Onbevreesd aan het einde der wereld
„God is onze toevlucht en sterkte, een zeer nabije hulp in nood. Daarom zullen wij niet vrezen.” — Ps. 46:2, 3, King James Vert.
1. Wie leven tegenwoordig in angst, en wie niet, en waarom?
JEHOVA heeft laten optekenen dat er in de laatste dagen dezer oude wereld vele rampspoeden zouden zijn, grote boosheden zouden worden bedreven, de onderdrukkingen en smarten zich zouden vermenigvuldigen en op de mensen een alles doordringend gevoel van onzekerheid en onveiligheid zou rusten. Dit geslacht heeft de ene tegenspoed na de andere meegemaakt, totdat velen zich afvragen wat er vervolgens zal komen. Een grote angst heeft de bewoners der aarde aangegrepen. Zij weten dat er de een of andere grote catastrophe ophanden is en dat zij er niet toe in staat zijn die tegen te houden. Er zijn reeds verschrikkelijke rampen geschied en er zullen er nog meer volgen. Te midden van dit alles zijn de getrouwe Christenen het voorwerp van een intense universele haat en toch wordt hun de raad gegeven niet ontmoedigd of bang te zijn. Hun Meester zeide over de „tijd van het einde” dezer wereld, waarin wij sedert 1914 n. Chr. leven: „Wanneer gij hoort van oorlogen en beroeringen, laat u niet verschrikken; want dat alles moet eerst gebeuren, en nog komt het einde niet aanstonds” (Luk. 21:9, Leidse Vert.). En vóór die profetie had hij tot hen gezegd: „Vrees niet, klein kuddeken, want het heeft uwen Vader behaagd u het rijk te geven” dat wil zeggen, het Koninkrijk. — Luk. 12:32, Van Tich.
2. Wie dragen thans het licht? Waarom wordt er gepoogd hen bang te maken?
2 Deze tegenwoordige boze wereld is in strijd met de Almachtige Jehova en is dit steeds geweest, en er is geen hoop dat zij ooit in harmonie met Gods volmaakte wil zal komen. Overal heerst onwetendheid omtrent de Allerhoogste God; een diepe geestelijke duisternis bedekt de mensheid en verbergt de kennis van Jehova. Alleen de getrouwe navolgers van Jezus Christus kennen Jehova. Waarlijk, „duisternis bedekt de aarde, en diepe donkerheid de volken, maar op u straalt [Jehova], en zijn heerlijkheid wordt op u gezien” (Jes. 60:2, Eng. Vert. van Rotherham). Het licht moet tot in de duisternis van deze wereld doordringen om de blinde ogen te openen, door aan de millioenen der aarde de kennis van de heerlijkheid van God en van zijn geliefde Koning-Zoon te openbaren, hun de weg naar het leven te tonen en troost en vrede te brengen. Duisternis is het tegenovergestelde van licht. Het is daarom geen wonder dat er, om de lichtdragers te ontmoedigen, allerlei boze dingen over hen worden gezegd. De werkers der duisternis uiten bedreigingen tegen de kinderen des lichts om te trachten hen te intimideren en, indien mogelijk, vrees aan te jagen, zodat zij het licht niet langer zullen verspreiden. Zulk een gedrag van hen die tot deze wereld behoren, verrast dikwijls de vreedzame dienaren van het enige licht. Zij vinden het moeilijk te begrijpen, totdat zij zich herinneren wat Jezus over dergelijke ondervindingen heeft gezegd: „Gelukkig gij, zo dikwijls men u uitscheldt en vervolgt en leugenachtig alle mogelijke kwaad van u vertelt om Mij. Weest blijde en verheugd, want rijk is uw loon in de hemel. Zó ook heeft men uw voorgangers, de profeten, vervolgd.” _ Matth. 5:11, 12, De Kath. Bijbel.
3, 4. Waarvoor is het thans echter de tijd? en waarom kan dit vol vertrouwen worden gedaan?
3 De duizenden mensen van goede wil die thans het licht ontvangen, zijn geen slechte behandeling gewend. Soms rijst bij hen de vraag op of het wel raadzaam is verder te gaan wanneer zij zulk een behandeling te verduren zullen hebben, want iets vernemen over de goede dingen van Jehova’s heilige Woord en de wonderbare zegeningen die in de toekomst door middel van de nieuwe wereld verwezenlijkt zullen worden, is geheel iets anders dan de afkeuring, minachting, spot en vervolging der wereld oogsten. Toch zal het misnoegen van de Allerhoogste God worden geopenbaard, wanneer wij uit angst er voor zorgen dat wij geen verantwoordelijkheden te dragen krijgen. „Mensenvrees spant een strik; maar wie zijn vertrouwen op Jehova stelt, zal veilig zijn. Velen zoeken de gunst van de heerser; maar ’s mensen oordeel komt van Jehova” (Spr. 29:25, 26, Am. Stand. Vert.). Voordat deze oude wereld wordt vernietigd, moet er een machtig werk worden verricht. Het is thans niet de tijd om te aarzelen, om bang of bevreesd te zijn, doch het is een tijd om voorwaarts te gaan. Het is een tijd voor een moedige actie en wonderbare expansie van de zijde van alle waarachtige dienaren van God. De gehele wereld en de onzichtbare boze machten spannen al hun krachten in om deze bloei te verhinderen. Op alle mogelijke manieren wordt reeds en zal nog van haat worden blijk gegeven, alles met de bedoeling hindernissen op te richten, doch dergelijke beletselen zullen geen succes hebben. „Geen wapen dat tegen u gemaakt wordt, zal iets uitrichten, elke tong die tegen u opstaat in het gericht zult gij in het ongelijk stellen” (Jes. 54:17, Leidse Vert.). Zulke beloften zijn het erfdeel van ijverige, onbevreesde dienaren van Jehova God.
4 Tegenwoordig moeten Gods woordvoerders Zijn Woord bekendmaken aan de opstandige Christenheid, aan een halsstarrig geslacht, een hardvochtig volk, en er moeten geen woorden van de goddelijke bevelen worden afgedaan. Neen, het gehele raadsbesluit van God moet worden te kennen gegeven, ook al zal Satan, de god dezer boze wereld, trachten ons de waarheid en Gods instructies te doen vergeten. Zij die door de boze of door zijn werktuigen worden overmeesterd, zullen zich het misnoegen van Jehova op de hals halen.
5. Waarmede bevinden wij ons in vijandschap? Wiens sterkte hebben wij nodig? Waarom?
5 De onbevreesde dienaren van God bevinden zich in vijandschap met deze wereld: „De vriendschap met de wereld [is] vijandschap tegen God . . . Wie dan een vriend der wereld wil zijn, maakt zich tot een vijand van God” (Jak. 4:4, Syn. Vert.). Deze vijandschap is niet wegens verschillende politieke meningen, ideologieën, religieuze opvattingen of de rassenhaat. Neen, onze vijandschap sluit veel meer in, want het is een tegenstand tegen de gehele wereld, zowel de zichtbare als de onzichtbare. Geen enkele persoon, groep of wereldorganisatie zou in zijn eigen kracht in zulk een toestand van vervreemding van deze tegenwoordige boze wereld kunnen blijven. Het menselijke uithoudingsvermogen reikt slechts tot een bepaald punt. Geen mens van vlees en bloed kan zeer lang tegen de gehele wereld standhouden en tezamen met een impopulaire, verachte organisatie dienen, indien hij niet van de hoogste bron, de Almachtige Jehova, sterkte ontvangt. In zulk een dienst verkrijgt men geen lof van mensen, geen toejuichingen, noch dank noch eerbewijzen van de wereld en geen geldelijk noch commercieel gewin. In werkelijkheid is het zo, dat hoe meer dienst men verricht, en met hoe meer ijver, energie en toewijding men zich op het werk toelegt, hoe groter de haat en minachting van de mensen dezer wereld is. Is het daarom niet van zeer groot belang te weten hoe deze zo zeer noodzakelijke sterkte en steun kan worden verkregen?
6. Hoe kan deze noodzakelijke sterkte en steun worden verkregen?
6 Zijn Woord staat vol toezeggingen: „Hebt gij het niet vernomen? hebt gij het niet gehoord? Jahwe is een eeuwig god, de schepper van ’s aardrijks uiteinden; hij wordt moede noch mat; zijn doorzicht is niet te doorgronden. Hij geeft den moede sterkte, den machtelooze verleent hij groote kracht. Laten dan knapen moede en mat worden, laten jongelingen struikelen, zij die op Jahwe hopen, zullen steeds nieuwe kracht verzamelen, de vleugelen uitslaan als arenden, voortijlen zonder zich af te matten, loopen zonder moede te worden” (Jes. 40:28-31, Leidse Vert.). De apostel Paulus vertroostte ons met de volgende woorden: „Tot besluit, versterkt u in de Heer en in de kracht welke Zijn oppermacht verleent” (Ef. 6:10, Eng. Vert. van Weymouth). Een Amerikaanse Vertaling brengt het als volgt onder woorden: „Gij moet sterk worden door eenheid met de Heer.” Er wordt nadruk gelegd op de woorden „moet sterk worden”. Het is dus heel duidelijk, dat de macht van God niet zo maar als een kleed op ons zal vallen en ons tot machtige daden zal toerusten, doch dat iedere enkeling veeleer iets moet doen ten einde zich in de Heer te sterken. Er moet veel tijd aan studie worden besteed, opdat men de bron van sterkte leert kennen en te weten komt wie ze reeds heeft verkregen en hoe hij dit heeft bereikt. Iedere Christen wenst stellig een dappere strijder des Heren te zijn, zijn heilige werk zonder vrees te doen en de vurige pijlen van de boze te weerstaan, door volledig op Jehova en zijn glorierijke Koning-Zoon Christus Jezus te vertrouwen.
OORZAKEN VAN VREES; HOE TE OVERWINNEN?
7. Wat zijn enkele oorzaken van vrees?
7 Wat zijn enkele oorzaken van vrees? Allen zullen waarschijnlijk toegeven dat vrees de uiting van zelfzucht is. Waar volledige onzelfzuchtigheid is, is liefde. „Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde” (1 Joh. 4:18, Nw. Vert.). Deze slaafse vrees zou er stellig niet zijn, wanneer alle zelfzucht werd uitgeschakeld. Is het echter niet waar dat er, wanneer ons wordt verzocht de een of andere speciale dienst voor Jehova te verrichten, welke misschien rechtstreeks in strijd met deze wereld is, ja, in werkelijkheid wellicht zelfs een boodschap is die tegen haar is gericht, in onze geest gedachten opkomen als: Kan ik dit werk doen? Zal ik falen? Wat zal het resultaat zijn? Wat zullen de mensen denken en zeggen? Is het mogelijk dat mij of mijn familieleden letsel of gevaar dreigt? Zal dit geestelijk of lichamelijk zijn? Zal de pijn te verdragen zijn? De vreesachtige zal door vele weifelingen worden overvallen. Hij begint te aarzelen en de mensenvrees bevangt hem. Onmiddellijk vallen hem verontschuldigingen in: misschien is er iets belangrijkers te doen, iets wat de aandacht vereist, is vergeten, of misschien is zijn gezondheid niet zo goed. Angstige en bevreesde mensen zijn tevreden wanneer zij goede redenen hebben om niet voort te gaan met het werk waaraan zij bezig zijn. „De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.”
8, 9. Welke toezeggingen hebben wij die ons tegen dergelijke angsten sterken?
8 Is het werkelijk mogelijk dat een schepsel zoveel moed opbouwt, dat al deze angsten er niet zijn? Kan hij worden gesterkt tegen al deze vleselijke beperkingen en zwakheden? Jehova’s Woord geeft ons hierop een bevestigend antwoord: „Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom voorzien in heerlijkheid, in Christus Jezus” (Fil. 4:19, Nw. Vert.). De Allerhoogste verzekert ons: „Vrees niet, want ik ben met u, zie niet verbijsterd rond, want ik ben uw god, ik sterk u, ook help ik u, ik ondersteun u met mijn zegebrengende rechterhand [met de rechterhand Mijner gerechtigheid].” En verder: „Den HERE [Jehova] der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking” (Jes. 41:10, Leidse Vert.; en 8:13). Hij die de zwakheden van het menselijke vlees zo goed kent, beveelt ons, niet te vrezen.
9 Hoe kunnen wij ons dan op hem verlaten? Is het mogelijk ons leven in te zetten op de belofte van Jehova? De Schrift geeft het antwoord: „Al wat te voren geschreven werd, is tot onze leering geschreven, opdat wij, door de standvastigheid en door de bemoediging, die de Schriften ons brengen, hoop zouden behouden” (Rom. 15:4, Brouwer). Het is niet nodig te vrezen dat wij tevergeefs zullen hopen of teleurgesteld zullen worden, want de apostel zegt: ’De verdrukking werkt volharding uit, en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop; en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is.’ — Rom. 5:3-5, Nw. Vert.
10. Uit wat voor studie moeten wij derhalve sterkte putten, en waarom?
10 Wij moeten onze sterkte derhalve uit een studie van de Schrift putten, want hieruit vernemen wij wie de bron van sterkte is. Heeft de Almachtige de sterkte niet gemaakt? Hij heeft ze geschapen. Hoe meer wij over Jehova vernemen en over de wijze waarop hij zijn kracht verschaft, des te beter zullen wij in staat zijn die kracht te ontvangen. Jehova kennen, betekent, op hem vertrouwen. Onze Here Jezus is het volmaakte voorbeeld van volledig vertrouwen, want hij kende geen vrees voor mensen, noch voor de wereld, noch voor de Duivel. De waarheid maakt onze geest vrij, doet ons vrij zijn in het spreken en bevrijdt ons van ons zelf. „Jezus dan zeide tot de Joden, die in Hem geloofden: Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.” — Joh. 8:31, 32, Nw. Vert.
11. Hoe moet de waarheid worden aangenomen, en waarom?
11 De waarheid moet in zachtmoedigheid worden aangenomen. „Legt daarom alle onreinheid en uitwas van boosheid af en neemt met zachtmoedigheid het woord aan dat u is ingeprent en uw ziel kan redden” (Jak. 1:21, Leidse Vert.). De Here Jezus was zachtmoedig. Ook „de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen, die op den aardbodem waren” (Num. 12:3). Zachtmoedigheid en vreze des Heren zijn onontbeerlijke eigenschappen van een Christen, en Jehova heeft vol genade in een persoonlijke en collectieve studie voor ons voorzien, zodat wij in deze hoedanigheden kunnen toenemen. Zijn wij zachtmoedig, dan zullen wij onderwezen kunnen worden, en de getrouwe discipel zal altijd op de Heer wachten en Zijn wil trachten te doen. Dan zal het geweten te allen tijde vrij zijn van ergernis jegens de Heer, wanneer wij hem om hulp en sterkte voor zijn werk smeken. Gebrek aan zachtmoedigheid zal dikwijls tot gevolg hebben dat men in eigen kracht voorwaarts gaat en iets tot stand tracht te brengen.
12, 13. Hoe kunnen wij elkander in het geloof aanmoedigen en helpen?
12 Wanneer wij als vrienden, of voor studie en voor de dienst bijeenkomen, kunnen wij elkander in het geloof aanmoedigen en helpen. „Zoo spraken zij die Jahwe vreezen tot elkander; en toen Jahwe er naar luisterde en het hoorde, werd een gedenkboek voor hem geschreven ten bate van hen die hem vreezen en zijn naam in waarde houden. Zij zullen mij ten eigendom zijn, zegt Jahwe der heirscharen, op den dag dien ik doe aanbreken [waarop ik zal oordelen], en ik zal hen sparen, zooals iemand een zoon die hem dient, spaart” (Mal. 3:16, 17, Leidse Vert., Eng. Vert. van Douay). Tot elkander spreken, kan niet gebeuren wanneer men thuis blijft of slechts de Bijbel leest. Dit doen, moet beslist betekenen, bij elkander komen en het Woord des Heren en de werken die met de eer van zijn heilige naam in verband staan, bespreken. Het betekent, met zijn naasten spreken en hun de waarheid vertellen. Dergelijke handelingen bevallen de Heer zodanig, dat hij gebood een bericht of „gedenkboek” op te stellen: „Toen spraken de menschen, die den Heer vreezen, elk met zijn naaste. En de Heer heeft er acht op gegeven, en hij heeft het gehoord: en voor zijn aanschijn is een gedenkboek geschreven voor hen die den Heer vreezen, en zijn naam indachtig zijn. En zij zullen mij in eigendom zijn, zegt de Heer der heirscharen, ten dage waarop ik handelend zal optreden, en ik zal hun genadig zijn, gelijk een mensch zijn zoon genadig is, die hem dient.” — Mal. 3:16, 17, Belg. Prof. Bijbel.
13 Dan verklaarde de apostel Paulus: „Laat ons op elkander achtgeven, elkander aansporend tot liefde en goede werken.” „Laten wij het bijeenkomen niet veronachtzamen, gelijk sommigen doen, doch laten wij elkander aanmoedigen, des te meer, wanneer gij kunt zien dat de grote Dag naderbij komt.” Jezus zeide: „Want waar twee of drie als mijn volgelingen bijeen zijn, ben ik in het midden van hen” (Hebr. 10:24, Leidse Vert.; vers 25, Een Amer. Vert.; Matth. 18:20, Een Amer. Vert.). Op deze wijze kunnen wij de goede voornemens van de grote Jehova begrijpen en voor ons zelf een begrip van de rechtvaardige nieuwe wereld en haar Koning verkrijgen, want men moet deze waarheden zelf aannemen en er zelf van overtuigd zijn. Wanneer wij een volledig en onvoorwaardelijk vertrouwen willen bezitten, moeten wij ons deze waarheden eigen maken, zogezegd tot een deel van ons zelf, en dan zullen wij in staat zijn het uitdrukkelijke bevel te gehoorzamen: „Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid.” De waarheid is werkelijk de wapenrusting die God ons schenkt om ons in staat te stellen in deze laatste dagen de aanvallen van de boze en zijn demonen te wederstaan. — Ef. 6:11-14.