TENTENMAKER.
Iemand die tenten vervaardigt of repareert. In Handelingen 18:3 wordt in verband met het ambacht dat Paulus, Aquila en Priskilla uitoefenden, de Griekse term ske·no·poiʹos gebruikt. Er bestaan verschillende meningen over wat degene die door dit woord wordt aangeduid, nu precies voor ambacht uitoefende (tentenmaker, tapijtwever of touwslager); talloze geleerden erkennen echter dat „er geen reden schijnt te zijn om van de vertaling ’tentenmakers’ af te stappen”. — The Expositor’s Greek Testament, Deel II, blz. 385.
Toen Paulus Korinthe voor het eerst bezocht, logeerde hij bij Aquila en Priskilla „omdat zij hetzelfde ambacht uitoefenden” (Hand. 18:1-3). De apostel Paulus was afkomstig uit Tarsus in Cilicië, een gebied dat bekendstond om zijn geiteharen doek, cilicium genaamd, waarvan tenten werden gemaakt (Hand. 21:39). Onder de joden in de 1ste eeuw G.T. werd het als eervol beschouwd om een jongen een ambacht te leren, ook wanneer hij een hogere opleiding zou gaan volgen. Paulus heeft dus waarschijnlijk als jongen ervaring in het maken van tenten opgedaan. Mogelijk heeft de apostel ook in Thessalonika (1 Thess. 2:9; 2 Thess. 3:8) en in andere plaatsen (Hand. 20:34, 35; 1 Kor. 4:11, 12) als tentenmaker gewerkt. Het was geen gemakkelijk werk, want naar verluidt was cilicium gewoonlijk stug en ruw, en derhalve moeilijk te snijden en te naaien.