:6, 7; 8:11, 12, NW). En ten slotte beseffen zij datgene wat David zo krachtig onder de aandacht bracht ten tijde dat het materiaal werd bijeengebracht om de tempel te bouwen, namelijk, dat zulk geven slechts een teruggeven is van een gedeelte van dat wat God hun in de eerste plaats had gegeven. — 1 Kron. 2:14.
Voor al zulke personen is alles wat noodzakelijk is, een jaarlijkse herinnering om het Genootschap te berichten wat zij gedurende het komende jaar hopen te kunnen geven. Hierdoor zal het Genootschap worden geholpen plannen te maken voor zijn werk en tevens wordt een ieder die iets bijdraagt, geholpen de aangelegenheid rijpelijk te overwegen.
Zij die in Nederland wonen en in deze aangelegenheid medewerking wensen te verlenen, kunnen hun kaart of brief zenden naar Watch Tower Bible & Tract Society, Koningslaan 1, Amsterdam-Zuid. Wanneer gij over deze „Goede hoop” schrijft, kan ongeveer het volgende worden vermeld: „Ik hoop dat ik gedurende de volgende twaalf maanden voor het werk dat bestaat in het loven van Jehovah het bedrag van ƒ . . . . zal kunnen bijdragen, welke bijdrage ik in zulke bedragen en op zulke tijdstippen zal overmaken als het mij gelegen blijkt te komen, en naarmate ik voorspoed heb door de onverdiende goedgunstigheid van Jehovah God door bemiddeling van Christus Jezus [Handtekening].” Het zal goed zijn als herinnering voor u zelf een afschrift van uw kaart of brief te behouden. Op bladzijde 210 staat een lijst van andere bijkantoren, en een volledige lijst vind u op de laatste bladzijde van het Jaarboek.
Daar Jehovah’s dienstknechten beseffen dat alles van Jehovah God afhankelijk is, zullen zij zich allen in gebed verenigen en vragen of hun werk zijn zegen moge hebben zodat het vruchten mag opbrengen tot lof van hem. — 1 Kor. 3:6.