WILG
[Hebreeuws: tsaf·tsa·fahʹ].
De Hebreeuwse naam van deze boom stemt overeen met het Arabische woord safsaf, dat voor de wilgeboom wordt gebruikt. Er komen in Palestina vier soorten wilgen voor, waarvan er een wordt aangeduid met de botanische naam Salix safsaf, maar de meest algemene is de Salix acmophylla. Het Hebreeuwse woord komt slechts eenmaal voor, en wel in Ezechiël 17:5, waar het symbolische „zaad van het land” — waarmee kennelijk op Zedekia wordt gedoeld — in figuurlijke zin door de koning van Babylon wordt geplant als „een wilg aan uitgestrekte wateren”. Wilgen vindt men langs rivieroevers en ondiepe stromen en op andere vochtige plaatsen, waar ze als stekken snel uitlopen en opgroeien. Ze worden nooit zo hoog als populieren maar groeien uit tot struiken of kleine bomen en vormen dikwijls bosjes langs de waterlopen. Hun schoonheid ligt in hun lange, smalle bladeren, die sierlijk van de ranke takken en twijgen omlaaghangen.