Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w52 15/6 blz. 189-190
  • Gods weg om zijn werk te financieren

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Gods weg om zijn werk te financieren
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1952
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Plannen van de valse religiën der Christenheid om geld bijeen te brengen
  • Het werk van Jehovah’s getuigen financieren
  • Hoe ons geld God kan loven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1953
  • Met de juiste beweegreden geven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1954
  • Thans plannen maken voor de komende tijd
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehova’s koninkrijk 1951
  • De waarheid inspireert het op edelmoedige wijze geven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1955
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1952
w52 15/6 blz. 189-190

Gods weg om zijn werk te financieren

Het is juist uitdrukking te geven aan uw „Goede hoop” door mee te helpen de kosten der expansie te dragen.

TOT een afvallig wordende natie zond Jehovah zijn profeet Jesaja met een boodschap van terechtwijzing. Bij monde van die profeet zeide Jehovah hun onder andere: „Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, . . . Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten” (Jes. 55:8, 9). Terwijl deze woorden ongeveer 2500 jaar geleden passend waren voor het afvallige Jeruzalem, zijn ze zelfs met nog meer kracht van toepassing op de afvallige Christenheid in deze tijd.

Een van de vele wegen van God, welke superieur zijn aan die der Christenheid, is zijn weg of wijze waarop hij in de noodzakelijke middelen voorziet om zijn werk op aarde voort te zetten. Zijn weg is, de mensen de waarheid omtrent zichzelf en zijn voornemens te geven en dienstvoorrechten aan hen te schenken in verband met de ware aanbidding. Daar zij waardering hebben voor datgene wat God voor hen heeft gedaan, willen zij iets voor zijn zaak doen. Bijvoorbeeld: Toen de tijd was aangebroken een tabernakel te bouwen en deze uit te rusten voor het beoefenen van de aanbidding van Jehovah, maakte Mozes slechts het volgende bekend: „Dit is het woord, dat de HERE [Jehovah] geboden heeft, zeggende: Neemt van hetgeen, dat gijlieden hebt, een hefoffer den HERE [Jehovah]; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen.” En wat was het resultaat? „En zij kwamen, alle man, wiens hart hem bewoog, en een ieder, wiens geest hem vrijwillig maakte.” „Doch zij brachten [zoveel, dat het volk werd] teruggehouden van meer te brengen. Want der stoffe was denzelven genoeg tot het gehele werk, dat te maken was; ja, er was over.” — Ex. 35:4, 5, 21; 36:3-7.

Dezelfde bereidwilligheid werd betoond toen het er op aankwam bijdragen te geven ten einde de tempel te bouwen en deze van de noodzakelijke uitrusting te voorzien. David zeide: „Daartoe, uit mijn welgevallen tot het huis mijns Gods, geef ik het bijzonder goud en zilver, dat ik heb, tot het huis mijns Gods daarenboven, behalve al wat ik ten huize des heiligdoms bereid heb: drie duizend talenten gouds, van het goud van Ofir [hetgeen ten minste ƒ 307.800.000 bedraagt], en zeven duizend talenten gelouterd zilver.” Toen vroeg hij: „Wie is er willig, heden zijn hand den HERE [Jehovah] te vullen?” Het is niet te verwonderen dat de vorsten, regeerders, oversten en het volk, terwijl zij zulk een voorbeeld hadden, ’vrijwillig en met een volkomen hart’ gehoor gaven. — 1 Kron. 29:3-6, 14; 29:9, AS.

Toen Christus Jezus kwam, volgde hij een soortgelijke handelwijze. Hij zeide niet alleen: „Er is meer geluk in het geven dan in het ontvangen,” maar hij bracht datgene wat hij predikte, ook in praktijk, hetgeen in opvallende tegenstelling was met de hebzuchtige religieuze leiders van zijn tijd. Hoewel hij rijk was geweest, werd hij ter wille van anderen vrijwillig zo arm, dat hij geen vaste woonplaats had om ’zijn hoofd neer te leggen’. Degenen die zijn onzelfzuchtige toewijding opmerkten en zich deze toewijding ten nutte maakten, waren maar al te blij wanneer zij iets konden bijdragen ten einde in zijn behoeften te voorzien. — Matth. 8:20; Luk. 8:3; 19:1-10; Hand. 20:35; 2 Kor. 8:9, NW.

De apostelen volgden hetzelfde voorbeeld. Nadat zij om niet hadden ontvangen, gaven zij om niet. Door hun onzelfzuchtige handelwijze werden anderen er toe beïnvloed liefde te betonen, zodat vele eerste Christenen al hun bezittingen verkochten en de opbrengst aan het besturende lichaam overdroegen opdat de leden van het besturende lichaam deze opbrengst dusdanig konden gebruiken als hun het beste leek ter bevordering van de ware aanbidding en tot welzijn van de Christelijke gemeenschap in het algemeen. Wij zijn er van verzekerd dat dit alles volkomen vrijwillig geschiedde. — Hand. 4:32-37; 5:1-4.

