ZIMRI
(Zimri).
1. Een Simeonitische overste, de zoon van Salu, die de Midianitische vrouw Kozbi in de legerplaats van Israël bracht en in zijn tent hoererij met haar bedreef. Om die reden werden Zimri en Kozbi door Pinehas ter dood gebracht, een daad die Jehovah’s goedkeuring had. Dit snelle optreden maakte een eind aan de gesel waardoor reeds duizenden schuldige Israëlieten terechtgesteld waren. — Num. 25:6-8, 14-18.
2. De vijfde koning van het tienstammenrijk Israël. Zimri regeerde omstreeks 951 v.G.T. zeven dagen in Tirza. Voordien was hij onder koning Ela overste van de helft van de wagens geweest, maar toen het leger afwezig was omdat het voor Gibbethon lag, bracht Zimri koning Ela, die thuisgebleven was, en alle overigen van het huis van Baësa ter dood en maakte zichzelf tot koning. Zijn regering was van zeer korte duur, want het leger riep Omri tot koning uit en keerde ogenblikkelijk terug om Tirza te belegeren, waarop Zimri het huis van de koning boven zich verbrandde. Zimri staat erom bekend dat hij deed wat slecht was in Jehovah’s ogen (1 Kon. 16:3, 4, 9-20). Izebels laatste woorden herinnerden aan de gevolgen die Zimri had ondervonden. Toen Jehu zegevierend Jizreël binnenreed, riep zij honend vanuit het venster: „Is het goed gegaan met Zimri, de doder van zijn heer?” — 2 Kon. 9:30, 31.