TRIOMFTOCHT.
Het Griekse woord thri·am·beuʹo, dat „in een triomftocht meevoeren” betekent, komt slechts tweemaal in de Schrift voor, beide keren in een iets andere illustratieve omlijsting. — 2 Kor. 2:14; Kol. 2:15.
In de Psalmen beschreef David Jehovah’s zegevierende optocht van de Sinaï naar het heilige tempelterrein in Jeruzalem — strijdwagens van God, gevangenen, zangers en musici, en bijeengekomen menigten die de Heilige Israëls zegenden. — Ps. 68:17, 18, 24-26.
TRIOMFTOCHTEN ONDER DE NATIËN
Egypte, Assyrië en andere natiën gedachten hun militaire overwinningen met triomftochten. In de dagen van de Romeinse republiek was een van de hoogste eerbewijzen die de senaat een zegevierende generaal kon verlenen, hem zijn overwinning te laten vieren met een plechtige en kostbare triomftocht, waarin alle denkbare pracht en praal tentoon werd gespreid. Dit feit werpt licht op Paulus’ geestelijke toepassing van de illustratie in 2 Korinthiërs 2:14-16.
Ter ere van sommige generaals werden triomfbogen gebouwd. De Titusboog in Rome herinnert nog steeds aan de val van Jeruzalem in 70 G.T. Titus vierde zijn overwinning op Jeruzalem met een triomftocht in gezelschap van zijn vader, keizer Vespasianus. Sommige bogen fungeerden als stadspoorten, maar voor het merendeel dienden ze uitsluitend als monument. Het ontwerp van de bogen stelde mogelijk het juk van onderwerping voor waar gevangenen onderdoor moesten marcheren.
CHRISTENEN NEMEN AAN EEN TRIOMFTOCHT DEEL
Aan zulke voorbeelden en aan de algemene kennis van die tijd ontleende Paulus zijn beeldspraak toen hij aan de Korinthiërs schreef: „God zij gedankt, die ons altijd in een triomftocht meevoert in gezelschap van de Christus” (2 Kor. 2:14-16). Het beeld dat wordt opgeroepen, stelt Paulus en medechristenen voor als toegewijde onderdanen van God, „in gezelschap van de Christus”, die als zonen, hoge officieren en zegevierende soldaten allen deel uitmaken van Gods gevolg en door hem worden aangevoerd in een grootse triomftocht langs een geurige route.
In Kolossenzen 2:15 is de situatie heel anders. Hier worden de (satanische) vijandelijke regeringen en autoriteiten beschreven als de gevangenen in de triomftocht. Dezen worden door de Overwinnaar Jehovah naakt uitgekleed en in het openbaar tentoongesteld als verslagenen, degenen die „door middel ervan”, d.w.z. door middel van de in het vorige vers genoemde „martelpaal”, zijn overwonnen. Christus’ dood aan de martelpaal verschafte niet alleen de basis voor de verwijdering van „het met de hand geschreven document”, het Wetsverbond, maar maakte het voor christenen ook mogelijk bevrijd te worden uit knechtschap aan de satanische machten der duisternis.