Een verloren schaap vindt de Ware Herder
IN DE Engelse Wachttoren van 15 december 1951 werd een korte zinspeling gemaakt op een oude monnik die de waarheid had aangenomen. Daar er in verband met dit voorval meer bijzonderheden bekend zijn geworden, laten wij onze lezers door middel van dit artikel er van profiteren; ze worden verhaald door één van Jehovah’s getuigen.
„Hier in de woestijn nabij de Dode Zee, 25 kilometer van Jeruzalem, Bethlehem en Jericho, is in een hoge berg het zeer oude Griekse klooster van de Heilige Sabbas gelegen. Slechts monniken en priesters wonen daar en wie er ingaat, kan het tot de dood niet meer verlaten. De stichter van dit klooster, Sabbas, riep eens alle monniken en priesters bij hem en zei: Hoedt u voor appels en vrouwen, want het was de appel die Eva misleidde, en de vrouw Eva die Adam misleidde. Om die reden mogen er geen vrouwen in het klooster komen. Elk jaar is er een feest van de Heilige Sabbas, op welke tijd er vele mensen van Jeruzalem, Bethlehem en Jericho naar het klooster toestromen.
Op een keer, vroeg in de morgen, bemerkte ik dat massa’s mensen de stad verlieten en naar de bergen gingen. Ik hield een paar van mijn kennissen tegen en vroeg hun waar al die mensen heen gingen, en zij zeiden: ’Wij gaan naar de Heilige Sabbas om te bidden. Ga met ons mee naar de Heilige Sabbas en zie wat voor heilige profeten daar wonen. Zij profeteren veel over het einde der wereld. Zij wonen in holen en gaan gekleed in lompen, niet zoals jullie, Jehovah’s getuigen, die zich keurig kleden. Zij leven van gras dat in het wild groeit, en bidden dag en nacht.’ Ik vroeg hun: ’Zou ik met hen over Gods Woord kunnen praten?’ Zij antwoordden: ’Zeker.’ Ik ging dus met hen mee en de hele weg door sprak ik met hen over Gods koninkrijk.
De muren rondom het klooster waren zeer hoog en schenen net zo oud te zijn als de muren rondom de stad Jeruzalem zelf. Zij luidden een bel en de mensen gingen de kerk binnen om te bidden. Ik merkte een oude priester op die in het Russisch bad. Hij zeide: ’Heilige Moeder Gods, red mij, een zondaar!’ Toen ging hij naar een houten kruis en zeide: ’Heilig hout, red mij, een zondaar!’ Ik volgde hem en, nadat hij het bidden had geëindigd, zeide ik tot hem: ’Kan ik eventjes met u praten?’ Hij was aangenaam verrast iemand te vinden die Russisch kon spreken, en nodigde mij daarom in zijn hol waarin hij zes en twintig jaar lang gewoond en gebeden had. Zijn hol was zeer oud en zijn bed bestond uit kale planken, en er hingen veel heilige Griekse prenten aan de muren. Ik vernam dat hij een en tachtig jaar oud was.
Ik begon hem getuigenis te geven: ’Ik hoorde u tot de moeder Gods bidden. Luister eens mijn vriend. Wat denkt u? Hoe kon Maria de moeder Gods zijn, wanneer God haar heeft geschapen?’ ’Neen, dat kon niet,’ antwoordde hij. Daarna toonde ik hem aan de hand van de Bijbel dat Maria God niet had gebaard, maar Jezus Christus, die Gods eerste hemelse schepping was. Ik toonde hem de schriftuurplaatsen welke het vervaardigen en aanbidden van beelden verboden, en welke bevalen dat wij God zullen aanbidden en dienen. Ik gaf hem de raad: ’Studeer Gods Woord; leer de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken.’
Daarna begon hij te huilen als een kind en zeide: ’Wat moet ik doen?’ Ik zei hem dat er in het hol geen redding was; dat Jezus van huis tot huis ging en de mensen in hun huizen over Gods Woord onderwees. Ik zei dat hij om een Bijbel moest vragen en hem daarna moest bestuderen. Daarmee verliet ik hem en keerde te voet naar Bethlehem terug.
