Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w53 15/5 blz. 149-153
  • Waarom de strijd om rechtschapenheid te handhaven?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Waarom de strijd om rechtschapenheid te handhaven?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1953
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • VOORBEELDEN
  • Blijf trouw!
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2019
  • Waarom moeten we rechtschapen blijven?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2008
  • ’Oordeel, o Jehovah!’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1956
  • Handhaaf uw persoonlijke rechtschapenheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1953
w53 15/5 blz. 149-153

Waarom de strijd om rechtschapenheid te handhaven?

„Beter een arme die in oprechtheid [rechtschapenheid] wandelt, dan een verkeerde van lippen, die bovendien dwaas is.” „Hij wege mij . . . in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid [rechtschapenheid] weten.” — Spr. 19:1, NBG; KJ; Job 31:6, KJ.

1-3. (a) Wie was de eerste die zijn rechtschapenheid verbrak, en hoe wordt dit in de Bijbel beschreven? (b) Hoe ging Satan te werk met zijn schandelijke plannen, en wat is er voor het menselijke geslacht uit voortgevloeid?

DE HACHELIJKE toestanden en het gebrek aan rechtschapenheid die nu in de gehele wereld de overhand hebben, zijn niet toevallig. Ze zijn een onderdeel van een wel ontworpen campagne om het menselijke geslacht te verderven. Wiens campagne? zult gij vragen. Wij moeten vele jaren in de geschiedenis teruggaan ten einde het antwoord te vinden. Uit het verleden lezen wij een profetie over datgene wat zal gebeuren met de eerste die rechtschapenheid verbrak. De Bijbel vertelt het verhaal. Het bericht wordt gevonden in Ezechiël 28:13-18 (St. vert.; NBG):

2 „Gij waart in Eden, Gods hof. . . . Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen. Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is. Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen [verbande Ik u] van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige stenen! Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien. Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as.”

3 Deze woorden werden tot de koning van Tyrus gericht maar zijn profetisch gericht tot degene die wij thans als Satan de Duivel kennen. Hij was oorspronkelijk de overdekkende cherub in de hof van Eden. God gaf hem een heilige vertrouwenspositie. Hij plaatste hem in een positie van autoriteit over de mens zodat hij kon omzien naar de noodzakelijke behoeften der mensheid en de dingen zou kunnen verschaffen die zij nodig zouden hebben. De overdekkende cherub bewaarde echter geen rechtschapenheid ten aanzien van deze heilige vertrouwenspositie. Zoals uit de Schrift blijkt, dacht hij te veel van zichzelf. Er werd ongerechtigheid in hem gevonden. Hij dacht dat hij de aanbidding diende te hebben die naar de Almachtige God, Jehovah, de Schepper, ging. Daarom kwam hij in opstand en begon goddeloosheid te bedrijven, terwijl hij trachtte alle schepselen van God af te keren en naar hem zelf te keren. Hij slaagde er in de mensheid ongehoorzaam te doen worden. Adam en Eva waren de eerste mensen. Zij waren ook de eersten op aarde die hun rechtschapenheid jegens God verbraken. Sedert die tijd is ieder menselijk schepsel dat heeft geleefd, uitgedaagd met betrekking tot de kwestie of hij al dan niet zijn rechtschapenheid jegens God kan handhaven. — Genesis 3.

4. (a) Tegenover welke grote strijdvraag staat het universum thans? (b) Wat was Satans positie nadat hij zijn rechtschapenheid jegens God had verbroken?

4 Satan is een kracht ten kwade die op de aarde en in de hemelen vrij spel had, en door zijn boze daad wierp hij een strijdvraag op, en die strijdvraag luidt: Wie is oppermachtig? Hij tracht zijn idee ingang te doen vinden dat hij alle schepselen op aarde er toe kan brengen hem te aanbidden, en dat God geen schepselen op aarde kan hebben die getrouw aan hem zullen zijn, die hem zullen dienen, zelfs onder een beproeving. De vraag is: Kan Jehovah zijn oorspronkelijke voornemen, de aarde met rechtvaardige schepselen te bevolken, ten uitvoer brengen? De grote strijdvraag is dus een strijdvraag over rechtschapenheid geworden. Ofschoon God Satan zijn macht ontnam, ofschoon hij werd weggenomen uit zijn positie als de overdekkende cherub, wettelijk werd uitgeworpen, werd hij toch nog niet uitgebannen zodat hij niet meer in deze wereld aanwezig kon zijn. God stelde een tijd vast; hij stond de Duivel tijd toe de boze uitdaging waar te maken. En daarom heeft Satan sedert die tijd invloed uitgeoefend over mensen en over de ontwikkeling van hun beschaving.

5. Hoe toont de Bijbel aan dat Satan belangstelt in mensen en regeringen op aarde en tracht alle mensen van God af te keren?

5 In het boek Job in de Bijbel hebben wij de sleutel tot het begrip hieromtrent. In Job 1:6-12 (Mo), lezen wij: „Op een dag kwamen de engelen om zichzelf voor de Eeuwige [Jehovah, AS] te stellen, en onder hen bevond zich de Tegenstander [Satan, AS]. ’Waar zijt gij geweest?’ zeide de Eeuwige tot de Tegenstander; en de Tegenstander antwoordde: ’Ik heb hier en daar rondgedoold en over de aarde gezworven.’ Toen zeide de Eeuwige tot de Tegenstander: ’Hebt gij opgemerkt dat er op aarde niemand is gelijk mijn dienstknecht [Job], een smetteloos en oprecht man, die God eerbiedigt en kwaad schuwt?’ De Tegenstander antwoordde: ’Maar is het om niet dat [Job] God eerbiedigt? Hebt gij hem niet veilig omheind, zijn huis en alles wat hij heeft? Gij hebt hem voorspoedig gemaakt in zijn zaken, en het krioelt van zijn kudden op het land. Strek slechts uw hand uit, tast alles aan wat hij bezit, en zie of hij u niet in uw gezicht zal vervloeken!’ Toen zeide de Eeuwige tot de Tegenstander: ’Ziedaar! ik laat alles wat hij heeft, in uw macht; maar sla uw hand niet aan de man zelf.’ Toen ging de Tegenstander weg uit de tegenwoordigheid van de Eeuwige.” Dit bericht in de Schrift laat duidelijk zien dat Satan de Duivel aardse belangen heeft. In die tijd bevond hij zich hier beneden en handelde met de gevallen mensheid terwijl hij over de aarde ronddoolde. Hij was de onzichtbare opperheer. Hij had schepselen die hem dienden. Hij organiseerde deze schepselen in verschillende regeringsvormen. Ja, tegenwoordig overheerst hij alle regeringen der aarde. Dit programma is hij met Babylon in Nimrods tijd begonnen, en de Schrift vertelt ons dat hij de „god van dit samenstel van dingen” is. — 2 Kor. 4:4, NW.

6. (a) Hoe was sedert de opstand Gods oppermachtige positie getoond? (b) Aan welke beproevingen werden alle menselijke schepselen sedert die tijd onderworpen?

6 Het in het boek Job opgetekende gesprek tussen Jehovah God en Satan toont aan dat Jehovah God zijn positie als de Almachtige, de Schepper, handhaafde. Satan kon Job vanwege de beschermende omheining die Jehovah daar had geplaatst, niet alles aandoen wat hij wilde. God voerde nog steeds het beheer en God zou deze strijdvraag tot een oplossing brengen. God zou zijn naam over de gehele aarde verheerlijken. Daarom demonstreerde hij zijn oppermacht niet onmiddellijk door Satan te doden, maar hij stond hem toe te blijven bestaan (Ex. 9:16, LV). Sedert de tijd van Adam en Eva is de beproeving van rechtschapenheid aan de gang geweest. In werkelijkheid heeft ieder menselijk schepsel het leven of de dood gekozen. Adam en Eva verbraken hun rechtschapenheid jegens God. Hun keuze was dus de dood. De geschiedenis toont aan dat zij stierven. — Gen. 5:5.

7. Welke verliezen werden door Job geleden in de beproeving van rechtschapenheid?

7 Job was een man die aan God was toegewijd en hij is een markant voorbeeld van iemand die onder beproeving zijn rechtschapenheid jegens God handhaafde. Toen Jehovah de omheining van bescherming die hij om Job heen had geplaatst, weghaalde, leed Job zware verliezen. Hij verloor zijn levende have; enkele van zijn dieren door de storm en anderen werden gestolen. Hij verloor zijn dienstknechten, die door plunderaars werden gedood. Zijn kinderen, zeven zonen en drie dochters, vergastten zich tezamen aan een feestmaaltijd en er werd een storm teweeggebracht waardoor hun huis werd vernield en zij kwamen om. Al Jobs rijkdom en al zijn bezittingen waren weg. Toch was hem persoonlijk nog geen kwaad overkomen. — Job 1:13-19.

