WEDUWE
[Hebreeuws: ’al·ma·nahʹ, weduwe; Grieks: cheʹra, weduwe (in overdrachtelijke zin ook beroofde)].
Een vrouw die haar echtgenoot in de dood heeft verloren en niet hertrouwd is. Door de dood van de echtgenoot werd de huwelijksverbintenis verbroken, zodat de weduwe de vrijheid kreeg te hertrouwen indien zij dat verkoos (Ruth 1:8-13; Rom. 7:2, 3; 1 Kor. 7:8, 9). Onder de patriarchale regeling, en later onder de Mozaïsche wet, moest de broer van een kinderloos gestorven man de weduwe van zijn broer tot vrouw nemen en een kind bij haar verwekken om de geslachtslijn van haar overleden echtgenoot in stand te houden. — Gen. 38:8; Deut. 25:5-10; Ruth 4:3-10; zie ZWAGERHUWELIJK.
Na de dood van haar huwelijkspartner kon een weduwe terugkeren naar het huis van haar vader (Gen. 38:11). Voor de dochter van een priester was in de Wet een speciale voorziening getroffen als zij weduwe werd of gescheiden was. Aangezien de priester tienden ontving voor het levensonderhoud van zijn huisgezin, mocht de dochter in deze voorziening delen. Hierdoor werd voorkomen dat zij tot armoede verviel en er smaad op de priesterschap werd geworpen (Lev. 22:13). Ten behoeve van weduwen die niet zo’n ondersteuning of bescherming genoten, waren er in Gods wet voorzieningen getroffen dat zij het recht hadden om nalezingen te houden op de velden en in de olijfbosjes en wijngaarden (Deut. 24:19-21), mochten deelnemen aan de jaarlijks te vieren feesten, waar een overvloed van alles was (Deut. 16:10-14), en elk derde jaar hun deel kregen van de tienden die door de natie werden bijgedragen. — Deut. 14:28, 29; 26:12, 13.
JEHOVAH EN JEZUS CHRISTUS BEKOMMEREN ZICH OM WEDUWEN
Jehovah sprak over zichzelf als Degene „die de vaderloze jongen en de weduwe recht verschaft” (Deut. 10:18). In de Wet wordt uitdrukkelijk bevolen weduwen volledig en onpartijdig recht te verschaffen (Ex. 22:22-24; Deut. 24:17). Wie het recht van weduwen boog, werd vervloekt (Deut. 27:19), en in de geschriften van de profeten werd krachtig aangedrongen op een juiste behandeling van weduwen. — Jes. 1:17, 23; 10:1, 2; Jer. 22:3; Ezech. 22:7; Zach. 7:9, 10; Mal. 3:5.
Jezus gaf blijk van zijn bezorgdheid voor het welzijn van de weduwen in Israël toen hij de schriftgeleerden veroordeelde omdat zij ’de huizen der weduwen verslonden’. — Mark. 12:38-40; Luk. 20:46, 47.
ONDERSTEUNING VAN WEDUWEN IN DE CHRISTELIJKE GEMEENTE
Tijdens de noodsituatie die kort na de pinksterdag in 33 G.T. in de christelijke gemeente ontstond, werden de Griekssprekende weduwen bij de dagelijkse voedselverdeling over het hoofd gezien. Toen dit onder de aandacht van de apostelen werd gebracht, achtten zij de kwestie zo belangrijk dat zij „zeven goed bekendstaande mannen . . . vol van geest en wijsheid” aanstelden, die erop moesten toezien dat het voedsel eerlijk werd verdeeld. — Hand. 6:1-6.
In 1 Timotheüs 5:3-16 gaf de apostel Paulus uitvoerige instructies betreffende de liefdevolle zorg voor weduwen in de christelijke gemeente. De gemeente moest voor behoeftige weduwen zorgen. Maar indien een weduwe kinderen of kleinkinderen had, moesten die de verantwoordelijkheid op zich nemen in haar behoeften te voorzien, of, zoals Paulus gebood: „Indien een gelovige vrouw weduwen heeft [d.w.z. onder haar familieleden], laat zij hen dan bijstaan, zodat de gemeente er niet mee belast wordt. Deze kan dan degenen bijstaan die werkelijk weduwen [d.w.z. werkelijk zonder hulp achtergebleven] zijn.” Een weduwe werd op de lijst voor materiële hulp door de gemeente geplaatst wanneer zij „niet minder dan zestig jaar oud” was en een goed bericht van een hoge moraal, getrouwe liefdevolle toewijding aan Jehovah en gastvrijheid en liefde voor anderen had opgebouwd. Anderzijds raadt de apostel jongere weduwen aan te hertrouwen, kinderen te baren en een huishouding te besturen, en aldus te vermijden dat hun seksuele driften hun tot een strik worden en zij gevaar lopen ’zonder bezigheid en praatzuchtig te zijn en zich met andermans zaken in te laten’.
Jezus’ halfbroer Jakobus maakte duidelijk hoe belangrijk het was voor wezen en weduwen te zorgen in hun verdrukking, door die zorg als vereiste voor een aanbidding die van het standpunt van God uit bezien rein en onbesmet is, op één lijn te stellen met de verplichting zichzelf onbevlekt van de wereld te bewaren. — Jak. 1:27.
Weduwen met een opmerkelijk geloof waren onder anderen Tamar (Gen. 38:6, 7), Naomi en Ruth (Ruth 1:3-5), Abigaïl (1 Sam. 25:37, 38, 42), de weduwe van Sarfath (1 Kon. 17:8-24) en de profetes Anna (Luk. 2:36, 37; vergelijk Lukas’ beschrijving van Anna met de in een vorige paragraaf besproken, door Paulus in 1 Timotheüs 5:3-16 uiteengezette vereisten waaraan een weduwe moest voldoen om voor ondersteuning in aanmerking te komen). Ook werd een niet met name genoemde weduwe door Jezus hoog geprezen omdat zij alles wat zij bezat als bijdrage aan de tempel schonk. — Mark. 12:41-44.
FIGUURLIJK GEBRUIK
Verworpen en verlaten steden worden symbolisch met weduwen vergeleken (Klaagl. 1:1; vergelijk Jeremia 51:5). Babylon de Grote, „de grote stad, die een koninkrijk over de koningen der aarde heeft”, pocht net als haar prototype, het oude Babylon, dat zij nooit weduwe zal worden. Niettemin zal het hedendaagse Babylon de Grote net als het oude Babylon wel degelijk „weduwe” worden. — Jes. 47:8, 9; Openb. 17:18; 18:7, 8.