OOIEVAAR
[Hebreeuws: chasi·dhahʹ].
De naam van deze vogel is klaarblijkelijk afgeleid van het Hebreeuwse woord cheʹsedh, dat in Genesis 19:19 voorkomt en liefderijke goedheid of loyale liefde betekent. De naam chasi·dhahʹ heeft dus betrekking op een goedaardig en trouw schepsel, en deze beschrijving past heel goed bij de ooievaar, want hij is erom bekend dat hij tedere zorg voor zijn jongen heeft en zijn partner levenslang trouw blijft.
De ooievaar is net als de ibis en de reiger een grote langpotige waadvogel. De witte ooievaar (Ciconia ciconia) is op de slagpennen na, die glanzend zwart zijn, wit gevederd. Een volwassen ooievaar kan een hoogte van wel 1,2 m bereiken, en zijn lichaamslengte bedraagt ongeveer 1 m; hij heeft een magnifieke spanwijdte van ruim 2 m. Op zijn lange rode poten waadt hij onelegant door moerassen of schrijdt hij door weiden en zoekt met zijn lange rode kegelvormige snavel in de modder naar kikkers, vissen of kleine reptielen. Behalve kleine waterdiertjes voedt hij zich ook met sprinkhanen en soms zelfs met aas en afval. De ooievaar kwam voor op de lijst van onreine dieren die de Israëlieten volgens het Wetsverbond niet mochten eten. — Lev. 11:19; Deut. 14:18.
Toen de profeet Jeremia de afvallige bewoners van Juda berispte omdat zij de tijd van Jehovah’s oordeel niet onderscheidden, vestigde hij hun aandacht op de ooievaar en andere vogels, die ’hun bestemde tijden heel goed kennen’ (Jer. 8:7). De ooievaar trekt regelmatig van zijn winterkwartier in Afrika door Palestina en Syrië, en in maart en april vertoont hij zich in grote groepen. Van de twee soorten ooievaars die in Palestina voorkomen, de witte ooievaar en de zwarte ooievaar (Ciconia nigra), blijft de eerste slechts af en toe achter om in die streek te broeden; vaak bouwt hij zijn nest op een huis, maar hij nestelt ook wel in een boom. De zwarte ooievaar, zo genoemd om zijn zwarte kop, nek en rug, komt veelvuldiger voor in het gebied rond de Dode Zee en in Basan en zoekt naar bomen om daar zijn nest te bouwen. De psalmist vermeldt dat de ooievaars in de hoge jeneverbomen nestelen. — Ps. 104:17.
Jehovah vergeleek de struisvogel, die niet kan vliegen, met de ooievaar, die bij het vliegen een aanzienlijke hoogte kan bereiken, en vroeg aan Job: „Heeft de vleugel van de wijfjesstruisvogel vrolijk geklapwiekt, of heeft ze de wieken van een ooievaar en het gevederte?” (Job 39:13) Daar de slagpennen van de ooievaar zeer breed en krachtig zijn en de kleine slagpennen en de armpennen bijna even lang zijn als de grote slagpennen, hebben de vleugels een groot oppervlak, wat de ooievaar in staat stelt zeer hoog en zeer lang zonder onderbreking te vliegen. Een ooievaar die met behulp van zijn krachtige vleugels met uitgestrekte hals en recht naar achteren gestrekte poten op grote hoogte zweeft, biedt een imposant gezicht. De twee vrouwen die Zacharia in een visioen zag (5:6-11) en die een efa-maat droegen waarin zich de vrouw genaamd „Goddeloosheid” bevond, hadden „vleugels als de vleugels van de ooievaar”. De vermelding van de ’wind in hun vleugels’ (vs. 9) strookt ook met het geruis dat ontstaat wanneer er lucht door de wieken van een ooievaar stroomt. De uiteinden van de grote slagpennen zijn in de vlucht breed gevingerd, zodat aan de vleugeltoppen gleuven ontstaan; daardoor wordt de luchtstroom langs de bovenkant van de vleugels gereguleerd en ontstaat er een opwaartse druk.