SCHOONDOCHTER.
De vrouw van iemands zoon. De met „schoondochter” vertaalde woorden — het Hebreeuwse woord (kal·lahʹ) en het Griekse woord (numʹfe) — worden in bepaalde gevallen ook met „bruid” weergegeven. „Ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam, tonen.” — Openb. 21:9; Hoogl. 4:8-12; Jes. 61:10; Jer. 7:34; Joh. 3:29; Openb. 18:23; 21:2; 22:17.