Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1389-1390
  • School

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • School
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Vergelijkbare artikelen
  • School
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Huisonderwijs — Iets voor u?
    Ontwaakt! 1993
  • Moet mijn kind naar school?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
  • Onderwijs met een doel
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1389-1390

SCHOOL

[afgeleid van het Griekse woord schoʹle, dat in wezen „vrije tijd” betekent, en vervolgens datgene waarvoor vrije tijd werd gebruikt: discussie, voordracht, studie, leren; en metonymisch: school].

De Schepper legde ouders de verantwoordelijkheid op om hun kinderen de werkelijke zin van het leven te leren en hen zowel met het oog op het dagelijks leven als in het geloof te onderrichten. Zij moesten hen opleiden in de weg die zij moesten gaan, en deze opleiding zou een leidraad voor hun kinderen zijn — niet alleen in hun jeugd, maar ook als zij oud waren geworden (Spr. 22:6). De ouders waren verplicht met de opvoeding van het kind te beginnen wanneer het nog heel klein was (2 Tim. 3:14, 15). Om deze verplichting na te komen, moesten zij hun kinderen thuis onderwijzen. Gemeenschappelijke scholen voor kinderen waren er in het oude Israël blijkbaar niet. Het ouderlijk huis was de school. De ouders moesten de kinderen zowel door hun voorbeeld onderwijzen als hun de geboden van God bijbrengen, en dit onderwijs moest geregeld en ononderbroken plaatsvinden. — Gen. 18:19; Deut. 6:6-9, 20-25; Spr. 6:20.

Koning Josafat van Juda begon met het onderwijzen van het volk in de wet van God door vorsten, priesters en levieten uit te zenden om in alle steden van Juda te onderwijzen, wat tot resultaat had dat zijn regering door Jehovah met vrede en voorspoed werd gezegend. — 2 Kron. 17:7-12.

De Babylonische koning Nebukadnezar koos uit de in 617 v.G.T. naar Babylon weggevoerde Israëlieten enkele jonge mannen, onder wie zich ook enkelen van het koninklijke nageslacht en zonen van de edelen bevonden. Tot hen behoorden Daniël en zijn drie metgezellen. Deze joden werden in de taal van de Chaldeeën onderwezen en kregen speciaal onderricht om dienst te verrichten in het paleis van de koning. Zij bleken zeer begaafde leerlingen te zijn. — Dan. 1:2-7, 18-20.

Het schijnt dat er al vóór de ballingschap behalve de tempel ook andere vergaderplaatsen bestonden waar Gods wet werd onderwezen (Ps. 74:8). Na de terugkeer uit Babylonische ballingschap spanden Ezra en Nehemia zich krachtig in om het volk in Gods wet te onderwijzen, wat in verband met het herstel het belangrijkst was. Het gehele volk werd vergaderd om te luisteren naar de levieten die de Wet voorlazen en het gelezene verklaarden (Ezra 7:10; Neh. hfdst. 8). Synagogen (Grieks: su·na·goʹge, samenbrenging) waren plaatsen van onderricht, geen offerplaatsen; daar was de tempel voor. — Hand. 15:21.

In de loop van de tijd ontstonden plaatsen waar voortgezet godsdienstonderwijs werd gegeven. Saulus (Paulus) had bijvoorbeeld aan de voeten van Gamaliël gestudeerd. De joden trokken de bekwaamheden van een ieder die beweerde Gods wet te onderwijzen, in twijfel wanneer hij niet aan hun scholen had gestudeerd. — Hand. 22:3; Joh. 7:15.

Paulus en Barnabas gebruikten de vergaderplaats van de gemeente als school voor godsdienstonderwijs (Hand. 11:25, 26; 14:27). Bepaalde groepen christenen, bijv. in Rome, kwamen in particuliere huizen of op andere geschikte plaatsen bijeen om onderwezen te worden (Rom. 16:3-5). In Kolosse was het huis van Filemon een vergaderplaats, alsook het huis van Nymfa (Rom. 16:3-16; Filem. 1, 2; Kol. 4:15). In Troas vond een bijeenkomst met Paulus in een groot bovenvertrek plaats (Hand. 20:6-8). Uit de instructies voor het ordelijke verloop van de gemeentevergaderingen (zie 1 Korinthiërs hoofdstuk 14) blijkt duidelijk dat de nadruk in de eerste plaats werd gelegd op onderwijs en opbouw.

De vergaderplaatsen van de gemeente dienden als scholen waar de boekrollen van de Hebreeuwse Geschriften alsook de geschriften van de apostelen en hun metgezellen beschouwd konden worden. Weinig christenen bezaten alle Hebreeuwse boekrollen of beschikten over afschriften van alle christelijke brieven. De vergaderingen boden de gelegenheid om deze geschriften grondig te onderzoeken en te bespreken (Kol. 4:16). Bij gebrek aan ander schrijfmateriaal schreven arme christenen bijbelteksten voor persoonlijke studie en andere doeleinden op potscherven (ostraka). Op de vergadering hoorden zij de bijbelteksten die werden voorgelezen, of zij hadden toegang tot de boekrollen en konden daaruit teksten met inkt op de potscherven schrijven. Men heeft veel van deze ostraka gevonden die met bijbelteksten, vooral uit de Evangeliën, beschreven waren. Daarnaast bestond de christelijke opvoeding grotendeels uit het onderwijs dat het hele gezin thuis ontving (Ef. 6:4; 1 Kor. 14:35). Een aparte regeling voor kinderen, zoals de tegenwoordige „zondagsschool”, werd noch door de joden noch door de christelijke apostelen ingesteld of toegepast. De kinderen moesten samen met de ouders bijeenkomen en niet apart. Volgens het goddelijke gebod moesten zij op dezelfde school als de volwassenen stilzitten, luisteren en leren. Het was een gezinsaangelegenheid. — Deut. 31:10-13.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen