„De uitbreiding van zijn regering”
„Aan de uitbreiding van zijn regering en vrede zal geen einde zijn, op de troon van David en in zijn koninkrijk.” — Jes. 9:7, KJ; 9:6, Statenvert.
1. Wat is Jehova’s voornemen en zijn recht en verantwoordelijkheid?
JEHOVA God bekroont thans zijn glorierijke voornemen met succes. Op hetzelfde tijdstip dat de mensheid in nood geraakte, doordat zelfzucht, dwaling en dood hun intrede deden, vatte Jehova het voornemen op, voor de bevrijding van de mensheid een rechtvaardige regering over de gehele aarde op te richten. Het is zijn recht een dergelijke regering op te richten. Ja, het is zijn verantwoordelijkheid, en hij is ten aanzien van deze verantwoordelijkheid niet in gebreke gebleven. „Want er bestaat geen gezag dan door [van] God” (Rom. 13:1, OB). Omdat deze regering van hem afkomstig is en hij door middel van deze regering zijn schepselen op aarde bestuurt, wordt ze een „Theocratie” genoemd, want die naam betekent Gods heerschappij of bewind. Zijn regering in de hemelen is thans geboren en staat op het punt de heerschappij der aarde over te nemen, ongeacht de verenigde tegenstand van mensen die tegen God strijden. De aarde en de wijze waarop de mens leeft, zullen spoedig een wonderbaarlijke verandering ondergaan. Dit duidt op een nieuwe, door God geschapen wereld.
2. Waarom verheugt Jehova zich wegens deze tijd, en wie verheugen zich nog meer met hem?
2 Jehova’s hart verheugt zich wegens deze tijd. Ja, het hart van een ieder is verheugd wanneer hij met Jehova’s grootse voornemen op de hoogte is en inziet hoever de succesvolle ontwikkeling er van reeds is gevorderd. Er zijn thans negentien eeuwen voorbijgegaan sedert zijn geliefde Zoon, Jezus Christus, als een offerande stierf, uit de dood werd opgewekt en ten hemel voer, ten einde daar aan de rechterhand van zijn Vader te zitten, totdat de tijd zou komen waarin al zijn vijanden in hemel en op aarde tot zijn voetbank zouden worden gemaakt, verslagen en vernederd. Intussen werd toegelaten dat zijn vijanden de aarde zonder onderbreking van de hemel uit beheersten, en die periode noemde Jezus de „tijden der heidenen” (Luk. 21:24). Zes en dertig jaren geleden, in 1914, werd het einde van die lange periode bereikt. Alle rampspoeden en onlusten die sedert 1914 over de heidenen of natiën zijn gekomen, alle weeën die de zuchtende volkeren in geconcentreerde mate hebben ondervonden, alle vruchteloze pogingen van de politiek, handel en georganiseerde religie om de toestanden te verbeteren of te verhelpen, het slechter worden der toestanden en de toenemende angsten van heersers en volkeren, dit alles vormt een teken. Over de betekenis er van behoeven wij niet in twijfel te verkeren. Jezus Christus verklaarde die voor ons tijdens de laatste dagen welke hij op aarde vertoefde. Het teken laat zien dat de tijden der heidenen in 1914 eindigden, welk einde door de eerste Wereldoorlog werd gekenmerkt. Het begin der smarten, hetwelk in dat jaar kwam, stelde deze oude wereld er op een pijnlijke wijze van in kennis, dat ze thans haar „tijd van het einde” was binnengetreden. Het was voor haar het begin van het einde (Matth. 24:7, 8; Dan. 11:40; 12:4). Ja, maar het stelde ons er tevens van in kennis, dat de Theocratische regering van een nieuwe en rechtvaardige wereld, het beloofde koninkrijk van God dat onder zijn Zoon, Jezus Christus, staat, in de hemelen was geboren. Waarom zouden God en Christus zich niet verheugen? Waarom zouden allen zich niet verheugen die God en een regering van een Nieuwe Wereld, welke regering gerechtigheid, vrede en leven zal brengen, liefhebben? Wij verheugen ons ook!
3. Waarom kwam zijn Zoon voornamelijk naar de aarde? Welke profetie ging daardoor in vervulling?
3 Meer dan negentien eeuwen geleden werd Gods Heerser voor deze regering als een menselijk kind, als de Messiaanse „Zoon van David”, geboren. Hij was op aarde gekomen om te bewijzen dat hij recht had op de Regering. Thans, na deze lange periode waarin op Gods bestemde tijd werd gewacht, is de Theocratische regering geboren en het gezag en de verantwoordelijkheid om deze regering uit te oefenen, is op de schouders van de geïnstalleerde Koning, Jezus Christus, gelegd. Met de volgende vertroostende woorden die door middel van Jesaja’s profetie werden geuit, werd Christus’ geboorte acht eeuwen voordat deze geschiedde, voorzegd, en medegedeeld dat hij de Regering zou aanvaarden: „Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven; en de regering zal op zijn schouder zijn; en zijn naam zal worden genoemd: Wonderlijk, Raadgever, Machtige God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Aan de uitbreiding van zijn regering en van de vrede zal geen einde zijn, op de troon van David en in zijn koninkrijk, om het te bevestigen, en het te schragen met recht en met gerechtigheid van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van Jehova der heirscharen zal dit volbrengen.” — Jes. 9:6, 7, AS; Jes. 9:5, 6, Statenvert.
4. Wat moet de geboorte van het Koninkrijk hebben? Waarom? Wie zijn zij?
4 De geboorte van de koninklijke Zoon van God had zijn getuigen: Niet alleen Gods engelen, die zich er over verheugden met de woorden: „Glorie aan God in den hoge, en vrede op aarde onder de mensen van goede wil”, maar ook hardwerkende mensen, de herders die de aankondiging van de engel hoorden en naar Bethlehem, de stad van koning David, gingen, om te zien of de aankondiging juist was (Luk. 2:8-20, PC). Maar geen van de aan overleveringen gebonden priesters en Levieten in de tempel te Jeruzalem waren getuigen, ofschoon zij de kwaad in de zin hebbende koning Herodes de profetie toonden waarin werd gesproken over de plaats waar het kind zou worden geboren (Matth. 2:1-16). Hoe belangrijk de geboorte van de Zoon ook was, de geboorte van het door Gods Zoon geregeerde koninkrijk van God is veel belangrijker. Daarom verdient deze geboorte eveneens dat ze haar getuigen op aarde heeft. Meer dan dat, ze moet haar getuigen op aarde hebben, opdat Jezus’ profetie over het einde dezer wereld in vervulling kan gaan: „Dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen” (Matth. 24:14). Wie zijn door God verwekt tot zijn getuigen voor het Koninkrijk, De Theocratie, die in 1914 werd opgericht? De nederige volgelingen van Jezus Christus, voor wie hij deze woorden die een profetisch bevel inhouden, heeft uitgesproken. Zij komen overeen met de oprechte mannen en vrouwen ten tijde dat Jezus werd geboren, namelijk de God-vrezende herders, de bejaarde Simeon, de profetes Anna en de getrouwe Elizabet.
5. Zijn wereldse heersers met de geboorte ingenomen? Wat kunnen zij niet verhinderen?
5 De politieke heersers der aarde in deze tijd zijn niet met de geboorte van Gods koninkrijk ingenomen, evenmin als de moordlustige Herodes met Jezus’ geboorte te Bethlehem was ingenomen. De heersers en hun volgelingen en aanhangers trachten daarom het getuigenis omtrent de oprichting van het Koninkrijk te onderdrukken. Doch de Almachtige God heeft door Jezus Christus voorzegd dat er een getuigenis omtrent het Koninkrijk moest worden gegeven en geen enkele zich verzettende macht in hemel of op aarde kan verhinderen dat de boodschap in de gehele bewoonde aarde tot een getuigenis aan alle natiën wordt verkondigd. Alle mannen en vrouwen in deze tijd die door God zijn verwekt en worden gebruikt om een aandeel te hebben in het vervullen van de profetie welke betrekking heeft op het getuigenis omtrent het opgerichte Koninkrijk, zijn zeer begunstigd! Jehova’s getuigen van tegenwoordig verdragen gaarne de haat en vervolging van alle volkeren en natiën, opdat zij zijn getuigen van het Koninkrijk kunnen zijn.
ZIJN HEERSCHAPPIJ ONDANKS TEGENSTAND UITBREIDEN
6. Waarom moet de heerschappij van het Koninkrijk zich blijven uitbreiden?
6 Het getuigenis dat sedert 1914 is gegeven, heeft de heerschappij van het Koninkrijk in het leven van mensen van goede wil voortdurend uitgebreid. Het had ook niet anders kunnen zijn. Onder Gods eigen naam verklaarde de profetie lang geleden: „Aan de uitbreiding van zijn regering en vrede zal geen einde zijn” en dit moet worden verwezenlijkt, ook al regeert de Koning thans in het midden van een menigte vijanden. De onweerstaanbare ijver van Jehova der heirscharen zal nooit gedogen dat zijn profetische Woord onuitgevoerd tot hem terugkomt en de uitbreiding van de regering van zijn Zoon met succes wordt belemmerd. Het getuigenis omtrent het Koninkrijk dat sedert 1914 wordt gegeven, moet blijven toenemen. Er moet over de gehele aarde steeds meer worden bekendgemaakt dat de Allerhoogste Regerende Macht, Jehova, zijn grote kracht heeft aangenomen en is begonnen over de aarde te heersen, doordat hij zijn Zoon als zijn gezalfde Koning op de troon heeft geplaatst (Openb. 11:15-18). Door middel van deze kennis, die door zijn getuigen wijd en zijd wordt verbreid, kunnen de mensen van goede wil overal de gelegenheid verkrijgen iets omtrent de enige Rechtvaardige Regering te vernemen en zij kunnen zich rondom deze regering, de enige hoop der mensheid, verzamelen. Zij kunnen er onvoorwaardelijk trouw aan zijn, voordat Jehova’s Koning in de toekomende „krijg van dien groten dag des almachtigen Gods” al zijn vijanden en tegenstanders vernietigt.
7. Waarmede moet de uitbreiding of toename er van in deze tijd overeenkomen? Door middel waarvan?
7 De toename van het aantal dergenen die Jehova’s regerende Koning gunstig gezind zijn en hem aanhangen, moet overeenkomen met de toename van het aantal zijner volgelingen in de eerste eeuw, nadat hij tot Gods rechterhand was opgevaren, na eerst door zijn liefderijke gehoorzaamheid tot in de dood, zijn recht op het Koninkrijk te hebben bewezen. Deze toename zal niet tot stand komen door kracht van legers die van vuur en zwaard gebruik maken, niet door geweld, maar door Jehova’s geest, zijn onoverwinlijke werkzame kracht. De liefde in mannen en vrouwen die zijn Koning en koninkrijk zijn toegewijd, is iets wat zo sterk is dat ze niet door de een of andere duivelse of menselijke macht te niet kan worden gedaan, en ze trekt hen tot en doet hen trouw zijn aan zijn Koning en koninkrijk, zonder dat zij zich bekommeren om alle vijandschap die door het standpunt dat zij ten gunste van God en zijn koninkrijk innemen, wordt opgewekt. — Zach. 4:6.
8. Op welke wijze kreeg in de eerste eeuw de keizer verwikkelingen met de Koning?
8 In de eerste eeuw moesten gelovige mannen en vrouwen plechtig beloven Jezus Christus als Gods Koning trouw te zijn in weerwil van de heersende wereldmacht, het Romeinse rijk, waarvan de keizers als goden werden aanbeden. In werkelijkheid gaf een vertegenwoordiger van dat Romeinse rijk, stadhouder Pontius Pilatus, de opdracht dat Jezus Christus aan de martelpaal moest worden genageld. Omdat Jezus Gods koninkrijk predikte, waartoe hij was geroepen en gezalfd, beschuldigden zijn religieuze vijanden, de priesters, schriftgeleerden, Sadduceeën en Farizeeën hem van opruiing tegen de Romeinse stadhouder. Het geïnspireerde Bericht verhaalt: „Zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verkeert, en verbiedt den Keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is.” En toen Pilatus pogingen deed Jezus op vrije voeten te stellen, „riepen [de Joden], zeggende: Indien gij Dezen loslaat, zo zijt gij des keizers vriend niet; een iegelijk, die zichzelven koning maakt, wederspreekt den keizer.” Deze Jezus had twee dagen te voren tot zijn religieuze tegenstanders gezegd: „Geeft dan den Keizer, dat des Keizers is, en Gode, dat Gods is.” —Luk. 23:1, 2; Joh. 19:12; Matth. 22:21.
9, 10. (a) Van welke toename in weerwil van verkeerde voorstelling en tegenstand wordt gewaagd? (b) Waardoor werd de aankondiging van het Koninkrijk verbreid?
9 Omdat Jezus’ religieuze vijanden hem niet als Gods Messias en Koning wensten, gebruikten zij zijn prediking van Gods koninkrijk als een voorwendsel om hem er van te beschuldigen dat hij tegen de keizer opruide en een bedreiging voor de staat vormde. Deze opzettelijk verkeerde voorstelling en deze verenigde tegenstand van de keizer en religieuze machten hadden Jezus’ dood tot gevolg, maar verhinderden ze dat de aanhangers van Gods opgestane Koning in aantal toenamen? Werd de prediking van het koninkrijk der hemelen er door tot zwijgen gebracht? Neen! De volgende maand, op de dag van het Pinksterfeest, werd Gods geest op de getrouwe volgelingen des Konings uitgestort en de verkondiging van het Koninkrijk kreeg nieuw leven en werd met grotere kracht voortgezet dan in Jezus’ tijd, en in vele talen. Diezelfde Pinksterdag nam het aantal van hen die zich ten gunste van het door Gods Koning, Christus Jezus, geregeerde koninkrijk Gods verklaarden, toe tot 3000. De religieuze tegenstand werd heftiger en er volgden arrestaties van de predikers van het Koninkrijk, en toch steeg het aantal aanhangers van de Koning tot 5000 (Hand. 2:41; 4:4). Later deed de marteldood van Stefanus daar in dat middelpunt der religie, Jeruzalem, een van de ergste vervolgingen ontbranden. De apostelen werden genoodzaakt onder te duiken, doch duizenden volgelingen van de Koning werden verstrooid.
10 Jehova en zijn gezalfde Koning in de hemel hadden reden te lachen over deze pogingen die de religieuze tegenstanders in het werk stelden ten einde de verkondiging van het Koninkrijk tot zwijgen te brengen. Waarom? Omdat, zoals het bericht ons vertelt, ’zij die verstrooid waren, door het land gingen en het Woord verkondigden.’ „Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stefanus geschied was, gingen het land door tot Fenicië toe, en Cyprus, en Antiochië, tot niemand het Woord sprekende, dan alleen tot de Joden” (Hand. 8:4; 11:19). Tijdens deze religieuze inquisitie werd de grote aandrijver tot vervolging, Saulus van Tarsen zelf, op wonderbaarlijke wijze voor getrouwheid aan Christus, de Koning, gewonnen en hij werd een van de apostolische Koninkrijksverkondigers.
11. Is het Koninkrijk nationalistisch? Wat wordt door Gods belofte aangetoond?
11 Het door Christus geregeerde koninkrijk van Jehova is echter in het geheel niet nationalistisch. Het is niet Joods of slechts tot de Joden beperkt. De patriarch Abraham was geen Jood en toen Jehova die getrouwe man vertelde over de zegen die door middel van de Theocratische regering van zijn Koning tot de mensen zou komen, zeide hij: „In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.” „Uw zaad zal de poorte zijner vijanden erfelijk bezitten. En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde” (Gen. 12:3; 22:17, 18). Het Zaad van Abraham is in de eerste plaats Jezus Christus. De zegen door middel van hem bestaat allereerst daarin, dat gelovigen in een rechtvaardige verhouding tot God worden gebracht, waar zij zich in zijn gunst kunnen verheugen en het vooruitzicht op eeuwig leven in zijn rechtvaardige nieuwe wereld hebben. Over deze aangelegenheid zegt de apostel Paulus: „Te voren ziende toch, dat God de heidenen regtvaardigt uit het geloof, heeft de Schrift te voren het Evangelie verkondigd aan Abraham: In u zullen gezegend worden alle de heidenen.” — Gal. 3:8, 16, Lipman.
12. Welk verloop nam het schenken van de zegen? Waarom?
12 De levengevende zegen door middel van Abrahams Zaad, Jezus Christus, moest zich daarom over alle natiën, zowel Joodse als heidense, uitstrekken. Terecht ging de zegen eerst naar de Joodse afstammelingen van Abraham. Maar toen die natie haar religieuze leiders volgde en de zegen van de hand wees omdat hij door middel van de Christus kwam, die aan een martelpaal was genageld, handelde Jehova God in overeenstemming met zijn tot Abraham gerichte woorden. Hij schonk de zegen door middel van Jezus Christus ook aan de heidense of niet-Joodse natiën. God is geen aannemer des persoons op grond van aardse nationaliteit. Het bezitten van een geloof gelijk dat van Abraham — dat telt bij God en daardoor verkrijgen wij door middel van Christus zijn zegen. — Gal. 3:9, 26-29.
DE GELIEFKOOSDE LIST VAN DE VIJAND
13. Welke dienst verrichtten Petrus en Paulus zodat heidenen konden geloven?
13 De apostel Petrus werd door God gebruikt om de sleutel der kennis te nemen en de deur der gelegenheden in verband met het Koninkrijk voor de heidense natiën, te ontsluiten, maar de apostel Paulus werd de voornaamste apostel voor de heidenen. Paulus is de enige apostel van wie de Heilige Schrift ons vertelt dat hij in Rome is gekomen (Hand. 10; Rom. 11:13; Gal. 3:7-9). Door middel van een visioen van God werd Paulus geroepen het getuigenis naar Europa te brengen. In het land dat tegenwoordig Griekenland wordt genoemd, de bakermat der democratie, werd Paulus wegens het prediken van het door Christus geregeerde koninkrijk Gods, er van beschuldigd een opruier te zijn.
14. Waar, hoe en door wie werd Paulus van opruiing beschuldigd?
14 Nadat Paulus uit iemand die als spiritistisch medium diende een demon had uitgeworpen, brachten de demonen hun religieuze slachtoffers er toe Paulus en Silas voor de politieke heersers te slepen onder de beschuldiging: „Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn. En zij verkondigen zeden, die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, alzo wij Romeinen zijn.” Door een wonder van God werden Paulus en Silas uit de kerker bevrijd. Dit geschiedde te Filippi. Doch te Thessalonica verwekten de religieuze tegenstanders een volksoploop en dit gepeupel riep luidkeels tegen Paulus en Silas en tot de politieke heersers: „Dezen, die de wereld in opschudding gebracht hebben, zijn ook hier gekomen, . . . En zij handelen allen in strijd met de geboden des keizers door te beweren, dat er een andere koning, Jezus, is.” Toen de gevangene Paulus weer in Palestina terug was en in Cesarea voor de rechtbank van de keizer stond, werd hij door zijn religieuze vervolgers bij monde van hun woordvoerder met de volgende woorden beschuldigd: „Wij hebben dezen man bevonden te zijn een pest, en een, die oproer verwekt onder al de Joden, door de ganse wereld, en een oppersten voorstander van de sekte der Nazarenen. Die ook gepoogd heeft den tempel te ontheiligen, welken wij ook gegrepen hebben, en naar onze wet hebben willen oordelen.” Maar de apostel Paulus wilde zich er niet bij neerleggen dat zij volgens hun religieuze kerkwet over hem rechtspraken. In volledige overeenstemming met zijn rechten als Romeins burger herinnerde hij de rechtbank er aan dat hij voor de rechterstoel van de keizer stond en niet voor een religieuze rechtbank. In het belang van de prediking van het evangelie beriep hij zich dus op de keizer. — Hand. 16:20, 21; 17:6, 7, NV; 24:5, 6; 25:9-12.
15. Nam door deze vervolging de prediking van het goede nieuws af? Waarom?
15 Twee jaren voor en twee jaren nadat Paulus naar Rome was gegaan, werd hij in verzekerde bewaring gehouden. Maar nam de bekendmaking van het goede nieuws af doordat er tegen hem en zijn medegetuigen zulk een vervolging was ingesteld? Neen, want Paulus gebruikte deze omstandigheden om aan heersers, aan zijn bewakers en aan allen die hij kon uitnodigen, een getuigenis te geven. Hij bewerkstelligde een verreikend getuigenis, zodat hij van het huis uit waar hij te Rome werd gevangen gehouden, schreef: „Gij moet weten, broeders, dat wat met mij geschiedt ten slotte uitgeloopen is op bevordering der zaak van Christus [het Goede Nieuws]; zoodat de geheele keizerlijke lijfwacht en alle anderen weten dat ik om Christus’ wil gevangen zit.” „De Blijmare [Het Goede Nieuws], die gij gehoord hebt, die verkondigd is aan de geheele schepping onder den hemel — waarvan ik, Paulus, een bedienaar ben geworden.” Paulus volgde zijn eigen raadgeving op: „Verkondig [Predik] het woord, dring er op aan, gelegen of ongelegen.” — Fil. 1:12, 13 en Kol. 1:23, LV; Eng. Vert. van Het N.T. der twintigste eeuw; 2 Tim. 4:2, NV.
16. Welk bevel dat Jezus bij zijn weggaan gaf, is op deze tijd van toepassing? Wie zullen het gehoorzamen?
16 De navolgers van de Koning Jezus Christus gehoorzaamden de bevelen die hij bij zijn weggaan gaf, namelijk: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op de aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.” Geen door mensen gemaakte regering van welke natie ook kan dit gezaghebbende bevel ongeldig verklaren of met succes de uitvoering er van door de volgelingen van de Koning tegengaan. Zijn bevel is van toepassing op ons die thans, in het einde dezer wereld en haar natiën, leven, en wij zullen het gehoorzamen in het belang van de toename van de belangen zijner regering. — Matth. 28:18-20, NV.
17. Hoe werd dezelfde list van de vijand in Esthers dagen beproefd? Wat waren de resultaten?
17 Zelfs vóór de tijd van Christus was het de geliefkoosde list van de vijanden van Jehova God, zijn getrouwe volk van politieke misdaden te beschuldigen ten einde hen met wereldse regeringen in verwikkeling te brengen en de macht van de staat op hen te doen neerkomen. In de dagen van koningin Esther maakte de valse aanbidder Haman van deze snode list gebruik om de volledige vernietiging van Jehova’s uitverkoren volk uit alle delen van het Perzische rijk te bewerken. Haman zeide tot keizer Xerxes: „Er is een volk, in al de provinciën van uw koninkrijk verstrooid en verspreid onder de andere; het heeft wetten welke van die van alle andere volken verschillen, en aan des konings wetten gehoorzaamt het niet. Het betaamt niet dat de koning het ongemoeid laat. Indien het den koning goeddunkt, dan worde een schriftelijk bevel uitgevaardigd om het uit te roeien” (Esther 3:7-9, LV). Haman slaagde er door middel van zijn boosaardige kuiperij niet in Jehova’s volk geheel te vernietigen of zelfs in aantal te doen afnemen. Het resultaat er van was dat hij zelf aan de kaak werd gesteld als zijnde tegen de belangen van de keizer en dat hij werd opgehangen. Zij die dus thans de uitbreiding van Gods koninkrijk trachten te belemmeren, bewerken hun eigen ondergang.
18. Waarom staan de natiën thans tegenover een vernietiging?
18 De getrouwe aankondigers van Gods koninkrijk, dat door Christus wordt geregeerd, staan in deze tijd tegenover politieke bewegingen en organisaties wier werkzaamheden zich over één halfrond of over de gehele wereld uitstrekken. De politieke heersers zijn er niet mee ingenomen dat de getuigen van Jehova moeten bekendmaken dat Hij in 1914 de teugels van de regering over de aarde weer in handen heeft genomen en het koninkrijk van zijn Zoon heeft voortgebracht. Zij hebben andere plannen voor de beheersing van de volkeren der aarde. Onder de religieuze leiding van de geestelijken der Christenheid moge het politieke element bidden: „Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde”, maar hun oorlogen om de wereldheerschappij en hun plannen voor een toekomstige beheersing der aarde logenstraffen hun gebeden en bewijzen dat zij niet wensen dat Gods koninkrijk onder Christus hen verdringt en het volk een rechtvaardige, Theocratische regering geeft. De natiën zijn bevreesd en zij wantrouwen elkaar. Er wordt uitdrukking gegeven aan bezorgdheid dat zij elkaar in een volgende oorlog, die de gehele aarde zal omvatten, met in het geheim uitgevonden wapens voor massavernietiging zullen uitroeien. De natiën staan inderdaad tegenover een vernietiging, maar dit komt doordat zij het door Christus geregeerde koninkrijk van God, de enige rechtmatige regering voor onze aardbol, van de hand wijzen. Hun vernietiging zal binnenkort komen door een daad van God, welke werd voorschaduwd door de wereldomvattende vloed van Noachs dagen. Door middel van Zijn getuigen waarschuwt Jehova thans alle volken en natiën hiervoor op een eerlijke en overvloedige wijze.
19, 20. Wie geven er blijk van dat zij vrienden dezer wereld zijn? Op welke wijze? Welk lot wacht hen?
19 De religieuze organisaties der Christenheid hebben hun lot met dat der politieke machten der aarde verbonden en zullen als Gods vijanden tezamen met hen door Zijn daad worden weggevaagd. Er staat geschreven: „Gij afvalligen! Weet gij niet dat de vriendschap der wereld vijandschap met God betekent? Zo wie een vriend der wereld wil zijn, openbaart zich als Gods vijand.” — Jak. 4:4, AV.
20 De religieuze vrienden dezer wereld zijn vijanden van het door Christus geregeerde koninkrijk Gods. Zij geven er blijk van wiens vrienden zij zijn, doordat zij voor het verdere ellendige bestaan dezer oude wereld werken en doordat zij de uitbreiding van de door Christus geregeerde Theocratie van Jehova trachten te verhinderen. Sedert de geboorte van zijn koninkrijk in 1914 zijn nieuwe politieke elementen opgekomen die posities zijn gaan innemen waardoor ze in de gehele wereld op de voorgrond treden en wereldmacht bezitten. Zij die tot in deze tijd als overheersende lichamen zijn blijven bestaan, zijn de Verenigde Natiën, de opvolger van de Volkenbond, die zulk een korte levensduur heeft gehad, en het atheïstische Communisme.
21. Hoe is de wereld verdeeld? Welk standpunt nemen Jehova’s getuigen in en welk resultaat is daardoor verzekerd?
21 Tot op heden zijn de Verenigde Natiën er niet in geslaagd de oude wereld hecht samen te voegen. De wereld is in twee blokken verdeeld, en de Grote Drie strijden voor het Westelijke blok terwijl Communistisch Rusland het Oostelijke blok commandeert. De vuren van de tweede Wereldoorlog zijn uitgegaan, maar tussen beide blokken woedt een „koude oorlog” en er wordt koortsachtig om de macht geïntrigeerd. Te midden van deze toestand waarin de wereld verkeert, staan Jehova’s getuigen en zij wijzen noch naar het Oosten noch naar het Westen, maar naar de hemel, terwijl zij Zijn door Christus geregeerde koninkrijk aankondigen als de door God gemachtigde regering, de enige regering die in staat is een rechtvaardige, vredige, gezonde nieuwe wereld in te voeren, de enige regering die de macht bezit de mensen te redden van vernietiging in de wereldcatastrophe van Armageddon. Wegens dit neutrale standpunt ten aanzien van de dodelijke conflicten dezer oude wereld en wegens hun Christelijke toewijding en verknochtheid aan Gods door zijn Zoon uitgeoefende regering der Nieuwe Wereld, worden Jehova’s getuigen door alle natiën gehaat en door de religieuze vrienden der oude wereld vervolgd. Toch zal, desondanks, hun zaak stellig toenemen en de overwinning behalen.