Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w58 15/10 blz. 620-623
  • Niet-christelijke getuigen over het christendom

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Niet-christelijke getuigen over het christendom
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • HET GETUIGENIS VAN PLINIUS EN TRAJANUS
  • ANDERE TEGENSTANDERS IN DE GETUIGENBANK
  • Christen
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Twee zeer belangrijke klassieke brieven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
  • Bewijzen dat Jezus op aarde heeft rondgewandeld
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
  • Christen
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
w58 15/10 blz. 620-623

Niet-christelijke getuigen over het christendom

HECHT en duurzaam is het fundament van het christendom! Alhoewel het niet op geschriften of verklaringen van wereldse historici steunt, is het toch ook wel eens interessant te kijken wat wereldse geschiedschrijvers ter ondersteuning van het bijbelse verslag te zeggen hebben. Christenen zullen bemerken welk een enorme invloed het christendom 1900 jaar geleden op de Griekse en Romeinse wereld heeft uitgeoefend. De verslagen en opmerkingen van niet-christelijke schrijvers zijn er het bewijs voor dat het in de bijbel opgetekende verslag geen menselijke bedenksel of kinderlijk sprookje is, ontsproten aan een vruchtbare geest. Neen, de in de bijbel opgetekende gebeurtenissen zijn werkelijk gebeurd. De historische juistheid en de authenticiteit staan beide vast en zelfs de van minachting blijk gevende geschriften van tegenstanders uit vroeger tijden vormen een verder bewijs dat dergelijke gebeurtenissen werkelijk plaats hebben gevonden.

Enkele personen mogen wellicht opmerken dat er in de voorhanden zijnde geschriften uit de eerste twee eeuwen in verhouding weinig over Christus en zijn volgelingen wordt gesproken, maar men moet altijd bedenken dat al zouden de christenen een belangrijk onderdeel van de maatschappij gevormd hebben, hun vijanden hun levensloop toch niet tot in alle details beschreven zouden hebben. De feiten tonen echter aan dat er op de vroege christenen werd neergekeken en dat de wereldse geschiedschrijvers hen als een kleine en duistere sekte beschouwden, een afscheiding van de verachte joden en een ’nieuw en verderfelijk bijgeloof’, dat de populaire afgodendienst uit die tijd wilde omverwerpen.

„Men moet daarom niet verwachten dat een heidens historicus die zijn eigen tijd beschrijft en geen persoonlijke belangstelling voor de christenen heeft, veel over hen zegt of een zeer precieze beschrijving van hen zou geven. We kunnen evenmin verwachten dat geletterde mannen uit deze zelfde periode op hun tijd zouden vooruit lopen en van hun onderwerp zouden afwijken om plotseling melding te maken van het christendom. Toch zullen wij zien dat een aantal heidense schrijvers op de een of ander wijze het bestaan en de verbreiding van het christendom gedurende de eerste twee eeuwen erkennen.” — The Critical Handbook of the Greek New Testament, door E.C. Mitchell, 1896, hoofdstuk III.

De geschiedschrijvers Appianus en Pausanias bij de Grieken, en de Latijnse schrijvers Livius, Paterculus, Valerius, Justines en Florus schreven allen over een periode die vóór de regering van Tiberius lag, daarom is het niet verwonderlijk dat zij helemaal niet over het christendom spreken. Tacitus, waarvan men zegt dat hij een van de beste wereldlijke geschiedschrijvers uit de oudheid is vanwege zijn nauwkeurigheid en juist oordeel, werd ongeveer in 54 n. Chr. geboren. In zijn Annales, boek 15, vertelt hij in paragraaf 44 naar aanleiding van het gerucht dat Nero schuldig was aan de brand van Rome:

„Nero liet zekere lieden, die men Christenen noemde en die wegens hun verkeerd gedrag gehaat waren, als de schuldigen behandelen, met de uitgezochtste straffen kwellen. Zij ontleenden hun naam aan Christus, die onder de keizer Tiberius door een vonnis van den stadhouder Pontius Pilatus de doodstraf had ondergaan. Wel was het verderfelijk bijgeloof hierdoor tijdelijk onderdrukt: doch straks stak het kwaad opnieuw op niet alleen in Judea, waar het zijn oorsprong genomen had, maar ook in de stad Rome. Men weet, dat hier alwat buitensporig of schandelijk is uit de vier windstreken bijeenstroomt en zelfs wordt toegejuicht. Eerst werden degenen die bekenden behandeld: zij ontvingen eene berisping. Op hunne aanwijzing echter werd eene ontzaglijke menigte ingerekend. Dezen werden er toe gebracht te bekennen, niet zoozeer dat zij den brand gesticht hadden als wel dat zij schuldig waren aan haat jegens het menschelijk geslacht. Bij het ondergaan van hun straf werden zij bitter gehoond. Sommigen werden vastgebonden op de rug van wilde dieren en door honden verscheurd. Anderen werden aan kruisen genageld; eenigen hiervan werden in brand gestoken en dienden als fakkels om de duisternis te verlichten.” — Vertaling van dr. F. Pijper.