Plannen van de valse religiën der Christenheid om geld bijeen te brengen

Hoe verschillend van de voorgaande wegen zijn de wegen der afvallige Christenheid! Haar religieuze organisaties zijn bereid trouw te geven aan de ergste misdadigers der wereld, zoals Hitler en Mussolini waren, in ruil voor financiële ondersteuning. Zij moedigen hebzucht onder hun leden aan door roulettespelen, loterijspelen en andere kansspelen, waardoor een beroep wordt gedaan op de zelfzuchtige neiging, iets voor niets te willen krijgen. Hoewel de Bijbel niet één woord zegt over een vagevuur, noch over een onsterfelijke ziel, en hoewel er nooit iemand is teruggekeerd uit het vagevuur om te bewijzen dat er zulk een plaats bestaat, wordt dit alles toch door religieuze organisaties geleerd ten einde de geest der mensen vrees in te boezemen zodat de mensen zullen betalen voor het lezen van missen.

In 1948 kostte in een zekere Katholieke kerk in Brooklyn, New York, ’een Mis waarvan de naam was bekendgemaakt, $5 (ƒ 19,–); voor een Mis waarbij één priester een gedeelte van de Mis zong, bedroeg de prijs $15 (ƒ 57,–); voor een hoogmis met drie priesters $35 (ƒ 135,–); voor lichten op de verschillende altaren, $5 (ƒ 19,–) voor elk altaar; voor een huwelijk ’s middags zonder Mis $22 (ƒ 83,60); voor een huwelijk ’s morgens met Mis en één priester $15 (ƒ 57,–); met drie priesters $45 (ƒ 171,–); voor een begrafenis $35 (ƒ 133,–), welke prijs oploopt tot $100 (ƒ 380,–) voor drie priesters bij het altaar en twee priesters bij zijaltaren’. — American Freedom and Catholic Power (Amerikaanse vrijheid en Katholieke macht), door Blanshard, bladzijde 37.

En terwijl vele Protestantse geestelijken voorgeven dat zij aanstoot nemen aan zulke voorbeelden van handelsgeest in de religie, heeft meer dan een van hen persoonlijk toegegeven dat hij niet in een brandende hel geloofde maar gevoelde dat hij zulks moest leren opdat de mensen naar de kerk zouden blijven komen. Andere geestelijken, die hun geest hebben gericht op het doen van zaken, laten hun parochianen geloften afleggen en zenden hun vervolgens maandelijks een kennisgeving waarin zij er aan worden herinnerd dat zij een rekening bij de kerk hebben.

Vele religieuze organisaties steunen liefdadigheidsbazaars, kerkdiners, gezellige bijeenkomsten waar geschenken worden gegeven, picknicks, toneelstukken en muzikale aangelegenheden, enz., en verkrijgen ondersteuning voor hun „kerk” door een beroep te doen op ’s mensen liefde voor genoegens. Dit herinnert ons aan de anecdote die wordt verteld over een zeker Ladies Aid Society, uit de vorige eeuw, welk genootschap aan Amerika’s voornaamste journalist van die tijd, een philanthroop Horace Greely genaamd, schreef om ideeën hoe zij geld voor hun „kerk” konden bijeenbrengen. Hij antwoordde: „Probeer het met godsdienst.”

Hoe tegenstrijdig met de Bijbel zijn al zulke plannen om geld bijeen te brengen! Toch is het, met het oog op het geestelijke dieet van schillen en bedorven water, waarmede de mensen worden gevoed, niet te verwonderen dat zij omgekocht, gevleid en bedreigd moeten worden, en op een basis moeten worden gesteld van ’betaal als je gaat’. Een overeenkomstige handelwijze vindt men in zekere Oosterse religiën, waar voorzieningen bestaan voor sexueel genot in verband met hun vorm van aanbidding. — Openb. 2:14.

In opvallende tegenstelling met het voorgaande is de handelwijze welke wordt gevolgd door Jehovah’s getuigen, die onder leiding van het Watch Tower Bible and Tract Society (Wachttoren Bijbel- en Traktaatgenootschap) staan. Zoals wordt opgemerkt in het Jaarboek van Jehovah’s getuigen van 1952 (Engels), werden er gedurende het jaar 1951 door hun bedienaren van het evangelie ongeveer 63.000.000 uren besteed aan het prediken van het goede nieuws van het Koninkrijk in 121 landen. Millioenen en nog eens millioenen boeken, Bijbels, brochures, tijdschriften en traktaten werden uitgegeven en verspreid. Er werden zendelingen opgeleid en naar vreemde landen gezonden. Ongeveer 18.000 bedienaren van het evangelie werden gesteund zodat zij in de volle-tijd dienst konden blijven, terwijl meer dan duizend van hen dienst verrichtten op zeventig bijkantoren en de belangen behartigden van ongeveer 400.000 bedienaren van het evangelie, die eveneens in de velddienst staan.

Het werk van Jehovah’s getuigen financieren

Vonden Jehovah’s getuigen, ten einde voor al deze expansie te zorgen, het noodzakelijk hun toevlucht te nemen tot loterijen, roulettespelen, kerkbazaars, diners, enz.? Verwaardigden zij zich Jehovah God te bekladden als een duivel, die zich voor geld het genoegen ontzegt zielen in een vagevuur te kwellen? Kwamen zij overeen totalitaire politieke organisaties te steunen in ruil voor financiële bijstand? Neen, zij hebben geen van deze dingen gedaan.

Daar Jehovah’s getuigen een begrip hebben ontvangen omtrent Jehovah God, zijn wonderbaarlijke eigenschappen en zijn voornemens, voelen zij zich verplicht iets te doen ten einde hun waardering te tonen en daarom geven zij vrijwillig. Zij weten dat zij thans de gelegenheid hebben Jehovah God en Christus Jezus tot vrienden te maken door een juist gebruik van de onrechtvaardige rijkdommen, die hun vroeger of later in de steek zullen laten, terwijl de vriendschap van God en Christus eeuwige woonplaatsen zal waarborgen. Zij beseffen ook hun voorrecht, datgene te doen wat kunnen, al zijn het slechts de paar geldstukken van zeer kleine waarde van een weduwe. — Mark. 12:41-44; Luk. 16:9, NW.

Bovendien beseffen zij, dat evenals hun studie, het bezoeken van vergaderingen en hun bedieningswerk systematisch moeten worden gedaan, wil het alles doeltreffend zijn, hun bijdragen voor de expansie der ware aanbidding langs geldelijke weg, eveneens het beste systematisch kunnen worden gedaan, hetgeen in overeenstemming is met Paulus’ vermaning: „Een ieder van u legge elke eerste dag van de week in zijn eigen huis iets ter bewaring opzij naargelang hij voorspoedig is.” — 1 Kor. 16:2, NW.

De expansie der ware aanbidding op aarde is in geen geringe mate afhankelijk van vrijwillige bijdragen. Jehovah’s getuigen beseffen daarom dat het een hulp is voor hen die met de leiding van dit werk zijn belast, enige kennisgevingen van hen te hebben met betrekking tot hetgeen zij gedurende het komende jaar in de vorm van bijdragen kunnen verwachten. Hierom gaan zij verheugd in op het voorstel van het Genootschap, elk jaar te kennen te geven wat zij gedurende de komende twaalf maanden wensen bij te dragen. Dit is in het geheel geen belofte waardoor men zich verbindt, maar slechts een uitdrukking van wat zij hopen te kunnen doen en het wordt „Goede hoop” genoemd. In dit verband is de raad van Paulus passend: „Een ieder doe zoals hij in zijn hart heeft besloten, niet met tegenzin of onder dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief” (2 Kor. 9:7, NW). En daar Jehovah’s dienstknechten beseffen dat alles afhankelijk is van Jehovah’s leiding en zegen, verenigen zij zich met dat doel gemeenschappelijk in het gebed. — Ps. 127:1.

Zij die in Nederland wonen en in deze aangelegenheid hun medewerking wensen te verlenen, kunnen hun kaart of brief zenden naar Watch Tower Bible and Tract Society, Koningslaan 1, Amsterdam-Zuid. Wanneer gij over deze „Goede hoop” schrijft, kan ongeveer het volgende worden vermeld: „Ik hoop dat ik gedurende de volgende twaalf maanden voor het werk dat bestaat in het loven van Jehovah en het zeggen tot de gevangenen: ’Gaat uit,’ een bedrag van ƒ . .  zal kunnen schenken, welke bijdragen ik in zulke bedragen en op zulke tijdstippen zal overmaken, als het mij gelegen blijkt te komen, en naarmate ik voorspoed heb door de onverdiende goedgunstigheid van Jehovah God door bemiddeling van Christus Jezus [handtekening].” Het zal goed zijn als herinnering voor u zelf een afschrift van uw kaart of brief te behouden. Voor Amerika zende men het naar Treasurer’s Office, 124 Columbia Heights, Brooklyn 2, New York. Op bladzijde 178 staat een lijst van adressen van andere bijkantoren, en een volledige lijst vindt u op de laatste bladzijde van het Jaarboek (Engels).

De onderlinge samenwerking van Jehovah’s dienstknechten in dit opzicht is in overeenstemming met de Schriftuurlijke voorbeelden. En Jehovah’s duidelijke zegen welke er op rust, legt er krachtig de nadruk op dat Gods gedachten en wegen inderdaad veel hoger zijn dan die der zelfzuchtige mensen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen