Velddienst-ervaring
PREDIKEN TOT LEPROZEN IN AFRIKA
„Ware zendingsdienst in de Goudkust is een bron van verschillende ervaringen. Tezamen met twee andere Gileadieten moest ik de Ho-groep van Jehova’s getuigen en ook de nabijgelegen leprozenkolonie bezoeken. Om 12 uur ’s middags verlieten wij per auto de hoofdstad Akra. Ongeveer vijf uur later werden wij te Ho hartelijk ontvangen. Weldra werden wij naar het centrum van de stad gebracht, waar een van ons de openbare lezing zou uitspreken. Tegen deze tijd was het donker. De toespraak werd dus, zoals vaak het geval is, in de open lucht gehouden, onder de heldere tropische maan en de twinkelende sterren. Er waren ongeveer 300 mensen op de lezing aanwezig. Deed zich een stoornis voor? Ja! Van welke aard? De lantaarn die werd gebruikt om licht te werpen op de Bijbel en de aantekeningen van de spreker, diende ook als een baken waaromheen zich een grote verscheidenheid van insecten verzamelde, die de spreker op hun eigen bijzondere wijze begroetten.
De volgende morgen waren wij op weg naar de vijf kilometer verder gelegen leprozenkolonie. Vier van de ongeveer 500 leprozen van verschillende geloofsovertuigingen in de kolonie zijn Jehova’s getuigen. En hoe blij waren zij ons, Gileadieten, te zien! Lang zullen wij ons nog de uitdrukkingen van vreugde op hun gezichten herinneren, één van de weinige manieren waarop zij van hun blijdschap konden blijk geven, daar zij ons niet konden aanraken. Het Bijkantoor zendt deze broeders en zusters geregeld gratis exemplaren van De Wachttoren en zij waarderen dit zeer.
Na een onderhoud met de opzichter van de kolonie werd de toestemming verleend om voor de aanwezigen een openbare lezing te houden. Allen luisterden aandachtig. In lichamelijk opzicht was het geen aangenaam publiek om naar te kijken. Onder hen vond men mensen van elke leeftijd, al leken enigen van de jonge knapen reeds op oude mannen, en een ieder van hen was door de melaatsheid op een enigszins andere wijze aangetast. Een van de melaatse broeders vertolkte de spreker en dit was iets wat de spreker lang zal bijblijven. Deze tolk stond een meter van de spreker vandaan met zijn Ewe Bijbel in de hand. Zijn oren en ook zijn tenen waren half weggeteerd. Zijn vingers waren tot het tweede kootje weggevreten en toch lag op zijn verdorde gelaat de volle Koninkrijks-glimlach. Wanneer er Schriftuurplaatsen moesten worden gelezen, was het opvallend te zien hoe vlug hij de teksten vond, ook al had hij alleen maar vingerstompjes ter beschikking. Hij kende zijn Bijbel.
Nadat de lezing voorbij was en wij met de vier getuigen zelf hadden gesproken, was het tijd om te vertrekken, want wij moesten die dag naar Akra teruggaan. Onder de inboorlingen is het de gewoonte met een enthousiast handschudden te groeten en vaarwel te wensen, maar deze verkondigers konden dat niet doen. Zij gingen tot de grens van de kolonie met ons mee en daarna scheidden wij, nadat wij hadden beloofd hen zo spoedig mogelijk weer te komen opzoeken. Onderweg naar het 160 kilometer zuidelijker gelegen Akra konden wij alleen maar nog meer er naar verlangen dat de nieuwe wereld zou komen met haar beloofde zegeningen voor alle gehoorzame mensen.”