ZOON (ZONEN) VAN GOD.
De uitdrukking „Zoon van God” heeft in eerste instantie betrekking op Christus Jezus. — Zie ENIGGEBOREN; JEZUS CHRISTUS; WOORD, HET.
Omdat Jezus over God als zijn Vader sprak, beschuldigden zekere vijandig gezinde joden hem van lastering met de woorden: „Gij, hoewel gij een mens zijt, [maakt] uzelf tot een god” (Joh. 10:33). In het Grieks staat op deze plaats geen lidwoord, anders zou de uitdrukking specifiek op „God” (dat wil zeggen „de God”) slaan. In het koiʹne-Grieks bestaat geen onbepaald lidwoord (dat met ons „een” overeenkomt). De meeste Nederlandse vertalingen zeggen op deze plaats „tot God maakt”. Maar in Het Nieuwe Testament, bewerkt door H. Bakels, staat: „u-zelven tot een God maakt”. De interlineaire tekst van The Emphatic Diaglott spreekt over „een god”. Een ondersteuning voor de weergave „een god” is vooral te vinden in Jezus’ antwoord, waarin hij woorden uit Psalm 82:1-7 aanhaalt. In deze tekst worden mensen niet als „God”, maar als „goden” en „zonen van de Allerhoogste” aangeduid.
Volgens de context waren degenen die Jehovah „goden” en „zonen van de Allerhoogste” noemde, Israëlitische rechters die onrechtvaardig rechtspraken, zodat het noodzakelijk werd dat Jehovah zelf ’te midden van deze goden rechtsprak’ (Ps. 82:1-6, 8). Aangezien Jehovah deze uitdrukkingen op zulke mannen toepaste, maakte Jezus zich beslist niet aan lastering schuldig toen hij zei: „Ik ben Gods Zoon.” Terwijl de werken van deze als „goden” aangeduide rechters de aanspraak die zij erop maakten „zonen van de Allerhoogste” te zijn, logenstraften, bewezen Jezus’ werken voortdurend dat hij in eendracht, in volledige overeenstemming en harmonie met zijn Vader was. — Joh. 10:34-38.
„ZONEN VAN DE WARE GOD”
In Genesis 6:2-4 wordt voor het eerst over „zonen van de ware God” gesproken. Daar wordt van deze zonen gezegd dat zij „de dochters der mensen gingen gadeslaan en bemerkten dat zij mooi waren; en zij gingen zich vrouwen nemen, namelijk allen die zij verkozen”. Dat gebeurde vóór de Vloed. Vervolgens komt de uitdrukking „zonen van de ware God” voor in Job 1:6, en hier heeft ze blijkbaar betrekking op geestenzonen van God, die in Gods tegenwoordigheid vergaderd waren en onder wie zich ook Satan bevond, die „van het omtrekken op de aarde” terugkwam (Job 1:7; zie ook 2:1, 2). Bij de in Job 38:4-7 genoemde „zonen Gods”, die „juichend hun instemming betuigden” toen God ’de hoeksteen van de aarde legde’, kan er eveneens alleen maar sprake zijn geweest van engelenzonen en niet van menselijke nakomelingen van Adam (die toen nog niet eens geschapen was). Zo zijn ook de „zonen van God” in Psalm 89:6 beslist hemelse schepselen en geen aardbewoners. Blijkbaar zijn de in Genesis hoofdstuk 6 genoemde „zonen van de ware God” dus eveneens engelen.
Het kan heel goed zijn dat er in het Genesisverslag melding wordt gemaakt van het feit dat engelenzonen van God zich in de menselijke aangelegenheden mengden omdat hierin nu juist voor een groot deel de verklaring ligt voor de ernst van de situatie die zich voorafgaande aan de Vloed op aarde had ontwikkeld. Deze zienswijze wordt niet alleen ondersteund door Petrus’ vermelding van „de geesten in de gevangenis, die eens ongehoorzaam waren geweest, toen het geduld van God wachtte in de dagen van Noach” (1 Petr. 3:19, 20), en van „de engelen die zondigden” en die genoemd worden in verband met de „wereld uit de oudheid” in de tijd van Noach (2 Petr. 2:4, 5), maar ook door de woorden van Judas betreffende „de engelen die hun oorspronkelijke positie niet hebben behouden maar hun eigen juiste woonplaats hebben verlaten” (Jud. 6). Wanneer men ontkent dat de in Genesis 6:2-4 genoemde „zonen van de ware God” geestelijke schepselen waren, zouden deze verklaringen van de christelijke bijbelschrijvers onbegrijpelijk worden en zou men in het duister tasten met betrekking tot de soort van ongehoorzaamheid waaraan deze engelen zich schuldig maakten en wat dit alles met Noachs tijd te maken heeft.
Er bestaat geen twijfel over dat engelen soms een menselijk lichaam hebben aangenomen en zelfs met mensen gegeten en gedronken hebben (Gen. 18:1-22; 19:1-3). Uit Jezus’ verklaring dat in de opstanding mannen niet huwen en vrouwen niet ten huwelijk worden gegeven, maar dat zij „als engelen in de hemel” zullen zijn, blijkt dat deze hemelse schepselen geen huwelijk kennen, en niets wijst erop dat er mannelijke en vrouwelijke engelen bestaan (Matth. 22:30). Dit betekent echter niet dat engelen geen menselijk lichaam konden aannemen om met vrouwen op aarde een huwelijk aan te gaan. Er dient te worden opgemerkt dat op Judas’ woorden betreffende engelen die hun oorspronkelijke positie niet hebben behouden maar hun „juiste woonplaats” hebben verlaten (waarmee ongetwijfeld het verlaten van het geestenrijk wordt bedoeld), onmiddellijk de verklaring volgt: „Zo zijn ook Sodom en Gomorra en de omliggende steden, nadat ze op dezelfde wijze als de voornoemden buitensporig hoererij hadden bedreven en vlees waren achternagegaan voor tegennatuurlijk gebruik, ons tot een waarschuwend voorbeeld gesteld” (Jud. 6, 7). Al dit schriftuurlijke bewijsmateriaal duidt er derhalve op dat in de tijd van Noach bepaalde engelen afvallig werden en dingen deden die tegen hun natuur als geestelijk schepsel in druisten. Er schijnt dus geen deugdelijke reden te zijn om eraan te twijfelen dat de in Genesis 6:2-4 genoemde ’zonen van God’ engelenzonen waren. — Zie ELOHIM (Engelen); NEFILIM.
DE EERSTE MENSELIJKE ZOON EN ZIJN NAKOMELINGEN
Adam was de eerste menselijke „zoon van God” omdat hij door God werd geschapen (Gen. 2:7; Luk. 3:38). Aangezien hij uit Gods heiligdom in Eden werd verdreven en als een moedwillige zondaar ter dood werd veroordeeld, werd hij feitelijk door God verstoten en kwam er een einde aan de verhouding waarin hij als zoon tot zijn hemelse Vader stond. — Gen. 3:17-24.
Adams nakomelingen werden met overgeërfde zondige neigingen geboren. (Zie ZONDE.) Als nakomelingen van een door God verworpen mens konden zij er geen aanspraak op maken dat zij louter op grond van hun geboorte zonen van God waren. Dit blijkt uit de woorden van de apostel Johannes in Johannes 1:12, 13. Hij maakt duidelijk dat aan degenen die Christus Jezus ontvingen door geloof te oefenen in zijn naam, de macht werd gegeven „Gods kinderen te worden, . . . en zij zijn niet uit bloed noch uit een vleselijke wil of uit de wil van een man geboren, maar uit God”. Daarom worden Adams nakomelingen bij de geboorte niet automatisch zonen van God. Deze en andere teksten tonen aan dat mensen na Adams zondeval op een speciale manier door God erkend moesten worden, opdat zij als zijn „zonen” konden worden aangeduid. Dit wordt geïllustreerd door zijn bemoeienissen met Israël.
„ISRAËL IS MIJN ZOON”
Tot Farao, die zichzelf als een god en een zoon van de Egyptische god Re beschouwde, liet Jehovah zeggen: „Israël is mijn zoon, mijn eerstgeborene”; bovendien beval hij de Egyptische heerser: „Zend mijn zoon heen, opdat hij mij moge dienen” (Ex. 4:22, 23). God bezag het gehele volk Israël dus als zijn „zoon” omdat het zijn uitverkoren volk was, een „speciaal bezit” uit alle volken (Deut. 14:1, 2). Niet alleen omdat Jehovah de Bron van alle leven is, wordt hij als „Schepper”, „Formeerder” en „Vader” van dit naar zijn naam genoemde volk aangeduid, maar meer in het bijzonder omdat hij het in overeenstemming met het Abrahamitische verbond had voortgebracht. (Vergelijk Psalm 95:6, 7; 100:3; Jesaja 43:1-7, 15; 45:11, 12, 18, 19; 63:16.) Hij was hen ’zelfs van de buik af blijven helpen’, wat blijkbaar betekent helemaal vanaf het begin, toen zij zich als volk begonnen te ontwikkelen, en hij ’formeerde’ hen door zijn bemoeienissen met hen en door het Wetsverbond, dat Israël tot een onderscheiden natie met een eigen structuur maakte (Jes. 44:1, 2, 21; vergelijk wat God in Ezechiël 16:1-14 tot Jeruzalem zei; ook Paulus’ woorden in Galaten 4:19 en 1 Thessalonicenzen 2:11, 12). Jehovah beschermde hen, droeg hen, corrigeerde hen en zorgde voor hen, net zoals een vader dat voor zijn zoon zou doen (Deut. 1:30, 31; 8:5-9; vergelijk Jesaja 49:14, 15). Als „zoon” zou het volk tot lof van zijn Vader hebben moeten dienen (Jes. 43:21; Mal. 1:6). Anders zouden zij hun zoonschap verloochenen (Deut. 32:4-6, 18-20; Jes. 1:2, 3; 30:1, 2, 9), hetgeen gebeurde toen sommigen van hen schandelijk handelden en „zonen van belial” werden genoemd (de letterlijke weergave van de Hebreeuwse uitdrukking, die in Deuteronomium 13:13 [NW] en andere teksten met „nietswaardige mannen” wordt vertaald; vergelijk 2 Korinthiërs 6:15). Zij werden „afvallige zonen”. — Jer. 3:14, 22; vergelijk 4:22.
Dat de Israëlieten in deze nationale betekenis en op grond van hun verbondsverhouding in een vader-zoonrelatie tot God stonden, blijkt uit het feit dat God zich niet alleen als hun „Maker”, maar tegelijkertijd ook als hun „Terugkoper”, ja, zelfs als hun „echtgenoot-eigenaar” aanduidt; de laatstgenoemde uitdrukking geeft te kennen dat Israëls verhouding tot God als die van een vrouw tot haar echtgenoot was (Jes. 54:5, 6; vergelijk 63:8; Jeremia 3:14). Blijkbaar spraken de Israëlieten Jehovah als „onze Vader” aan omdat zij in een verbondsverhouding met hem stonden en erkenden dat God verantwoordelijk was geweest voor de vorming van hun natie. — Jes. 63:16-19; vergelijk Jeremia 3:18-20; Hosea 1:10, 11.
De stam Efraïm werd de belangrijkste stam van het noordelijke tienstammenrijk, zodat zijn naam vaak het gehele tienstammenrijk aanduidt. Omdat Jehovah niet Manasse, de eigenlijke eerstgeboren zoon van Jozef, maar Efraïm verkoos om de zegen van de eerstgeboren zoon uit handen van diens grootvader Jakob te ontvangen, kon hij de stam Efraïm terecht „mijn eerstgeborene” noemen. — Jer. 31:9, 20; Hos. 11:1-8, 12; vergelijk Genesis 48:13-20.
Afzonderlijke Israëlieten als ’zonen’
God duidde ook bepaalde personen binnen de natie Israël in een speciale betekenis als ’zonen’ aan. De tweede psalm, die in Handelingen 4:24-26 aan David wordt toegeschreven, heeft, wanneer er over Gods „zoon” gesproken wordt, blijkbaar in eerste instantie betrekking op David (Ps. 2:1, 2, 7-12). Zoals de context in Handelingen toont, ging die psalm later ten aanzien van Christus Jezus in vervulling. Aangezien uit de psalm blijkt dat God de woorden: „Gij zijt mijn zoon; heden ben ík uw vader geworden” niet tot een baby richt, maar tot een volwassen man, volgt daaruit dat de vader-zoonverhouding waarin David tot God stond, het gevolg was van het feit dat God hem speciaal als koning had uitgekozen en met hem als een zoon handelde. (Vergelijk Psalm 89:3, 19-27.) Op overeenkomstige wijze zei Jehovah over Davids zoon Salomo: „Ík zal zijn vader worden, en híj zal mijn zoon worden.” — 2 Sam. 7:12-14; 1 Kron. 22:10; 28:6.
Verlies van het zoonschap
Toen Jezus op aarde was, beweerden de joden nog steeds dat God hun „Vader” was. Maar Jezus maakte bepaalde personen die hem tegenstonden onverbloemd duidelijk dat zij ’uit hun vader de Duivel’ waren, aangezien zij naar Gods tegenstander luisterden en diens wil en werken deden; daardoor lieten zij zien dat zij „niet uit God” waren (Joh. 8:41, 44, 47). Hieruit blijkt opnieuw dat een nakomeling van Adam niet louter op grond van een bepaalde vleselijke afstamming in een vader-zoonverhouding met God komt, maar veeleer op grond van een voorziening die God heeft getroffen waardoor mensen in een geestelijke verhouding met Hem kunnen komen, en dat zo’n verhouding de „zonen” op hun beurt verplicht God trouw te blijven door zijn eigenschappen aan de dag te leggen, zijn wil te doen en getrouw zijn voornemen en belangen te dienen.
CHRISTELIJKE ZONEN VAN GOD
Zoals Johannes 1:11, 12 duidelijk maakt, werd slechts aan een aantal Israëlieten — alleen zij die geloof toonden in Christus Jezus — de „macht gegeven Gods kinderen te worden”. Dit joodse „overblijfsel” (Rom. 9:27; 11:5) werd door Christus’ loskoopoffer vrijgemaakt van het Wetsverbond, dat — hoewel goed en volmaakt — hen niettemin als zondaars veroordeelde en hen als slaven „aan de hoede van de zonde” overleverde; en aldus bevrijdde Christus hen, opdat zij „de aanneming als zonen zouden ontvangen” en erfgenamen konden worden, dank zij God. — Gal. 4:1-7; vergelijk 3:19-26.
Mensen uit de natiën, die voordien „zonder God in de wereld” waren (Ef. 2:12), werden door geloof in Christus eveneens met God verzoend en kwamen in de vader-zoonverhouding tot God te staan. — Rom. 9:8, 25, 26; Gal. 3:26-29.
Deze christenen vormen net als eens het volk Israël een verbondsvolk en worden opgenomen in het „nieuwe verbond”, dat door de aanwending van Christus’ vergoten bloed van kracht werd (Luk. 22:20; Hebr. 9:15). Wanneer God christenen in dit verbond opneemt, handelt hij echter met ieder van hen afzonderlijk. Omdat zij het goede nieuws horen en geloof oefenen, worden zij geroepen om medeerfgenamen met Gods Zoon te zijn (Rom. 8:17; Hebr. 3:1), worden op basis van hun geloof in de losprijs door God „rechtvaardig verklaard” (Rom. 5:1, 2) en bijgevolg „voortgebracht door het woord der waarheid” (Jak. 1:18) doordat zij als gedoopte christenen worden „wedergeboren”, d.w.z. door Gods geest als zijn zonen verwekt of voortgebracht met het vooruitzicht op geestelijk leven in de hemel (Joh. 3:3; 1 Petr. 1:3, 4). Zij hebben geen geest van slavernij ontvangen — die een gevolg is van Adams overtreding — maar een „geest van aanneming als zonen”, door welke geest zij uitroepen: „Abba, Vader!” (De uitdrukking „Abba” is een vertrouwelijke en liefkozende aanspreekvorm.) (Zie AANNEMING [Christelijke betekenis]; ABBA; Rom. 8:14-17.) Dank zij Christus’ superieure middelaarschap en priesterschap, alsook de door bemiddeling van hem tot uitdrukking gebrachte onverdiende goedheid van God, staan deze door de geest verwekte christenen in een intiemere vader-zoonverhouding tot God dan het geval was met het vleselijke Israël. — Hebr. 4:14-16; 7:19-25; 12:18-24.
Het zoonschap behouden
Hun „nieuwe geboorte” tot deze levende hoop (1 Petr. 1:3) is op zich geen garantie voor een blijvend zoonschap. Zij moeten zich niet door hun zondige vlees maar „door Gods geest” laten leiden en evenals Christus bereid zijn lijden te ondergaan (Rom. 8:12-14, 17). Zij moeten „navolgers van God, als geliefde kinderen” zijn (Ef. 5:1) door zijn goddelijke eigenschappen — vrede, liefde, barmhartigheid en goedheid — te weerspiegelen (Matth. 5:9, 44, 45; Luk. 6:35, 36), zich „onberispelijk en onschuldig” te betonen ten aanzien van de dingen die kenmerkend zijn voor het ’kromme en verdraaide geslacht’ te midden waarvan zij leven (Fil. 2:15), zich te reinigen van onrechtvaardige praktijken (1 Joh. 3:1-4, 9, 10), Gods geboden te gehoorzamen en zijn strenge onderricht te aanvaarden. — 1 Joh. 5:1-3; Hebr. 12:5-7.
De volledige aanneming als zonen deelachtig worden
Hoewel zij zijn geroepen om Gods kinderen te zijn, bezitten zij zolang zij in het vlees zijn slechts een „onderpand van wat komen zal” (2 Kor. 1:22; 5:1-5; Ef. 1:5, 13, 14). Om die reden kon de apostel, die over zichzelf en zijn medechristenen zei dat zij reeds „Gods zonen” waren, toch verklaren: „Ook wij, die de eerstelingen hebben, namelijk de geest, ja, ook wij zuchten in onszelf, terwijl wij vurig wachten op de aanneming als zonen, het verlost worden van ons lichaam door losprijs” (Rom. 8:14, 23). Nadat zij de wereld door hun getrouwheid tot de dood hebben overwonnen, ontvangen zij derhalve de volledige verwezenlijking van hun zoonschap doordat zij als geestenzonen van God en „broeders” van Christus Jezus, Gods Voornaamste Zoon, worden opgewekt. — Hebr. 2:10-17; Openb. 21:7; vergelijk 2:7, 11, 26, 27; 3:12, 21.
De tot dit hemelse leven geroepen geestelijke kinderen van God weten dat zij zijn kinderen zijn omdat Gods ’geest zelf getuigenis aflegt met hun geest dat zij Gods kinderen zijn’ (Rom. 8:16). Dit betekent blijkbaar dat hun geest, d.w.z. hun mentale en emotionele geneigdheid, positief reageert op dat wat Gods geest in het geïnspireerde Woord van God over deze hemelse hoop zegt, en op de wijze waarop God door middel van die geest met hen handelt. Zo raken zij ervan overtuigd dat zij inderdaad Gods geestelijke kinderen en erfgenamen zijn.
DE SCHEPPING BEREIKT DE GLORIERIJKE VRIJHEID VAN DE KINDEREN GODS
De apostel spreekt over de „heerlijkheid die in ons geopenbaard zal worden” en ook over de „vurige verwachting van de schepping” die wacht „op het openbaar worden van de zonen Gods” (Rom. 8:18, 19). Aangezien hun heerlijkheid een hemelse heerlijkheid is, moet hun opstanding tot hemels leven aan „het openbaar worden” van hun heerlijkheid voorafgaan. (Vergelijk vers 23.) Dat er echter nog meer bij betrokken is, wordt te kennen gegeven in 2 Thessalonicenzen 1:6-10, waar sprake is van de „openbaring van de Heer Jezus”, die gerechtelijke straf brengt over hen die door God veroordeeld zijn en waartoe hij zal overgaan „wanneer hij komt om verheerlijkt te worden in verband met zijn heiligen”. — Zie OPENBARING.
De woorden van Paulus dat „de schepping” op dit openbaar worden wacht en vervolgens „vrijgemaakt zal worden van de slavernij des verderfs en de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods zal hebben”, geven te kennen dat buiten deze hemelse „zonen Gods” nog anderen voordeel zullen trekken van hun openbaring in heerlijkheid (Rom. 8:19-23). Hoewel het met „schepping” weergegeven Griekse woord betrekking kan hebben op elk schepsel, hetzij mens of dier, of op de schepping in het algemeen, duiden de door Paulus in deze verzen gebruikte uitdrukkingen — namelijk „vurige verwachting”, „wacht”, „aan ijdelheid onderworpen, [hoewel] niet uit eigen wil”, „vrijgemaakt zal worden van de slavernij des verderfs [om] de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods [te] hebben”, en dat ze „te zamen zucht”, net zoals de christelijke „zonen” in zichzelf zuchten — ondubbelzinnig op de menselijke schepping, de menselijke familie, dus niet op de schepping in het algemeen, met inbegrip van de dieren, planten en andere bezielde en onbezielde scheppingen. (Vergelijk Kolossenzen 1:23.) Dit moet dus betekenen dat de openbaring van de zonen Gods in heerlijkheid voor andere leden van de menselijke familie de gelegenheid opent met God in een werkelijke vader-zoonverhouding te komen en zich te verheugen in de vrijheid die zo’n verhouding met zich brengt. — Zie GROTE SCHARE.
Aangezien de profetie over de „Eeuwige Vader” van toepassing is op Christus Jezus (Jes. 9:6), en aangezien de christelijke „zonen Gods” zijn „broeders” worden (Rom. 8:29), moeten er andere leden van de menselijke familie zijn die door bemiddeling van Christus Jezus leven verwerven en die niet zijn medeërfgenamen, medekoningen en medepriesters zijn, maar zijn onderdanen over wie hij regeert. — Vergelijk Mattheüs 25:34-40; Hebreeën 2:10-12; Openbaring 5:9, 10; 7:9, 10, 14-17; 20:4-9; 21:1-4.
Ook dient te worden opgemerkt dat Jakobus (1:18) deze door de geest verwekte „zonen Gods” als „zekere eerstelingen” van Gods schepselen aanduidt; dat is een soortgelijke uitdrukking als die wordt gebruikt voor de in Openbaring 14:1-4 beschreven „honderd vierenveertig duizend”, die „uit het midden van de mensen gekocht” zijn. De uitdrukking „eerstelingen” (eerste vruchten) impliceert dat er nog meer vruchten volgen, en daarom heeft het woord „schepping” in Romeinen 8:19-22 kennelijk betrekking op de ’naoogst’ of ’tweede oogst’ van de mensheid, op mensen die door geloof in Christus Jezus uiteindelijk als zonen in Gods universele gezin worden opgenomen.
Toen Jezus over het toekomstige „samenstel van dingen” en de „opstanding uit de doden” in dat samenstel sprak, zei hij dat deze tot leven opgewekte personen „Gods kinderen” worden „doordat zij kinderen van de opstanding zijn”. — Luk. 20:34-36.
Uit al de voorgaande inlichtingen blijkt dat de vader-zoonverhouding van mensen tot God vanuit verschillende aspecten bezien kan worden. Daarom moet in elk afzonderlijk geval de context in aanmerking worden genomen om vast te stellen wat het zoonschap inhoudt en wat er precies met de vader-zoonverhouding wordt bedoeld.