WIEL, RAD.
De historische oorsprong van het wiel of rad is niet precies bekend. In de oudheid maakte men een uit aaneengeklonken planken bestaande houten schijf en voorzag die van een velg. Het type met spaken werd gebruikt voor strijdwagens en andere voertuigen (Ex. 14:25; Jes. 5:28; 28:27). De tien koperen wagentjes die Salomo voor gebruik in Jehovah’s tempel maakte, hadden elk twee koperen assen en vier op de wielen van strijdwagens gelijkende, 1 1/2 el hoge koperen wielen met naven, spaken en velgen. — 1 Kon. 7:27-33.
De pottenbakker maakte aardewerken vaten op een ronddraaiende horizontale schijf, die een pottenbakkersschijf of -wiel werd genoemd (Jer. 18:3, 4). Ook kon men met een touw dat aan een soort rad, wiel of windas bevestigd was, een emmer in een regenput laten zakken en weer ophijsen. — Pred. 12:6.
FIGUURLIJK GEBRUIK
Volgens de Hebreeuwse masoretische tekst luidt Spreuken 20:26: „Een wijze koning verstrooit goddelozen, en hij wentelt een rad over hen heen.” Dit kan een toespeling zijn op de handelwijze van een koning die te vergelijken is met de wijze waarop het wiel bij het dorsen van graan werd gebruikt. (Vergelijk Jesaja 28:27, 28.) De beeldspraak schijnt te kennen te geven dat een wijze koning prompt handelt wanneer het erom gaat goddelozen van rechtvaardigen te scheiden en de goddelozen zal straffen. Op die manier wordt het kwaad in zijn rijk beteugeld. (Vergelijk Spreuken 20:8.) Met een geringe verandering zegt dit vers echter dat een wijze koning „hun eigen schadelijkheid” over hen heen wentelt.
De onbeheerste tong is een „vuur” dat „het rad van het natuurlijke leven in vlam [zet]”. De hele levensloop van een persoon kan door de tong in vlam worden gezet, zoals een oververhitte as een wiel vlam kan doen vatten. — Jak. 3:6.
Toen Ezechiël zich in het vijfde jaar van koning Jojachins ballingschap aan de rivier de Kebar in het land der Chaldeeën bevond, zag hij in een visioen Jehovah, rijdend op een zich snel voortbewegend hemels voertuig dat op een wagen leek. De vier wielen hadden velgen vol ogen, en binnen in elk wiel was nog een wiel, naar het schijnt loodrecht op het eerste, waardoor het mogelijk werd gemaakt voorwaarts of naar beide kanten zijwaarts te gaan zonder de hoek waaronder de wielen stonden, te veranderen. Naast elk wiel was een cherub, en deze op cherubs gelijkende levende schepselen bewogen zich samen met de wielen daarheen waar de geest hen leidde (Ezech. 1:1-3, 15-21; 3:13). Het jaar daarop kreeg Ezechiël een soortgelijk visioen, maar ditmaal speelde het zich vóór de in Jeruzalem gebouwde tempel van Salomo af. In dit visioen werd te kennen gegeven dat die stad en de tempel weldra verwoest zouden worden wanneer Jehovah’s rechterlijke beslissing voltrokken werd (Ezech. 8:1-3; 10:1-19; 11:22). Zo’n 60 jaar later zag Daniël in een visioen de Oude van Dagen, Jehovah, gezeten op een hemelse troon die met wielen was uitgerust. Zowel de troon als de wielen waren vuurvlammen, waarmee de nadering van een vurig goddelijk oordeel over de wereldmachten werd aangeduid. — Dan. 7:1, 9, 10; Ps. 97:1-3.