SAFFIER.
Een doorzichtige of halfdoorzichtige kostbare steen; een variëteit van korund, in hardheid alleen overtroffen door diamant. Hoewel saffier in vele kleuren voorkomt, zijn de exemplaren met diepblauwe kleurschakeringen het meest geliefd. De in de bijbel genoemde saffieren waren klaarblijkelijk blauw. Een van de stenen in het „borststuk der rechtspraak” van de hogepriester was een saffier. — Ex. 28:15-18; 39:11.
WIJSHEID WAARDEVOLLER
Job, die ongeveer in de 17de eeuw v.G.T. leefde, beschreef de krachtsinspanningen van mensen die diep in de aarde graven om goud te delven en naar kostbare edelstenen te zoeken, en maakte melding van de saffier, die tot de zeldzame stenen behoort die diep in de aarde liggen. Job zei dat de saffier waardevol en moeilijk te verkrijgen is, maar dat wijsheid veel waardevoller en met zulke stenen niet te betalen is. — Job 28:4-6, 12, 16.
FIGUURLIJK GEBRUIK
De stralende schoonheid alsook het aangename, betoverende en boeiende effect dat het zien van kostbare edelstenen teweegbrengt, werd figuurlijk gebruikt in verband met visioenen van Gods heerlijkheid. Nadat het Wetsverbond van kracht was geworden, ontvingen Mozes, Aäron, Nadab, Abihu en zeventig van de oudere mannen van Israël een visioen van Jehovah, en onder Jehovah’s voeten „was iets als een werk van saffieren vloertegels en als de hemel zelf wat zuiverheid betreft” (Ex. 24:8-11). In visioenen van Jehovah’s heerlijkheid zag Ezechiël tweemaal „iets dat geleek op een troon”, die „eruitzag als saffiersteen”. — Ezech. 1:1, 26-28; 10:1-4.
Toen Jehovah, als Sions Echtgenoot-Eigenaar, over haar herstel en verfraaiing sprak, zei hij: „Ik wil uw fundament leggen met saffieren” (Jes. 54:5, 11). Evenzo geeft het visioen dat de apostel Johannes van het hemelse Nieuwe Jeruzalem ontving, te kennen dat een deel van zijn fundamenten uit saffier bestaat. — Openb. 21:2, 19.