8-10. (a) Wat deed Satan vervolgens nadat hij er niet in was geslaagd door de eerste beproevingen Jobs rechtschapenheid te verbreken? (b) Welke handelwijze volgde Job en met welke resultaten?

8 Het verslag in Job gaat verder en zegt in het tweede hoofdstuk: „Wederom geschiedde het op de dag toen de zonen Gods zich voor Jehovah kwamen stellen, dat Satan ook onder hen kwam om zich voor Jehovah te stellen. . . . En Jehovah zeide tot Satan: Hebt gij mijn dienstknecht Job beschouwd? want er is niemand gelijk hem op aarde, een volmaakt en een oprecht man, iemand die God vreest, en zich van kwaad afkeert; en hij houdt nog steeds vast aan zijn rechtschapenheid, ofschoon gij mij tegen hem hebt opgezet, om hem zonder oorzaak te vernietigen. En Satan antwoordde Jehovah, en zeide: Huid voor huid, ja, alles wat een mens heeft, zal hij geven voor zijn leven. Maar strek nu uw hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vlees aan, en hij zal u in uw gezicht vervloeken. En Jehovah zeide tot Satan: Zie, hij is in uw hand; doch spaar zijn leven. Toen ging Satan uit de tegenwoordigheid van Jehovah vandaan, en hij sloeg Job met pijnlijke zweren van zijn voetzool af tot aan zijn hoofdschedel. En hij nam een potscherf om zich daarmede te krabben; en hij zat middenin de as. Toen zeide zijn vrouw tot hem: Houdt gij nog steeds aan uw rechtschapenheid vast? vervloek God, en sterf.” — Job 2:1-9, AS.

9 Hij onderging daar een persoonlijke beproeving. Hij leed pijn en ongemak. Satan gebruikte Jobs vrouw om te trachten hem er toe te brengen zijn onkreukbare rechtschapenheid te verbreken en hem te ontmoedigen door hem te zeggen God te vervloeken en te sterven. Dat was stellig een zeer zware beproeving. Toen verschenen drie zogenaamde vrienden van hem ten tonele. Ook zij vertroostten hem niet. Zij begonnen hem van allerlei soorten van kwaaddoen te beschuldigen. Van het begin tot het einde verduurde Job al deze beproevingen die hem persoonlijk troffen. Hij handhaafde zijn rechtschapenheid. Wij vinden zijn woorden in Job 27:5 (KJ): „Totdat ik sterf, zal ik mijn rechtschapenheid niet van mij wegdoen.”

10 Ja, geen minuut wankelde hij in geloof aan Jehovah en in toewijding jegens hem. Jehovah bewaarde zijn leven. Jehovah liet niet toe dat de Duivel hem ter dood bracht. Maar hier maakte hij geschiedenis die tot op deze tijd is blijven bestaan. Het bericht toont aan dat Jehovah Job voor zijn rechtschapenheid zegende. In Job 42:10, 12 (NBG) staat: ’En Jehovah bracht een keer in het lot van Job, toen hij voor zijn vrienden gebeden had, en Jehovah gaf Job het dubbele van al wat hij bezeten had. En Jehovah zegende het verdere leven van Job meer dan het vroegere.’

11. Was Jehovah wreed doordat hij toeliet dat Job zo zwaar werd beproefd?

11 Sommige mensen zouden kunnen beweren dat dit erg wreed van Jehovah was, toe te laten dat deze man, een goede man, zoveel leed. Maar is dat waar? Stellig niet. Het was niet Jehovah God die hem op de proef stelde. Jehovah God was niet verantwoordelijk voor het lijden dat hij moest ondergaan. God stond het toe en Job trok er voordeel uit. Wij zien dat zijn ervaring er op uit liep dat hij aan het einde meer had dan aan het begin. Hij won er bij omdat hij bij God in de gunst stond, een beproefde dienstknecht van Jehovah, en de Bijbel spreekt goed over hem, waardoor hem een opstanding in Gods nieuwe wereld van rechtvaardigheid verzekerd is.

12. Wat kunnen wij beseffen wanneer wij het verslag betreffende Job beschouwen?

12 Satan, de wreedaard, veroorzaakte dit lijden. Door middel van dit bericht dient men te begrijpen dat hij degene is die alle schepselen die tegenwoordig op aarde zijn, alle beproevingen en al het leed doet ondergaan. Wij trekken voordeel uit dit bericht, uit hetgeen Job doormaakte, want wij beschikken over dit bericht ten eigen bate opdat het ons zal helpen de werkelijke strijdvraag te beseffen. Indien wij de grote strijdvraag tussen Jehovah God en Satan, de strijdvraag van oppermacht, niet begrijpen, kunnen wij de Bijbel niet begrijpen. Wij worden er ook door geholpen te begrijpen hoe wij onze rechtschapenheid dienen te handhaven en de resultaten ten aanzien van hen die hun rechtschapenheid handhaven, worden er door aangetoond.

VOORBEELDEN

13, 14. Moeten alle mensen die Gods goedkeuring willen verwerven, dezelfde beproevingen ondergaan als Job?

13 Kunnen wij verwachten dat alle mensen die op aarde leven, een even zware beproeving moeten ondergaan als Job ten einde Jehovah’s gunst te verkrijgen en leven te verwerven? Neen, dat niet, maar wat ook de beproeving moge zijn waaraan wij worden onderworpen, wij moeten onze rechtschapenheid handhaven indien wij leven willen verwerven. Wij moeten in volledige getrouwheid aan de Allerhoogste God volharden. — Matth. 10:22.

14 In Hebreeën 11 vinden wij een lijst van getrouwe mensen die volhardden. Deze mensen handhaafden hun rechtschapenheid opdat zij een „opstanding” mochten verkrijgen, opdat zij leven mochten verwerven. Niet allen ondergingen dezelfde beproevingen, maar wel handhaafden zij allen hun rechtschapenheid. Laten wij eens zien wat enkele van deze mensen deden.

15, 16. Hoe handhaafden Abel en Henoch rechtschapenheid?

15 De eerste die wordt vermeld, is Abel, een man die een groot geloof bezat, die God aanbad en zijn rechtschapenheid handhaafde, terwijl hij God een juist offer bracht. Vanwege zijn geloof en vanwege zijn aanbidding van God werd hij door zijn broer vermoord. Tot aan het moment van zijn dood handhaafde hij zijn rechtschapenheid. — Gen. 4:3-11.

16 Er worden ook nog andere mensen vermeld die voor de vloed leefden, Henoch en Noach. Deze mensen leefden temidden van boze mensen en waren verre in de minderheid. Zij werden omgeven door invloeden tot het bedrijven van goddeloosheid, maar zij stonden vast in geloof en onberispelijkheid. Henoch was een van Gods profeten en legde getuigenis omtrent Jehovah af. God nam Henoch weg, bewaarde hem, beschermde hem tegen kwaad en letsel van de zijde van die goddeloze mensen om hem heen. — Gen. 5:18-24; Judas 14.

17. Welke beproevingen van rechtschapenheid moest Noach ondergaan en hoe heeft zijn getrouwheid tot leven geleid?

17 Noach bewandelde Gods weg en geloofde wat God tot hem had gezegd. Hij gaf blijk van zijn geloof er in door een ark te bouwen, hoewel het sedert de schepping van de mens nimmer had geregend op aarde (Gen. 2:5, 6). Vermoedelijk werd hij voortdurend gesmaad en bespot door de mensen die in zijn tijd leefden, hij werd hiervoor misschien zelfs vervolgd, maar toch handhaafde hij zijn rechtschapenheid jegens God, en omdat hij dit deed, overleefde hij de vloed en was nog steeds in het bezit van zijn leven toen de ark zich wederom op de aarde nederzette. Noach was een prediker van rechtvaardigheid. — Genesis 6 tot 9; 2 Petr. 2:5.

18, 19. Beschrijf enkele ondervindingen die Abraham, Izak en Jakob opdeden terwijl zij hun rechtschapenheid handhaafden.

18 Vervolgens lezen wij over Abraham, Izak en Jakob, mannen die buiten hun geboorteland in geloof volhardden. Abraham werd door God naar een vreemd land gezonden en hij dacht er niet over naar zijn eigen land terug te keren waar hij een geriefelijk bestaan kon leiden. Omdat God het hem had gezegd, trok hij naar die vreemde plaats. Daar stichtte hij zijn gezin. Toen God hem zeide zijn zoon te offeren, was hij bereid afstand te doen van die kostbare schat omdat het Gods wil was. Abraham streed tegen onrechtvaardigheid. Altijd aanbad hij de levende God. Hij onderwees Gods aanbidding aan zijn zoon, Izak, en Izak werkte getrouw samen met zijn vader in het dienen van God. God gebruikte Abraham en Izak om vele profetische beelden te maken, en deze kan men in het boek Genesis vinden.

19 Izak op zijn beurt onderwees zijn zoon weer de juiste wijze waarop God moest worden aanbeden. Jakob, zijn getrouwe zoon, was de vader van de natie Israël. Ook hij had gedurende zijn leven lijden uit te staan. Hij had vele moeilijkheden met zijn tweelingbroer Ezau, die in werkelijkheid in het geheel niet in God geloofde. Ook ging Jakob naar Egypte en woonde daar tot aan zijn dood toe, terwijl hij altijd vooruitzag naar datgene wat God had beloofd. — Gen. 27:41; 48:21.

20. Hoe was Jozef een voorbeeld van het handhaven van rechtschapenheid in tijden van moeilijkheden en tijden van voorspoed?

20 Jozef, de zoon van Jakob, wordt ook in het 11de hoofdstuk van Hebreeën vermeld. Door zijn getrouwheid en rechtschapenheid, is zijn opstanding verzekerd. Hij leed veel maar handhaafde altijd zijn rechtschapenheid jegens God en hield altijd Gods rechtvaardige beginselen in gedachten. Hij werd door zijn eigen broers als slaaf verkocht. Toen hij in Egypte als zodanig diende, trachtte de vrouw van zijn meester hem tot het bedrijven van een immorele daad te verleiden, maar hij liet zich er niet toe verleiden. Deze vrouw zorgde er voor dat hij in de gevangenis werd gezet. Daar in de gevangenis volhardde hij in geloof en ten slotte voerde God hem vandaar uit en God gebruikte hem. Jozef loofde God in het openbaar in verband met Farao’s droom. God zorgde er voor dat Jozef een verheven positie onder het volk van Egypte werd gegeven. Maar of hij nu in de gevangenis was of de hoge heerserspositie in Egypte bekleedde, er bestond in zijn geest geen twijfel over de vraag wie oppermachtig was of wat hij zou gaan doen in verband met de aanbidding van Jehovah. Tot aan zijn dood had hij in gedachten dat God de eerste plaats in zijn leven innam. Hij volhardde dus in zijn rechtschapenheid. — Gen. 39:9; 41:16; 50:19-26.

21. Hoe spreidde Mozes rechtschapenheid jegens God ten toon?

21 Mozes had groot geloof. Hij werd door de dochter van Farao grootgebracht in de pracht en praal van Egypte. Hij had de demonenaanbidding, de rijkdom, de geneugte van het koninklijke hof kunnen verkiezen, maar neen, dat deed hij niet; in plaats daarvan verkoos hij aan de zijde te gaan staan van de onderdrukte kinderen Gods, de natie Israël, zijn natie. Hij wierp de rijkdom en glorie van Egypte opzij en riskeerde ten slotte zijn leven vele malen omdat hij voor de tirannieke Farao van Egypte verscheen. Zonder vrees en in de wetenschap dat God met hem was, kondigde hij Gods oordeelsboodschappen tegen Egypte aan. God bevrijdde hem, tezamen met de natie Israël, uit Egypte. Zijn opstanding is verzekerd omdat hij getrouw was in zijn rechtschapenheid en Jehovah’s zijde van de grote strijdvraag in het openbaar lof toebracht. — Ex. 2:10; 10:28; 14:13-26.

22, 23. Noem andere rechtschapen mensen in Israël en geef voorbeelden van hun strijd voor rechtvaardigheid.

22 Hebreeën 11 vermeldt ook nog andere mensen, mensen die in het Beloofde Land woonden, zoals Gideon, Barak, Simson, Jeftha, David en Samuël. Deze mannen hielden allen Jehovah’s aanbidding hoog, maar dit ging niet zonder oppositie gepaard. Gideon haalde de altaars van Baäl neer. Met een kleine groep en met de hulp van Jehovah werden de legerscharen van Midian vernietigd. De mensen wilden dat hij als koning over hen zou regeren, maar hij weigerde, zeggende dat Jehovah regeert, en aldus verheerlijkte hij de naam van Jehovah op aarde. — Richt. 6:1 tot 8:28.

23 Simson stelde zijn vertrouwen in Jehovah en God gaf hem de kracht tegen demonenaanbidders en in het belang van de bevrijding van Gods volk te strijden. Het was Simson die de tempel van de visgod der Filistijnen omlaaghaalde (Richteren 16). Barak streed ook een goede strijd voor de zuivere aanbidding en hij vocht tegen een Kanaänitisch leger dat uit zeer veel manschappen bestond, waarbij hij zijn leven in de waagschaal stelde (Richteren 4). Deze mensen handhaafden rechtschapenheid jegens God. Ook Jeftha en David deden dit terwijl zij altijd Gods zijde van de strijdvraag hooghielden en zuivere aanbidding voorstonden. — Richteren 11; 1 Samuël 17 en verder.

24. Hoe is het leven van Samuël een mooi voorbeeld van volharding en rechtschapenheid?

24 Samuël was een profeet, geen man van oorlog, maar hij stond getrouw de zuivere aanbidding van Jehovah God voor. Hij was een jonge man, nog maar een kind, toen hij in Gods dienst trad. Hij volhardde door alle beproevingen heen die over hem kwamen ten gevolge van het feit dat hij toen in de dagen van de boze koning Saul leefde, die een ontrouwe koning in Israël was, de eerste koning. Samuël klaagde de koning openlijk aan wegens de goddeloosheid en ongehoorzaamheid die hij tentoonspreidde. Samuël schaamde zich niet voor Gods rechtvaardige beginselen. De profeet stond op en vertelde de koning dat hij fout was; hij was niet bang. Ook hij volhardde tot aan zijn dood in rechtschapenheid aan God. — 1 Sam. 2:11; 13:14; 25:1.

25. Aan wat voor soort van beproevingen werden de mensen van geloof onderworpen die in Hebreeën 11:33-39 worden vermeld?

25 Al deze getrouwe mensen uit de oudheid werkten in het belang van de bewaring van de zuivere aanbidding van God en handhaafden rechtschapenheid. Bij een ieder van hen ging het om volharding. Er waren ook anderen. De Bijbel spreekt goed over hen. Er blijkt uit dat zij door vele beproevingen heen volhardden, verschillende soorten van beproevingen, niet alle dezelfde, maar welke beproevingen ook kwamen, zij volhardden en handhaafden rechtschapenheid. Zij waren weliswaar weinigen in vergelijking met de vele mensen op aarde; zij vormden de minderheid. De meesten van de bevolking der aarde vielen af of wisten anders in het geheel niets omtrent de aanbidding van Jehovah God. Dit was zo vanwege zelfzucht en verkeerd onderricht of omdat er geweld werd uitgeoefend om hen in het gareel te doen lopen en hen onder Satans overheersing te houden. — Hebr. 11:33-39.

26. (a) Waarom is het gebrek aan rechtschapenheid bij de meeste mensen onder het volk Israël zo verbazingwekkend? (b) Wat is er voor hen uit voortgevloeid?

26 Zelfs onder Israël, dat verbondsvolk van God, heerste een verbazingwekkend gebrek aan rechtschapenheid. God had hier zelf met zijn vinger op stenen tafels geschreven. Dat zou de mensen met ontzag moeten hebben vervuld en hen er van moeten hebben overtuigd dat Jehovah God de Oppermachtige is. Zij waren overeengekomen dat zij Gods wet zouden gehoorzamen en God trof voorzieningen dat zij dit ook konden, want de wet werd bewaard en in de ark des verbonds rondgedragen. God trof voorzieningen dat de wet op vastgestelde tijden, wanneer het volk in Jeruzalem was vergaderd, werd voorgelezen. God had gezegd dat de koning een afschrift van de wet moest hebben en dat hij de wet diende te lezen en diende na te volgen. Er was elke reden aanwezig waarom die mensen Gods wet hadden moeten houden en hun rechtschapenheid hadden moeten handhaven, en zij waren overeengekomen dit te doen; maar als natie faalden zij. Telkens weer kwam het volk in opstand. Ten slotte, omdat zij Gods Woord terzijde stelden en zijn instructies niet smetteloos wilden navolgen, liet God de natie in het jaar 607 v. Chr. vernietigen. Slechts een klein overblijfsel hield aan de ware aanbidding van God vast. Zij bestonden en werden gebruikt als het middel waardoor de ware aanbidding van God helemaal tot aan de tijd van Christus Jezus werd voortgezet. — Ex. 31:18; 19:8; Deut. 17:18; 30:15-20; 31:11; Jer. 34:12-22; 39:1, 2.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen