Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1364-1368
  • Samuël, de boeken

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Samuël, de boeken
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE SCHRIJVERS EN DE BESCHREVEN PERIODE
  • AUTHENTICITEIT
  • OVERZICHT VAN DE INHOUD
  • 1 SAMUËL
  • OVERZICHT VAN DE INHOUD
  • 2 SAMUËL
  • GEDEELTEN DIE IN DE SEPTUAGINTA ONTBREKEN
  • Samuël, De boeken
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Bijbelboek nummer 9 — 1 Samuël
    „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”
  • Inhoud 1 Samuël
    Nieuwewereldvertaling van de Bijbel
  • Inhoud 1 Samuël
    Nieuwewereldvertaling van de Bijbel (studie-uitgave)
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1364-1368

SAMUËL, DE BOEKEN.

Twee boeken van de Hebreeuwse Geschriften die in de oorspronkelijke Hebreeuwse canon klaarblijkelijk één geheel vormden. Dit blijkt uit een masora-aantekening die verklaart dat woorden uit Eén Samuël hoofdstuk 28 (een van de laatste hoofdstukken van Eén Samuël) in het midden van het boek stonden.

DE SCHRIJVERS EN DE BESCHREVEN PERIODE

Volgens de oude joodse overlevering werd het eerste gedeelte van het boek door Samuël geschreven en het overige gedeelte door Nathan en Gad. Dat deze drie profeten inderdaad geschreven hebben, wordt bevestigd in 1 Kronieken 29:29. Het boek Samuël zelf zegt: „Samuël [sprak] tot het volk over datgene wat het koningschap rechtens toekwam en schreef het in een boek, en hij legde dit neer voor het aangezicht van Jehovah” (1 Sam. 10:25). Toch nemen veel geleerden op grond van 1 Samuël 27:6, waar melding wordt gemaakt van de „koningen van Juda”, het standpunt in dat de boeken Samuël uiteindelijk zijn samengesteld nadat het tienstammenrijk Israël tot bestaan was gekomen. Indien er met de uitdrukking „koningen van Juda” alleen op de Judese koningen van het tweestammenrijk gedoeld wordt, zou dat erop duiden dat de geschriften van Samuël, Nathan en Gad door iemand anders in hun uiteindelijke vorm zijn gerangschikt. Wordt er met de „koningen van Juda” daarentegen slechts gedoeld op koningen van de stam Juda, dan is het mogelijk dat deze woorden door Nathan werden opgetekend, want hij leefde onder de heerschappij van twee Judese koningen, David en Salomo. — 1 Kon. 1:32-34; 2 Kron. 9:29.

Het feit dat Hanna en een niet met name genoemde „man Gods” jaren voordat er werkelijk een koning over Israël regeerde de uitdrukkingen „koning” en/of „gezalfde” gebruikten, is geen ondersteuning voor de bewering van sommigen dat deze passages uit een latere periode dateren dan die in het boek wordt aangegeven (1 Sam. 2:10, 35). De gedachte aan een toekomstige koning was de Hebreeën volstrekt niet vreemd. God had met betrekking tot Sara, de stammoeder van de Israëlieten, voorzegd dat er „koningen van volken” uit haar zouden voortkomen (Gen. 17:16). Ook in de sterfbedprofetie van Jakob (Gen. 49:10), de profetische woorden van Bileam (Num. 24:17) en de Mozaïsche wet (Deut. 17:14-18) werd vooruitgewezen naar de tijd dat de Israëlieten een koning zouden hebben.

Het historische verslag van de twee boeken Samuël begint met de tijd waarin de hogepriester Eli rechter was en eindigt met gebeurtenissen die zich tijdens Davids regering voordeden. Het behandelt dus een periode van ongeveer 140 jaar (ca. 1180–ca. 1040 v.G.T.). Aangezien Davids dood niet vermeld wordt, werd het verslag (mogelijkerwijs met uitzondering van redactionele toevoegingen) waarschijnlijk omstreeks 1040 v.G.T. voltooid.

AUTHENTICITEIT

De authenticiteit van het verslag dat in de boeken Samuël is vervat, staat onomstotelijk vast. Christus Jezus zelf haalde, teneinde een tegenwerping van de Farizeeën te weerleggen, een voorval uit 1 Samuël 21:3-6 aan, waar staat dat David toonbrood van de priester Achimelech kreeg (Matth. 12:1-4). In de synagoge van Antiochië in Pisidië deed de apostel Paulus een aanhaling uit 1 Samuël 13:14 toen hij een korte terugblik wierp op gebeurtenissen uit de geschiedenis van Israël (Hand. 13:20-22). Diezelfde apostel gebruikte in zijn brief aan de Romeinen woorden uit Davids psalm, welke passage zowel in 2 Samuël 22:50 als in Psalm 18:49 te vinden is, om daarmee te bewijzen dat Christus’ bediening ten behoeve van de joden Gods beloften waarmaakte en niet-joden een basis verschafte om ’God te verheerlijken vanwege zijn barmhartigheid’ (Rom. 15:8, 9). In Hebreeën 1:5 worden de in 2 Samuël 7:14 opgetekende woorden die Jehovah tot David sprak, aangehaald en op Christus Jezus toegepast, waardoor wordt aangetoond dat David een profetisch beeld van de Messias was.

Opmerkenswaardig is ook de openhartigheid van het verslag. Het stelt de fouten van het priesterlijke huis van Eli aan de kaak (1 Sam. 2:12-17, 22-25), alsook de verdorvenheid van Samuëls zonen (1 Sam. 8:1-3) en de zonden en gezinsproblemen van koning David. — 2 Sam. 11:2-15; 13:1-22; 15:13, 14; 24:10.

Nog een bewijs voor de authenticiteit van het verslag is de vervulling van profetieën, zoals de profetieën waarin werd voorzegd dat Israël om een koning zou vragen (Deut. 17:14; 1 Sam. 8:5), dat Jehovah Eli’s huis zou verwerpen (1 Sam. 2:31; 3:12-14; 1 Kon. 2:27) en dat het koningschap in Davids geslachtslijn zou blijven. — 2 Sam. 7:16; Jer. 33:17; Ezech. 21:25-27; Matth. 1:1; Luk. 1:32, 33.

Het verslag stemt volledig overeen met de overige Schriften. Dit is vooral opmerkelijk wanneer men de psalmen aan een onderzoek onderwerpt, waarvan er vele door de inhoud van de boeken Samuël worden verduidelijkt. Dat koning Saul boden zond om Davids huis te bewaken teneinde hem te doden, verschaft de achtergrond voor Psalm 59 (1 Sam. 19:11). In Psalm 34 en 56 wordt gezinspeeld op Davids belevenissen in Gath, waar hij zijn gezonde verstand vermomde om aan de dood te ontsnappen (1 Sam. 21:10-15; de naam Abimelech die in het opschrift van Psalm 34 voorkomt, moet blijkbaar als een titel voor koning Achis beschouwd worden). In Psalm 142 worden waarschijnlijk gedachten tot uitdrukking gebracht die David had toen hij zich in de grot van Adullam (1 Sam. 22:1) of in de grot in de wildernis van En-Gedi voor Saul verborg (1 Sam. 24:1, 3); en wellicht kan van Psalm 57 hetzelfde gezegd worden. Als men echter Psalm 57:6 met 1 Samuël 24:2-4 vergelijkt, schijnt het eerder over de grot in de wildernis van En-Gedi te gaan, want daar viel Saul als het ware in de kuil die hij voor David had gegraven. Psalm 52 heeft betrekking op Doëg, die Saul erover inlichtte dat David bij Achimelech was geweest (1 Sam. 22:9, 10). De handelwijze van de Zifieten, die de verblijfplaats van David aan koning Saul verraadden, verschafte de basis voor Psalm 54 (1 Sam. 23:19). De tweede psalm schijnt te zinspelen op de pogingen van de Filistijnen om David, nadat hij de vesting Sion had ingenomen, als koning af te zetten (2 Sam. 5:17-25). De moeilijkheden met de Edomieten gedurende de oorlog met Hadadezer vormen de setting van Psalm 60 (2 Sam. 8:3, 13, 14). Psalm 51 is een gebed van David, waarin hij om vergiffenis smeekt voor zijn zonde met Bathseba (2 Sam. 11:2-15; 12:1-14). Davids vlucht voor Absalom verschaft de basis voor de derde psalm (2 Sam. 15:12-17, 30). De historische achtergrond van Psalm 7 is waarschijnlijk de vervloeking van David door Simeï (2 Sam. 16:5-8). Psalm 30 kan betrekking hebben op gebeurtenissen die verband hielden met Davids bouw van een altaar op de dorsvloer van Arauna. Psalm 18 is de parallel van 2 Samuël 22 en heeft betrekking op het feit dat Jehovah David uit de hand van Saul en andere vijanden bevrijdde.

OVERZICHT VAN DE INHOUD

1 SAMUËL

I. De vroege geschiedenis van Samuël (1:1–6:21)

A. Samuëls geboorte is de verhoring van het gebed van de onvruchtbare Hanna (1:1-20)

B. Nadat Samuël gespeend is, wordt hij naar de hogepriester Eli gebracht om in de tempel te dienen (1:21–2:11)

C. De ontrouw van Eli’s zonen in tegenstelling tot Samuëls prijzenswaardige gedrag (2:12-26)

D. Profetische onheilsaankondigingen tegen het huis van Eli en hun vervulling (2:27–6:21)

1. Een zekere man Gods onthult Jehovah’s oordeel: het priesterlijke huis van Eli is verworpen; zijn twee zonen, Hofni en Pinehas, zullen als teken op dezelfde dag sterven (2:27-36)

2. Samuël wordt tot profeet geroepen; hij krijgt de opdracht om Eli Jehovah’s oordeel over zijn huis mee te delen (3:1-21)

3. De nederlaag die de Israëlieten voor de Filistijnen leden, heeft tot gevolg dat de Ark wordt buitgemaakt en dat Eli’s twee zonen omkomen; Eli’s dood; de Filistijnen brengen de Ark terug nadat zij hadden ervaren dat Jehovah’s hand zwaar op hen drukte omdat de Ark zich in hun land bevond (4:1–6:21)

II. Samuëls rechterschap (7:1–8:22)

A. Samuël spoort Israël aan de valse aanbidding op te geven en houdt een bijeenkomst te Mizpa (7:1-6)

B. De Filistijnen trekken tegen de te Mizpa bijeengekomen Israëlieten op, maar worden verslagen (7:7-13)

C. De Filistijnen lijden nog meer nederlagen; de vrede tussen Israël en de Amorieten blijft bestaan (7:14-17)

D. De bejaarde Samuël wordt benaderd met het verzoek een koning aan te stellen; zijn antwoord daarop (8:1-22)

III. Saul wordt Israëls eerste koning (9:1–12:25)

A. Sauls vergeefse speurtocht naar de ezelinnen van zijn vader leidt door goddelijke voorzienigheid tot een ontmoeting met Samuël; dit stelt Samuël in de gelegenheid Saul tot koning te zalven (9:1–10:16)

B. Op de bijeenkomst in Mizpa stelt Samuël Saul voor als degene die door Jehovah is uitgekozen voor het koningschap (10:17-27)

C. Saul brengt een leger op de been en verslaat de Ammonieten (11:1-13)

D. Sauls koningschap wordt te Gilgal opnieuw bevestigd; Samuël spreekt Israël toe (11:14–12:25)

IV. De gebeurtenissen die zich tijdens Sauls regering voordoen voordat David over de krijgslieden wordt gesteld (13:1–17:58)

A. Saul en zijn zoon Jonathan strijden in de buurt van Michmas tegen de Filistijnen (13:1–14:52)

B. Saul strijdt tegen de Amalekieten; Jehovah verwerpt hem als koning omdat hij ongehoorzaam is geweest en Agag, de koning der Amalekieten, en het beste van hun klein- en rundvee in het leven heeft gelaten (15:1-35)

C. Samuël krijgt van God de opdracht om David tot koning te zalven (16:1-13)

D. Jehovah’s geest wijkt van Saul; David wordt harpspeler aan het hof van Saul (16:14-23)

E. De Filistijnen legeren zich te Efes-Dammim om tegen Israël te strijden (17:1-58)

1. Het Filistijnse leger staat tegenover het Israëlitische leger, met het dal van Ela tussen hen in (17:1-3)

2. De Filistijnse kampvechter Goliath hoont de gevechtslinies van Israël; David, die op bezoek is in de legerplaats van Israël, neemt de uitdaging aan en doodt Goliath; de Israëlieten jagen de vluchtende Filistijnen na (17:4-58)

V. David wordt beroemd in Israël, maar haalt zich Sauls toorn op de hals (18:1–20:42)

A. Jonathan en David worden intieme vrienden; Saul stelt David als overste over het Israëlitische leger aan (18:1-5)

B. David voert succesvol oorlog; Saul begint hem met argwaan te bezien; na twee mislukte pogingen om David met een speer te doden, beraamt Saul een plan om David door de hand van de Filistijnen te laten sterven, maar het komplot mislukt (18:6-30)

C. Hoewel Saul Jonathan heeft beloofd David niet te doden, probeert hij het toch; David vlucht naar Samuël te Rama (19:1-24)

D. David en Jonathan ontmoeten elkaar en sluiten een verbond; wanneer Jonathan verneemt dat zijn vader vastbesloten is David te doden, stelt hij David ervan op de hoogte (20:1-42)

VI. Davids leven als een voortvluchtige voor koning Saul (21:1–26:25)

A. Hij vlucht naar de Filistijnse stad Gath; onderweg krijgt hij in Nob van de hogepriester Achimelech vijf toonbroden en Goliaths zwaard (21:1-10)

B. In Gath vermomt hij zijn gezonde verstand om aan gevaar te ontkomen (21:11-15)

C. Hij verschuilt zich in de grot van Adullam; zorgt ervoor dat zijn ouders in Moab kunnen wonen, en gaat naar het bos Chereth (22:1-5)

D. Het nieuws dat David en zijn mannen ontdekt zijn, bereikt Saul; wanneer Saul verneemt dat David hulp heeft ontvangen van Achimelech, geeft hij bevel de priesters terecht te stellen (22:6-19)

E. De priester Abjathar ontkomt aan de slachting en sluit zich bij David aan (22:20-23)

F. David redt Kehila uit de hand van de Filistijnen maar verlaat de stad om te vermijden dat hij aan Saul wordt overgeleverd (23:1-13)

G. Achternagezeten door Saul, verbergt David zich met zijn mannen in de wildernis; David spaart Sauls leven (23:14–24:22)

H. Samuëls dood; Davids optreden in verband met Nabal en Abigaïl; Davids vrouwen (25:1-44)

I. David spaart Sauls leven voor de tweede keer (26:1-25)

VII. Davids verblijf op Filistijns grondgebied en het einde van Sauls regering (27:1–31:13)

A. Achis geeft David de stad Ziklag; in de mening verkerend dat David veldtochten tegen de Israëlieten heeft ondernomen, nodigt Achis hem en zijn mannen uit om gezamenlijk tegen Israël te strijden (27:1–28:2)

B. Saul en zijn leger slaan hun kamp op te Gilboa; Saul gaat naar een geestenmedium in En-Dor en verzoekt haar de overleden Samuël te laten opkomen (28:3-25)

C. De Filistijnse asvorsten willen niet dat David en zijn mannen hen in de strijd tegen Israël vergezellen (29:1-11)

D. David en zijn mannen keren naar Ziklag terug en moeten vaststellen dat de stad verbrand is en hun gezinnen gevangen zijn genomen; de plunderaars worden ingehaald en alles wordt heroverd (30:1-31)

E. De Israëlieten worden door de Filistijnen overwonnen; Saul raakt zwaar gewond en pleegt zelfmoord; drie van zijn zonen worden gedood (31:1-13)

OVERZICHT VAN DE INHOUD

2 SAMUËL

I. Davids reactie op het bericht omtrent Sauls dood; zijn klaaglied over Saul en Jonathan (1:1-27)

II. Davids huis contra Sauls huis (2:1–4:12)

A. David wordt tot koning over Juda gezalfd en regeert vanuit Hebron (2:1-7)

B. Gesteund door Abner regeert Sauls zoon Isboseth over de rest van Israël, met Mahanaïm als zijn regeringszetel (2:8-11)

C. Tussen de rivaliserende koninkrijken woedt oorlog; uiteindelijk loopt Abner over naar David, maar wordt door Joab gedood; David treurt over Abners dood (2:12–3:39)

D. Isboseth wordt vermoord; David laat de moordenaars terechtstellen (4:1-12)

III. David als koning over heel Israël (5:1–24:25)

A. David wordt tot koning over Israël gezalfd, verovert de vesting Sion en maakt Jeruzalem tot zijn hoofdstad (5:1-16)

B. De Filistijnen vallen tweemaal het land binnen, maar David verslaat hen beide keren (5:17-25)

C. David laat de Ark naar Jeruzalem brengen; zijn vreugdebetoon mishaagt zijn vrouw Michal; zij blijft tot haar dood kinderloos (6:1-23)

D. David uit de wens om een tempel voor Jehovah te bouwen, en God benut deze gelegenheid om met David een verbond voor een koninkrijk te sluiten (7:1-29)

E. Een overzicht van Davids militaire overwinningen en de uitbreiding van zijn gebied (8:1-18)

F. David betracht liefderijke goedheid jegens Jonathans zoon Mefiboseth, door hem voortdurend aan zijn tafel te laten eten (9:1-13)

G. Gebeurtenissen in verband met de oorlog tegen de Ammonieten (10:1–12:31)

1. De Ammonitische koning Hanun vernedert Davids boden en bespoedigt daardoor een oorlog; de Ammonieten en de ingehuurde Syrische legers vluchten (10:1-19)

2. De veldtocht tegen de Ammonieten wordt hervat; Joab belegert Rabba, maar David blijft in Jeruzalem en maakt zich schuldig aan overspel met Bathseba (11:1-4)

3. Wanneer het David niet lukt het overspel geheim te houden, zorgt hij ervoor dat Bathseba’s man, Uria, in de strijd op een plaats wordt gezet waar hij zo goed als zeker zal sneuvelen (11:5-25)

4. David neemt Bathseba tot vrouw; hij wordt door de profeet Nathan terechtgewezen; het buitenechtelijke kind sterft (11:26–12:23)

5. Bathseba baart Salomo (12:24, 25)

6. Joab zet de strijd tegen Rabba voort, maar op zijn verzoek neemt David de stad vervolgens volledig in (12:26-31)

H. Davids moeilijkheden met zijn zoon Absalom (13:1–19:8)

1. Absalom doodt zijn halfbroer Amnon omdat deze Absaloms zuster Tamar verkracht heeft; hij vlucht naar Gesur (13:1-39)

2. Joab bedient zich van een Tekoïtische vrouw om David ertoe te bewegen Absalom terug te roepen (14:1-28)

3. Absalom slaagt erin een verzoening met David te bewerkstelligen; later roept hij zichzelf te Hebron tot koning uit (14:29–15:12)

4. Wegens Absaloms samenzwering vlucht David met zijn huisgezin en zijn dienaren uit Jeruzalem, maar zendt Husai terug om Achitofels raad te verijdelen (15:13-37)

5. Mefiboseths bediende Ziba brengt David proviand; de Benjaminiet Simeï vervloekt David (16:1-14)

6. Absalom trekt Jeruzalem binnen; Husai verijdelt Achitofels raad (16:15–17:23)

7. Absalom en zijn strijdkrachten achtervolgen David en worden verslagen; tegen Davids bevel in doodt Joab Absalom (17:24–18:33)

8. David rouwt over Absaloms dood maar wordt door Joab terechtgewezen (19:1-8)

I. Davids koningschap wordt in Jeruzalem hersteld (19:9-43)

J. De opstand van de Benjaminiet Seba wordt neergeslagen, en Joab doodt Amasa (20:1-26)

K. De bloedschuld die het huis van Saul wegens de Gibeonieten op zich heeft geladen, wordt gewroken (21:1-14)

L. Verscheidene oorlogen met de Filistijnen (21:15-22)

M. Poëtische geschriften van David (22:1–23:7)

N. Een opsomming van Davids sterke mannen alsook enkele van hun heldendaden (23:8-39)

O. Davids zonde inzake de volkstelling, de consequenties daarvan en de aankoop van een plaats voor een nieuw altaar (24:1-25)

Zie het boek „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”, blz. 53-64.

GEDEELTEN DIE IN DE SEPTUAGINTA ONTBREKEN

De tekst van 1 Samuël 17:12-31, 55–18:6a komt niet voor in het Vaticaanse handschrift nr. 1209, een handschrift van de Septuaginta. Veel bijbelgeleerden hebben daaruit de conclusie getrokken dat de weggelaten verzen later aan de Hebreeuwse tekst zijn toegevoegd. In een bijbelcommentaar door C. F. Keil en F. Delitzsch worden bezwaren tegen deze zienswijze geopperd. Daarin staat: „Wij kunnen ons niet louter op de autoriteit van de Septuaginta baseren voor de onderstelling dat deze gedeelten door interpolaties in de tekst zijn gekomen, aangezien de willekeur waarmee de vervaardigers van deze vertaling naar eigen goeddunken dingen weglieten of toevoegden, duidelijk aan het licht treedt.” — Biblical Commentary on the Books of Samuel, blz. 177, voetn.

Als er met zekerheid vastgesteld zou kunnen worden dat er tussen het weggelaten gedeelte en de rest van het boek tegenstrijdigheden bestonden, zou men de authenticiteit van 1 Samuël 17:12-31, 55–18:6a redelijkerwijs in twijfel kunnen trekken. Als men 1 Samuël 16:18-23 met 1 Samuël 17:55-58 vergelijkt, is er ogenschijnlijk sprake van een tegenstrijdigheid, want in de laatstgenoemde passage wordt gezegd dat Saul naar de identiteit van zijn eigen hofmuzikant en wapendrager, David, informeert. Er dient echter opgemerkt te worden dat de eerdere beschrijving van David, als een „dappere, sterke man en een krijgsman”, gebaseerd kan zijn geweest op zijn moedige optreden toen hij helemaal alleen een leeuw en een beer doodde teneinde beide keren een schaap van zijn vader uit hun muil te redden (1 Sam. 16:18; 17:34-36). In de Schrift wordt ook niet gezegd dat David werkelijk in de strijd als Sauls wapendrager had gediend voordat hij Goliath doodde. Saul had aan Isaï gevraagd: „Laat David alstublieft bij mij in dienst blijven, want hij heeft gunst in mijn ogen gevonden” (1 Sam. 16:22). Dit verzoek sluit de mogelijkheid niet uit dat Saul David later toestond naar Bethlehem terug te keren, zodat David bij het uitbreken van de oorlog met de Filistijnen de schapen van zijn vader weidde.

Betreffende Sauls vraag: „Wiens zoon is die jongen, Abner?”, staat in het bovengenoemde commentaar (blz. 178, voetn.): „Zelfs al had Abner zich misschien niet om de afstamming van Sauls harpspeler bekommerd, dan nog kon Saul niet vergeten zijn dat David de zoon van de Bethlehemiet Isaï was. Maar er lag veel meer in Sauls vraag opgesloten. Het ging niet zozeer om de náám van Davids vader, maar hij wilde weten wat voor een man de vader was van zo’n jongeling die de moed bezat om zo’n bewonderenswaardige heldendaad te verrichten; en hij stelde de vraag ook niet louter om het huis van de man vrijstelling van belasting toe te kennen — de beloofde beloning voor de overwinning op Goliath (vs. 25) — maar naar alle waarschijnlijkheid wilde hij zo’n man aan zijn hof toevoegen, aangezien hij uit de moed en dapperheid van de zoon opmaakte dat de vader over soortgelijke eigenschappen beschikte. Het is waar dat David slechts antwoordde: ’De zoon van uw knecht Isaï uit Bethlehem’; maar uit vers 1 van hfdst. xviii, waar staat: ’zodra hij opgehouden had tot Saul te spreken’, blijkt duidelijk dat Saul nog langer met David over diens familieaangelegenheden heeft gesproken, aangezien deze woorden op een langere conversatie duiden.” (Zie ook Exodus 5:2 en 1 Samuël 25:10, waar het woord „wie” eveneens meer omvat dan alleen maar kennis omtrent de naam van een persoon.)

Er zijn dus gegronde redenen om 1 Samuël 17:12-31, 55–18:6a als een deel van de oorspronkelijke tekst te beschouwen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen