Vruchten voortbrengen tot eeuwig leven
„Aangaande hem die op het goede soort van aarde is gezaaid, hij is het die het woord hoort en de betekenis er van begrijpt, die werkelijk vruchten draagt en voortbrengt, deze honderd, die zestig, en de andere dertigvoud.” — Matth. 13:23, NW.
JEHOVA schept behagen in vruchtbaarheid, vooral wanneer ze eeuwig leven tot gevolg heeft. Waar vruchten zijn, is leven, en datgene wat goede vruchten draagt, verdient te leven. Iedere landbouwer heeft vreugde en voldoening wanneer land dat door hem wordt bebouwd, vruchtbaar is. Dit is niet minder waar van de grootste landbouwer van hen allen, namelijk, Jehova God. Op de derde scheppingsdag vaardigde deze grote Bebouwer van de gehele aarde het bevel uit: „De aarde brenge voort groenend en zaadgevend gewas, en vruchtboomen die vruchten dragen naar hunne soort, welker zaad in henzelven zij op de aarde.” Gij ziet dat hij deze aarde niet had geschapen om onbebouwd land te zijn. Dagen later, voordat Jehova God man en vrouw schiep, „plantte [hij] een hof in Eden, tegen het oosten, en plaatste daar den mensch [man] dien hij geformeerd had. Toen deed de HEERE [Jehova] God uit de aarde allerlei boomen ontspruiten, begeerlijk voor het gezicht en goed tot spijze; en den boom des levens in het midden van den hof, en ook den boom der kennis van goed en kwaad” (Gen. 1:11, Belg. PB; 2:8, 9, OB, AS). De grote Bebouwer stond deze volmaakte man en zijn toekomstige nageslacht toe de aarde te bewerken en te verzorgen, terwijl zij de hof van Eden over de gehele aardbol zouden uitbreiden en hem tot een paradijs van geneugte zouden maken. De grote Bebouwer zal dit voornemen dat hij ten aanzien van het tot een paradijs maken van deze aarde heeft, alsnog verwezenlijken, opdat de gehoorzame mensheid zich in eeuwig leven in een gelukkig tehuis zal kunnen verheugen. Doordat zij van de volmaakte vruchten van dit aardse paradijs zullen eten, zal hun leven voor altijd worden onderhouden.
2 De tegenstander van God en de mens zaaide in het hart van de vrouw in Eden, de zaden van twijfel en wantrouwen. Ze schoten wortel in haar en brachten vruchten voort in de vorm van het negeren van het gezag dat haar echtgenoot als hoofd bezat en in de vorm van ongehoorzaamheid aan God. Door bemiddeling van de vrouw zaaide de tegenstander in het hart van haar echtgenoot de zaden van meer liefde voor de vrouw dan voor Jehova God, hetgeen in feite meer liefde voor zichzelf dan voor God betekende. Zulke zaden van zelfzucht wortelden zich in zijn hart en doordat zijn vrouw ze aankweekte, brachten ze vruchten voort in de vorm van opzettelijke schending van de wet die Jehova tegen het eten van de verboden vrucht had uitgevaardigd. God keurde de vruchten die aldus door Adam en Eva werden voortgebracht, niet goed, want ze gaven blijk van gehoorzaamheid aan de wil van de tegenstander, Satan de Duivel, in plaats van gehoorzaamheid aan Gods wil. En daarom waren het vruchten die tot dood en vernietiging leidden, en niet tot eeuwig leven in het paradijs van geneugte. God veroordeelde het ongehoorzame paar ter dood en verdreef hen uit de hof van Eden, zodat zij de „boom des levens” niet konden bereiken, opdat zij niet zouden ’eten, en leven in eeuwigheid’ (Gen. 3:1-24). Toen Jehova God het vonnis uitsprak over de tegenstander, die, gelijk een slang, plannen had beraamd de mensheid in ongehoorzaamheid te leiden, maakte hij zijn voornemen bekend een nieuwe regering op te richten voor de rechtvaardiging van Hem als de Souverein van het universum, die door de gehele mensheid gehoorzaamd dient te worden. Hij maakte zijn voornemen bekend deze regering uit de schoot van zijn hemelse universele organisatie voort te brengen en door deze regering de werken van de Slang te laten verbreken. — 1 Joh. 3:8, NW.
3 De hemelse universele organisatie had liefde voor God. Daarom had ze geen liefde voor de Slang. Zo zou ook stellig de nieuwe regering waaraan Gods op een vrouw gelijkende organisatie het leven zou schenken, God liefhebben en de Slang haten. God besloot de getrouwheid van deze regering te beproeven door toe te laten dat de Slang de hiel verwondde van het belangrijkste lid van die regering, de Koning er van, het Zaad van Gods vrouw. Vervolgens was God voornemens door middel van deze beproefde getrouwe regering de Slang en alle goddeloze nakomelingen die door de Slang voortgebracht zouden worden, volkomen te vernietigen. Op deze wijze nam God zich voor de gehele aarde en haar bewoners onder de universele souvereiniteit van God terug te brengen, het paradijs te herstellen en het over de gehele aarde uit te breiden. Dit alles ligt opgesloten in de geheimzinnige woorden die hij tot de Slang, Satan de Duivel, richtte: „Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; hij zal uw kop vermorzelen, en gij zult zijn hiel verwonden” (Gen. 3:15, Le). Vier duizend jaar later werd Gods Zoon uit de hemel, Jezus Christus, aan de hiel verwond en uit de dood opgewekt en keerde hij terug naar de hemel om Koning te worden. Daarom schreef zijn apostel Paulus aan de getrouwe navolgers van de Koning: „Wat hem aangaat, de God die vrede geeft, zal Satan binnenkort onder uw voeten verpletteren” (Rom. 16:20, NW). Er rest thans nog een zeer korte tijd tot aan de verplettering van Satan en zijn zaad en de herstelling daarna van het paradijs op aarde.
4 Toen Jezus Christus aan zijn hiel werd verwond, doordat hij aan de martelpaal op Golgotha stierf, gaf hij de belofte dat het paradijs op aarde zou worden hersteld. De kwaaddoener die naast hem hing, had zo juist gezegd, waarbij hij welwillendheid ten aanzien van de zaak van Jezus had getoond: „Jezus, gedenk mij wanneer gij in uw koninkrijk komt.” Jezus toonde de hoop op een opstanding die er voor deze kwaaddoener en de gehele mensheid in hun graven bestond, door tot hem te zeggen: „Waarlijk ik zeg u heden: Gij zult met mij in het Paradijs zijn” (Luk. 23:42, 43, NW, Ro). Deze kwaaddoener was geen navolger van Jezus Christus geweest en kon dus alleen op het paradijs hopen als de plaats waar hij eeuwig leven zou kunnen verwerven. Gedurende de drie en een half jaar waarin Jezus een onderwijzingsveldtocht onder de Joden hield, had hij echter gelovigen uitgenodigd zijn navolgers te worden en deze wereld de rug toe te keren. Hij stelde hun geen hoop op een aards paradijs voor ogen, maar een hemelse hoop. Hij vertelde hun van zijn terugkeer naar de hemel om het koningschap in de regering van een nieuwe wereld te ontvangen, en hij nodigde hen uit zich waardig te tonen met hem in zijn hemelse koninkrijk te delen. Met dit doel vertelde hij hun vele gelijkenissen of illustraties en verklaarde hun de betekenis daarvan. Zij moeten onder andere vruchtbaar zijn voor de lof van God en zijn koninkrijk. Vruchten van dit soort hebben voor hem die vruchten draagt, eeuwig leven tot gevolg, terwijl de vruchten die Eva en Adam in Eden voortbrachten, voor ons allen de dood tot gevolg hadden. Ten einde dit toe te lichten, sprak Jezus in het tweede jaar van zijn openbare vergaderingsveldtocht zijn gelijkenis van de zaaier van het zaad uit. Zij die het leven zoeken, zullen er belang in stellen deze gelijkenis in het volgende artikel te bestuderen.