Hoe ons geld God kan loven
De „Goede hoop” voorziet in de financiële kracht voor expansie
THANS laat Jehovah op de aarde een groot werk verrichten. Een werk dat bestaat in het prediken van het goede nieuws van zijn opgerichte koninkrijk zodat de mensen van goede wil die zuchten en uitroepen vanwege de gruwelen die zij in het land zien begaan, uit het moderne Babylon zullen kunnen vluchten en bescherming zullen kunnen vinden in Jehovah’s samenstel van dingen, de hedendaagse ark (Ezech. 9:4; Matth. 24:14-16, 37-39; Openb. 18:4, NW). Een werk dat bestaat in het laten weerklinken van de waarschuwing voor de ophanden zijnde vernietiging in de strijd van Armageddon (Ezech. 3:17; Openb. 16:14-16, NW). En vooral, een werk ter lofprijzing van God door zijn naam van smaad te zuiveren en de waarheid bekend te maken aangaande wie hij is en wat zijn voornemens zijn. — Ex. 9:16; Ps. 83:19; Jes. 43:10-12.
In het afgelopen jaar hebben er meer dan 456.000 personen aan dit werk deelgenomen, onder wie er meer dan 18.000 waren die van 100 tot meer dan 200 uren per maand hieraan hebben besteed. Dit werk werd in meer dan honderd verschillende talen en dialecten en in 127 verschillende landen en eilanden der zee verricht.
Jehovah’s dienstknechten hebben in 1952 bijna 70 millioen uren aan dit werk besteed. Niet door menselijke macht, noch door geweld, doch alleen door Jehovah’s geest konden zij dit alles volbrengen (Zach. 4:6). Die geest die op hen komt als gevolg van hun studie uit Gods Woord en doordat zij zijn verbonden met zijn organisatie, bewoog hen er toe bij elke gelegenheid een getuigenis te geven: aan bezoekers thuis, aan zakenrelaties, aan medereizigers, enz. En om voor zichzelf gelegenheden te scheppen, hebben zij op de straten gestaan en hebben de voorbijgangers Bijbelse tijdschriften en uitnodigingen voor Bijbellezingen aangeboden. Zij zijn van huis tot huis gegaan terwijl zij allen die zij ontmoetten, aanboden hen in de wonderbaarlijke waarheden aangaande Jehovah en zijn koninkrijk te onderwijzen. Zij hebben ongeveer 22 millioen nabezoeken gebracht bij de mensen, en hebben in de huizen van geïnteresseerden maandelijks ongeveer 280.000 Bijbelstudies geleid, hebben meer dan 240.000 openbare lezingen gehouden, en dan spreken wij nog niet eens over de vele, vele millioenen stuks lectuur die zij hebben verspreid.
Expansie brengt kosten met zich
Het behoeft nauwelijks gezegd te worden dat het tot stand brengen van zulk een kolossaal werk, het harmonieus en systematisch volbrengen er van, organisatie vereist, wat op zijn beurt veel kosten met zich brengt. In vele landen worden Bijkantoren onderhouden, de bedienaren van het goede nieuws ontvangen zowel instructies per brief als door de bezoeken van reizende vertegenwoordigers van het Genootschap. Er worden zone- en districtsvergaderingen, nationale en internationale vergaderingen belegd om zowel de bedienaren van het goede nieuws te onderrichten en aan te moedigen als om een waarheidsgetrouw getuigenis aangaande Jehovah te geven. Volle-tijd-bedienaren, zendelingen en degenen die als „pioniers” bekendstaan, worden voorzien van lectuur tegen een prijs die ver beneden de drukkosten ligt; de verzendkosten alleen zijn eigenlijk al hoger dan het bedrag dat zij bijdragen voor de Bijbelse lectuur die zij krijgen om onder de mensen te verspreiden. Meer dan 2000 bedienaren zijn van alle delen der aarde voor intensieve training naar de Wachttoren Bijbelschool Gilead gebracht, en de meerderheid van hen dient nu in hun land van herkomst of in den vreemde in diverse speciale hoedanigheden, voornamelijk in zendingshuizen die door het Genootschap verzorgd en onderhouden worden. Rechtszaken worden in alle delen der wereld uitgevochten met het doel het goede nieuws wettelijk te bevestigen en te verdedigen.
Verder verkeren de dienaren van Jehovah in veel verre landen in zeer behoeftige omstandigheden wat materiële goederen betreft, waardoor zij de financiële lasten die de expansie der Koninkrijksboodschap in hun land meebrengt, niet kunnen dragen. In andere delen der aarde zijn er slechts een handjevol getuigen, die veel oppositie moeten overwinnen. In diverse landen wordt de radio gebruikt, en op het hoofdbureau in Brooklyn, New York, is een radiostation dat geheel in dienst staat van de prediking der waarheid uit Gods Woord.
Ja, wij kunnen er niet aan ontkomen; het ten uitvoer brengen van zulk een ontzaglijk getuigeniswerk brengt veel kosten met zich. Maar zo is het altijd geweest. Het bouwen van de ark en het inslaan van voedsel en andere voorraden die acht personen en al de vele dieren voor meer dan een jaar nodig zouden hebben, bracht niet weinig kosten met zich mee van de kant der vier gehuwde paren die in die tijd de lasten droegen van het ten uitvoer brengen van Gods geboden. Wij kunnen ons echter niet indenken dat zij het met tegenzin deden, alsof zij liever rijkdommen in dat samenstel van dingen vergaard zouden willen hebben, want zij waren er van overtuigd dat dat samenstel tot zijn einde zou komen, en dat wel spoedig.
Toen de tijd kwam voor de bouw van de tabernakel in de woestijn, het verschaffen der benodigde uitrusting voor die tabernakel en voor degenen die in verband er mede dienden, maakte Mozes Jehovah’s gebod bekend: „Gij moet van uw bezit een bijdrage voor Jahweh afstaan. Iedereen, wien het hart het ingeeft [wiens hart bereidwillig is], moet Jahweh geschenken brengen” (Ex. 35:5, PC, AT). Toen de tijd kwam voor de bouw van Salomo’s tempel, gaf koning David zelf het eerst van allen het voorbeeld door alleen al in goud een bijdrage van ongeveer ƒ 307.800.000 te geven en daarna vroeg hij: „Wie wil nu heden een vrijwillige gift schenken, gelijk iemand die zichzelf wijdt aan het priesterschap?” — 1 Kron. 29:5, AT.
Toen Jezus op aarde was had men ook te maken met deze zaak van het bestrijden der kosten van de expansie der ware aanbidding, en daarom lezen wij dat zekere vrouwen „hem dienden van hun bezittingen” (Luk. 8:2, 3; zie ook Joh. 12: 6, NW). En de apostel Paulus verwees herhaaldelijk naar de rol die bijdragen in zijn bediening speelden. — 2 Kor. 11:8; 12:13, 14; Fil. 4:10, 15, 17, NW.
De schriftuurlijke wijze
Hoe zullen de nodige middelen worden verkregen om het werk in onze dagen te ondersteunen? Door voor verschillende religieuze diensten te laten betalen? Door de collecteschaal rond te laten gaan? Door het organiseren van kienspelen, loterijen, fancyfairs en kermissen? Door de mensen te verzoeken een bepaald bedrag toe te zeggen en dan iedere maand een uittreksel te sturen voor het verschuldigde bedrag?
Zijn dit de voorbeelden die de Bijbel ons geeft? Neen, in het geheel niet! Toen Mozes bekendmaakte dat er bijdragen nodig waren, reageerde het volk zo bereidwillig dat hun geboden moest worden op te houden met het brengen van giften (Ex. 36:5-7). Een zelfde vrijgevigheid werd gemanifesteerd in Davids tijd, en dat maakte dat hij uitriep: „Wie toch ben ik, en wat is mijn volk, dat wij in staat zouden zijn zulke vrijwillige gaven te schenken?” (1 Kron. 29:14, NBG). Ja, het was niet nodig Jehovah’s dienstknechten om te kopen, te manen, in verlegenheid te brengen of te beschamen zodat zij bijdragen voor Gods zaak zouden geven. Het was alleen nodig dat de gelegenheid bijdragen te geven, onder hun aandacht werd gebracht, en al naar hun vermogen gaven zij vrijwillig. — 2 Kor. 8:12, NW.
En zo is het vandaag ook. Evenals het Genootschap onze voorrechten onder onze aandacht brengt, deel te hebben aan de expansie der ware aanbidding door onze tijd en energie er aan te besteden, zo worden wij eenmaal per jaar in de kolommen van De Wachttoren aan ons voorrecht herinnerd Jehovah met ons stoffelijk bezit te eren, evenals wij dit doen door onze stem, en wij worden er aan herinnerd dat wij het Genootschap er van in kennis stellen wat wij met betrekking hiertoe hopen te kunnen doen. — Spr. 3:9.
Dit is in geen enkel opzicht een verzoek om een toezegging van een bepaald bedrag aan geld want het Genootschap maakt aan het einde van het jaar geen vergelijkingen tussen de opgegeven en de ontvangen bedragen. Waarom vraagt het dan deze inlichtingen? Alleen vanwege het psychologische effect dat het op de gevers heeft? Neen, zulke wereldse wijsheid is voor het Genootschap niet de aanleiding. Het vraagt deze inlichtingen alleen maar opdat het plannen kan maken voor het werk van het aankomende jaar, opdat het zal weten wat het kan verwachten, daar de expansie voor een groot deel afhangt van het bedrag der ontvangen bijdragen.
En precies zoals een zendeling of pionierbedienaar zijn tijd op verstandige wijze moet indelen indien hij elke maand aan zijn uren-quotum wil voldoen, is het goed dat zij die niet in zo’n gunstige positie verkeren met betrekking tot de velddienst, maar het voorrecht hebben van hun middelen tot Jehovah’s dienst bij te dragen, voor zichzelf een begroting maken wat hun financiën aangaat. Dit is in overeenstemming met Paulus’ vermaning zoals wij die vinden in 1 Korinthe 16:2 (NW): „Een ieder van u legge elke eerste dag van de week in zijn eigen huis iets ter bewaring opzij naargelang hij voorspoedig is.”
Dit voorrecht is niet alleen weggelegd voor hen die gezegend zijn met een overvloed aan goederen van deze wereld, maar ook voor hen die maar de paar penningen van weinig waarde van de weduwe hebben, evenals de velddienst niet alleen is weggelegd voor hen die er al hun tijd aan kunnen besteden, maar ook voor hen die er een uur of twee per maand aan kunnen besteden (Mark. 12:41-44). En evenals wij onze activiteit met betrekking tot onze velddienst niet laten bepalen door wat anderen mogen denken, zo wordt ook het geven van materiële dingen niet beïnvloed door wat anderen denken: „Een ieder doe zoals hij in zijn hart heeft besloten, niet met tegenzin of onder dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief” (2 Kor. 9:7, NW). Door het juiste gebruik van onze materiële goederen, de „onrechtvaardige rijkdommen,” kunnen wij Jehovah God en Christus Jezus tot onze vrienden maken en kunnen wij verzekerd zijn van permanente woningen wanneer dit oude samenstel van dingen wegsterft. Ook is het niet misplaatst op te merken dat het ook in deze zaak „gelukkiger is te geven dan te ontvangen”. — Hand. 20:35, NW.
Zij die in Nederland wonen en in deze aangelegenheid medewerking wensen te verlenen, kunnen hun kaart of brief zenden naar Watch Tower Bible & Tract Society, Koningslaan 1, Amsterdam-Zuid. Wanneer gij over deze „Goede hoop” schrijft, kan ongeveer het volgende worden vermeld: „Ik hoop dat ik gedurende de volgende twaalf maanden voor het werk dat bestaat in het loven van Jehovah het bedrag van ƒ . . . . zal kunnen bijdragen, welke bijdrage ik in zulke bedragen en op zulke tijdstippen zal overmaken als het mij gelegen blijkt te komen, en naarmate ik voorspoed heb door de onverdiende goedgunstigheid van Jehovah God door bemiddeling van Christus Jezus [Handtekening]”. Het zal goed zijn als herinnering voor uzelf een afschrift van uw kaart of brief te behouden. Op bladzijde 210 staat een lijst van andere bijkantoren, en een volledige lijst vindt u op de laatste bladzijde van het Jaarboek.
Daar Jehovah’s dienstknechten beseffen dat alles afhankelijk is van Zijn leiding en zegening, zullen zij zich te dien einde in een gemeenschappelijk gebed verenigen. — Psalm 127:1, AS.