Ongeveer een jaar later bevond ik mij op de terugweg van mijn dienstverrichtingen in Jericho, en toen ik in Bethlehem uit de bus stapte, pakte iemand mij bij mijn schouder en zeide: ’George, ik heb twee dagen lang in Jeruzalem naar je gezocht. Weet je nog dat je naar Sabbas in de woestijn kwam? Ik ben diezelfde man, de kluizenaar!’ Opeens herkende ik hem en vroeg: ’Wat wilt u dan wel?’ Hij antwoordde: ’Ik zou graag heel veel naar je willen luisteren en meer over deze nieuwe leer te weten komen. Nadat jij de woestijn hebt verlaten, heb ik je nooit kunnen vergeten. Jij kent de Schrift zeer goed, en God is met jou. Onderricht mij in de Schrift.’ Alhoewel ik zeer vermoeid en hongerig was, gingen wij aan de kant van de weg in Bethlehem zitten en ik sprak twee en een half uur met hem, en gedurende al die tijd huilde hij. Toen vroeg hij me: ’Kan ik morgen naar je tent komen en meer leren?’ Ik zei hem: ’Met plezier, kom maar,’ en ik gaf hem mijn adres.
De dag brak juist aan, zes uur in de morgen, toen hij bij mijn tent verscheen. Ik vroeg hem hoe hij uit het klooster was ontsnapt. Toen vertelde hij mij, dat zij hem omdat hij om een Bijbel had gevraagd, had geweigerd tot Maria te bidden, de beelden te kussen, enz., in de gevangenis van het klooster hadden opgesloten en hem op water en brood hadden gezet, en daarvan niet eens genoeg. Daarom besloot hij ’s nachts uit het klooster te vluchten. Hij vond een stuk koord en gebruikte het om er mee over de muur te komen. Toen hij echter halverwege de muur was, brak het koord en viel hij op de grond, brak zijn neus en kwetste zijn hoofd. Hij had een zak vol heilige boeken bij zich, welke hij vroeger wegens zijn goede gedrag van het klooster had gekregen. Wij hebben de hele dag samen gesproken tot de volgende ochtend vier uur.
Ik bezorgde hem een Russische Bijbel en hij bestudeert deze zeer vlijtig, van de morgen tot de avond. Toen toonde hij mij zijn boeken en vroeg: ’Wat zeg jij er van, Broeder George? Zijn deze boeken goed of niet?’ Terwijl ik ze doorkeek, zei ik: ’Neen, mijn vriend, deze boeken zijn werelds.’ Toen vroeg hij: ’Wat zal ik er mee doen?’ Ik raadde hem aan ze aan het klooster terug te geven. Daarom bracht hij ze naar de Griekse patriarchen in het klooster, en toen hij ze daar op de schrijftafel neerlegde, zeide hij: ’Neem deze boeken terug, jullie valse onderwijzingen. Ik heb zes en twintig jaar lang in de woestijn gebeden, en er is geen heil in deze boeken. Maar nu heb ik een Boek van redding gevonden dat van Jehovah God afkomstig is, de Bijbel. Ik bestudeer het met grote vreugde.’ Toen hij vertrok, hielden zij aan: ’Neem je boeken mee en ga waar je wilt.’ Daarom nam hij de boeken en ging er mee naar een kerkhof. Toen hij een nieuw graf had gevonden, groef hij met zijn handen een gat en gooide de boeken er in. Daarna bedekte hij ze, legde er een grote steen bovenop en zeide: ’Laat de doden deze boeken maar lezen.’
Hij had een gezangboek en een in zilver gebonden gebedenboek bewaard, maar nadat hij was te weten gekomen dat deze boeken ook niet het Woord van God waren, zeide hij: ’Verbrand deze boeken. Ze hebben mijn jeugd verknoeid. Zes en twintig jaar lang ben ik dood geweest, maar nu ben ik van de doden opgestaan, zoals Lazarus.’ Ik vertelde hem dat het grote houten kruis dat aan zijn hals hing, vervloekt hout was. Onmiddellijk nam hij het af en zeide: ’Verbrand dit ook. Ik heb zes en twintig jaar lang tot dit vervloekte stuk hout gebeden.’ En toen hij hoorde dat zijn monnikspij ook heidens was, zeide hij: ’Zo gauw als ik wat andere kleren vind, zal ik deze pij weggooien, mijn haar kort knippen, mijn baard afscheren en alles wat ik bezit dat heidens is, voor de ogen van mijn vrienden verbranden. Ik wil alleen maar de weg tot leven op aarde leren kennen.’
Hij bevindt zich thans bij enige vrienden in Beit-Jala, waar wij voor hem een plaats gereedmaken waar hij kan wonen, en hij is sedertdien gedoopt. De gehele Orthodoxe geestelijkheid in Beit-Jala, Bethlehem en Jeruzalem is opgewonden over dit voorval.”