VOORRAADSCHUUR.
Een pakhuis of opslagplaats, een gebouw waarin levensmiddelen, wijn, olie, ook kostbare metalen of edelstenen en andere dingen bewaard worden. Schuren, torens en andere opslagruimten waren in de oudheid heel gebruikelijk (1 Kron. 27:25; 2 Kron. 32:27, 28; Joël 1:17; Hag. 2:19), en bepaalde steden dienden voornamelijk als opslagcentra. — Ex. 1:11.
In plaats van vertrouwen in aardse goederen te stellen en die derhalve in grote hoeveelheden op te slaan, is het beter de raad van de wijze spreukendichter op te volgen: „Eer Jehovah met uw waardevolle dingen . . . Dan zullen uw voorraadruimten met overvloed gevuld worden” (Spr. 3:9, 10). Dit werd geïllustreerd in hetgeen de natie Israël ervoer, die, wanneer ze Jehovah gehoorzaam diende en al de tienden in het heiligdom bracht, met overvloed gezegend werd (Deut. 28:1, 8; 1 Kon. 4:20; 2 Kron. 31:4-10; Mal. 3:10). In Psalm 144:11-15 gebruikt koning David kennelijk een tegenstelling om aan te tonen welk volk werkelijk gelukkig is. Met het oog op de context (zie vers 11, 12) schijnt het voor de hand te liggen dat hij degenen beschrijft die hun vertrouwen in hun voorraad aan materiële goederen stellen en zich op hun rijkdom beroemen door te zeggen: „Onze voorraadschuren [zijn] vol, produkten van het ene soort na het andere leverend, . . . Gelukkig het volk dat het evenzo vergaat!” Maar Davids volgende woorden: „Gelukkig het volk dat Jehovah tot God heeft!” zijn kennelijk bedoeld om erop te wijzen wat in tegenstelling tot materiële rijkdom de ware Bron van geluk is.
FIGUURLIJK GEBRUIK
Johannes de Doper waarschuwde de Farizeeën en Sadduceeën voor de gevaarlijke situatie waarin zij zich bevonden, door personen die oprecht berouw hadden met tarwe te vergelijken, die wordt bijeengebracht, maar die leiders met kaf. Hij zei tot hen: „Hij die na mij komt . . . [zal] zijn tarwe in de voorraadschuur bijeenbrengen, maar het kaf zal hij verbranden met vuur dat niet uitgedoofd kan worden” (Matth. 3:7-12; Luk. 3:16, 17). Jezus voorzei een „oogst”, die hij vergeleek met „een besluit van een samenstel van dingen” en waarin de engelen als „oogsters” het symbolische „onkruid” zouden verzamelen om verbrand te worden, terwijl de „tarwe” in Gods „voorraadschuur” bijeengebracht zou worden, kennelijk een toestand waarin zij hersteld en bijeengebracht zouden zijn en Gods gunst en bescherming zouden genieten. — Matth. 13:24-30, 36-43.
Jehovah spreekt over dingen die hij door middel van natuurkrachten of natuurwetten met grenzen heeft omgeven of die hij voor speciale doeleinden gereedhoudt, alsof ze zich in „voorraadschuren” bevinden. Van de zee wordt gezegd dat ze ’vergaderd is als door een dam en in voorraadschuren is geplaatst’ (Ps. 33:7). Ook met betrekking tot andere natuurverschijnselen die hij soms tegen zijn vijanden heeft aangewend, stelde hij Job de vraag: „Zijt gij doorgedrongen tot de voorraadschuren van de sneeuw, of ziet gij zelfs de voorraadschuren van de hagel, die ik teruggehouden heb voor de tijd van benauwdheid, voor de dag van strijd en oorlog?” (Job 38:22, 23; vergelijk Jozua 10:8-11; Rechters 5:20, 21; Psalm 105:32; 135:7) Zelfs de legers van de Meden en Perzen onder koning Cyrus werden door Jehovah tot de „wapenen van zijn openlijke veroordeling” gerekend die hij uit zijn „voorraadschuur” te voorschijn haalde om ze tegen Babylon in actie te brengen. — Jer. 50:25, 26.