POPULIEREN
[Hebreeuws: ‛ara·vimʹ (meervoud)].
De Hebreeuwse naam voor deze boom komt overeen met de Arabische naam gharab, die nog steeds ter aanduiding van de Eufraat-populier gebruikt wordt. Hoewel de populier en de wilg tot hetzelfde geslacht behoren, uiterlijk op elkaar lijken en beide in het Midden-Oosten algemeen voorkomen, kiezen moderne lexicografen in vertalingen voor de populier (Populus euphratica). — Zie Koehler-Baumgartner, Lexicon in Veteris Testamenti Libros, blz. 733; Brown-Driver-Briggs, A Hebrew and English Lexicon of the Old Testament, blz. 788; The Westminster Dictionary of the Bible, blz. 639.
De populier komt aan de oevers van de Eufraat veelvuldig voor (terwijl de wilg daar betrekkelijk zeldzaam is) en past dus zeer goed in het in Psalm 137:1, 2 geschetste beeld, waar beschreven wordt dat de wenende joodse gevangenen hun harpen aan de populierbomen hingen. De kleine, stevige, hartvormige bladeren van de Eufraat-populier (ook wel esp genoemd) zitten aan afgeplatte stelen die schuin van de hoofdstengel afhangen, met als gevolg dat ze bij het geringste zuchtje wind heen en weer wiegen, wat de gedachte kan oproepen aan de bewegingen die mensen maken wanneer zij in droefheid wenen.
Eufraat-populieren treft men van Syrië tot Palestina ook aan langs de oevers van rivieren en stroompjes, en vooral in het Jordaandal. Daar vormen ze samen met tamarisken vaak dicht struikgewas, terwijl ze elders wel 9 tot 14 m hoog worden. Overal waar de bijbel over deze populierbomen spreekt, worden ze met waterlopen of ’stroomdalen’ in verband gebracht. Ze behoorden tot de bomen waarvan de takken bij het Loofhuttenfeest gebruikt werden (Lev. 23:40); ze boden de machtige „Behemoth” (het nijlpaard) beschutting langs de rivier (Job 40:15, 22); en het gemak waarmee ze op waterrijke plaatsen uitspruiten, wordt in Jesaja 44:3, 4 gebruikt om de snelle groei en toename te beschrijven die de uitstorting van Jehovah’s zegeningen en geest met zich brengt.