De Romeinse satiricus en dichter Juvenalis (ca. 60-140 n. Chr.) gewaagt van Tacitus’ beschrijving der christenvervolgingen (Sat. I 155-157). De in hoog aanzien zijnde staatsman en filosoof Seneca (ca. 4 v. Chr. - 65 n. Chr.), Nero’s leermeester, maakt een korte toespeling op het christendom (Epist. XIV), evenals Dio Chrysostomus (ca. 40-115 n. Chr.), de Griekse redenaar met de „gouden mond” (Orat. Corinthiac. XXXVII blz. 463). Ook doet de in 96 n. Chr. geboren Griekse historicus en filosoof Arrianus dit (Dissert. IV, 7, §5, 6). Suetonius de Romeinse historicus die tegen het eind van de eerste eeuw werd geboren, zegt in zijn schets van het leven van Claudius Cesar: „[Claudius] verbande de joden uit Rome, die voortdurend onlusten hadden, op aanstoken van Chrestus [Christus]” (Vit. CLaud. hoofdst. 25). Voorts verklaart Suetonius in verband met de wrede vervolgingen onder Nero: „De Christenen, een soort van mensen die een nieuw en misdadig wangeloof aanhingen, werden gestraft.” — Vit. Nero, hoofdst. 16.

HET GETUIGENIS VAN PLINIUS EN TRAJANUS

Plinius de Jongere, de stadhouder van Bythinië, vroeg keizer Trajanus schriftelijk hoe hij het best met de vroege christenen kon handelen. Dit geschiedde op zijn hoogst veertig jaar na de dood van de apostel Paulus en deze brief is daarom een klassiek document waardoor allen die weigeren vertrouwen te hebben in het bijbelse verslag omtrent Jezus’ leven — dat hij een groot leraar was, dat hij een aantal toegewijde discipelen had die zo anders dan de heidenen leefden dat het zelfs de Romeinse keizers opviel — wel genoopt worden deze gedachte te herzien.

Na eerst in zijn brief te hebben toegegeven dat hij nooit persoonlijk bij ’de onderzoekingen inzake de christenen aanwezig was geweest,’ zegt Plinius: „Ten aanzien van hen, die bij mij als Christenen werden aangebracht, [heb ik] deze gedragslijn gevolgd: Ik heb hun gevraagd of ze Christenen waren.” Wanneer ze dit toegaven, werden ze gestraft. Anderen evenwel „zeiden, dat ze geen Christenen waren of geweest waren.” Dezen brachten, wanneer ze op de proef werden gesteld, niet alleen offers aan heidense goden, maar vervloekten „vervolgens Christus . . . handelingen, tot welke, naar men zegt, werkelijke Christenen niet gedwongen kunnen worden.” Anderen gaven volgens Plinius toe dat zij eens christenen waren geweest en zelfs ’een gebed uitspraken tot Christus alsof hij een god was,’ maar thans verklaarden zij al enige tijd geen christenen meer te zijn. — De Antieke Wereld en het Nieuwe Testament van dr. Sizoo, de bladzijden 194-196.

Plinius wilde weten of Trajanus deze methodes en werkwijzen goedkeurde. In antwoord hierop prees de keizer hem voor de wijze waarop hij in deze aangelegenheid handelde. „Gij hebt . . . bij het onderzoek van de zaak van hen, die als Christenen bij u aangebracht waren, de juiste gedragslijn gevolgd,” schreef Trajanus. Trajanus’ neef, die hem als keizer opvolgde (117-138 n. Chr.), schreef het volgende over de christenen aan de proconsul van Azië: „Indien dan de provincialen in staat zijn zich sterk te maken tot zoodanig een vordering tegen de Christenen, zoodat zij zich voor den rechterstoel kunnen verantwoorden, mogen zij zich slechts daartoe wenden, doch niet met eischen, noch met louter geschreeuw.” — Kerkgeschiedenis van Eusebius Pamphili, IV, 9, bewerkt door dr. H.U. Meyboom.

ANDERE TEGENSTANDERS IN DE GETUIGENBANK

Lucianus, een Grieks redenaar die tegen het eind van Trajanus’ regering werd geboren, viel de leer van de christenen aan en maakte hun vorm van aanbidding belachelijk. In een schrijven aan Cronius over de dood van Peregrinus Proteus, een beroemd cynicus, zei hij onder andere dat de christenen „over hem [Christus] als over een god spraken, hem als een wetgever beschouwden en vereerden met de titel van Meester. Zij aanbidden deze grote man die in Palestina werd gekruisigd [aan een crux simplex genageld], omdat hij deze nieuwe religie in de wereld bracht.” Origenes, een der vooraanstaande „kerkvaders” (185-254 n. Chr.), heeft het getuigenis van nog verschillende andere niet-christenen uit vroeger tijden bewaard. Hij zegt bijvoorbeeld dat de Griekse filosoof Numenius uit de laatste helft van de tweede eeuw, „een gedeelte van de geschiedenis van Jezus Christus aanhaalt, waarvan hij de verborgen betekenis probeert te doorvorsen” (McClintock & Strong, Cyclopedia, deel 7, blz. 225). Origenes noemt tevens Phlegon, ongeveer uit het midden der tweede eeuw, die van de vervulling van bepaalde profetieën met betrekking tot Christus gewaagde. — Contra. Cels. lib. ii, §14.

Celsus, een felle vijand van het christendom die 130 jaar na Jezus’ dood leefde, deed vele aanhalingen uit de Christelijke Griekse Geschriften, en verklaarde: „Wij nemen deze dingen uit uw eigen geschriften om u met uw eigen wapens te verwonden.” Zijn oorspronkelijke werken zijn verloren gegaan, maar Origenes heeft bijna tachtig van zijn schriftaanhalingen voor ons bewaard. Celsus zegt dat Jezus als het Woord van God werd voorgesteld; hij werd Gods Zoon genoemd; was de uit Nazareth afkomstige zoon van een timmerman; beweerde op wonderbaarlijke wijze ontvangen te zijn. Celsus zinspeelt er op dat Jezus naar Egypte is gebracht, dat hij in de Jordaan is gedoopt, dat er een stem werd gehoord die verklaarde dat hij Gods zoon was, dat hij in de woestijn op de proef werd gesteld, en dat hij 12 apostelen uitkoos. Hij geeft toe dat Jezus grote wonderen verrichtte, dat hij grote mensenmenigten voedde, dat hij de ogen van blinden opende, lammen en zieken genas, en doden opwekte. Hij haalt ook vele leerstellige punten uit Christus’ leer aan. Ten slotte spreekt hij over Judas’ verraad. Petrus’ verloochening, de geseling, kroning en bespotting welke Jezus moest ondergaan, tevens de duisternis en de aardbeving welke met Jezus’ sterven gepaard gingen, en vervolgens de opstanding. Aldus bewees deze heidense schrijver zonder het te weten, dat dit alles was neergeschreven en algemeen onder de toenmalige christenen werd geloofd. — Mitchell’s Critical Handbook oƒ the Greek New Testament.

Nog een niet-christelijke getuige, de gevierde joodse historicus Flavius Josephus, heeft ons eveneens iets te vertellen. Een passage uit zijn Joodsche Oudheden (Boek XVIII, hoofdstuk 4, §772), volgens zeggen onecht doch dit is nimmer bewezen, staat het volgende te lezen: „Te dien tijde was er een zekere JEZUS, een wijs mensch, indien men hem althans een mensch noemen mag; want zijne werken waren wonderbaar. Hij onderwees degenen, die gaarne in de waarheid onderricht willen worden; hij werd gevolgd niet alleen door vele Joden, maar ook door vele Heidenen. Deze was de CHRISTUS, die door de oversten onzes volks bij Pilatus aangeklaagd en op zijn bevel gekruisigd werd. Doch die hem bij zijn leven gevolgd hadden, verlieten hem na zijnen dood niet; want hij is hun ten derden dage weder levend verschenen, gelijk de goddelijke profeten, onder meer andere wonderlijke dingen, van hem voorzegd hadden. Aan hem is het dat de Christenen, die tegenwoordig [ongeveer 93 n. Chr.] nog bestaan, hunnen naam ontleend hebben.” Voorts vertelt Josephus (Boek XX, hoofdstuk 8, §856) hoe de hogepriester Annas „den raad [deed] te samenkomen, en ontbood er Jakobus, broeder van dien Jezus, welke Christus genoemd werd.” — Vertaling van S. Haverkamp.

Aldus wordt door het getuigenis van vele getuigen bevestigd dat het christendom niet iets van de laatste tijd is, maar zich diep heeft geworteld in de antieke wereldse geschiedenis. Laten daarom alle ongelovigen die beweren dat er omtrent de betrouwbaarheid van de bijbel geen bewijzen voorhanden zijn, hun verkeerde ideeën en dwaalbegrippen aan de kant zetten en de bijbel zien zoals hij is, Jehovah Gods onbetwistbare, onverwoestbare Woord der waarheid! Voor de mensen zijn de dagen als gras, maar „het woord van onzen God houdt eeuwig stand”! — Joh. 17:17; Ps. 103:15; Jes. 40:8, NBG; 1 Petr. 1:25.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen