HEILIGE PAAL.
Het Hebreeuwse woord ’asje·rahʹ (meervoud: ’asje·rimʹ) betekende vermoedelijk (1) een heilige paal die de Kanaänitische vruchtbaarheidsgodin Asjera vertegenwoordigde (Recht. 6:25, 26), en (2) de godin Asjera zelf (2 Kron. 15:16, NW 1955, Engels, voetn.; zie ook GNB, NBG, WV). Het is echter niet altijd mogelijk om vast te stellen of in een bepaalde schriftplaats het afgodische voorwerp of de godin bedoeld wordt.
DE HEILIGE PALEN
De heilige palen lagen klaarblijkelijk niet op de grond, maar stonden rechtop en waren hetzij geheel of in ieder geval gedeeltelijk van hout, want de Israëlieten kregen de opdracht ze om te hakken en te verbranden (Ex. 34:13; Deut. 12:3). Het kunnen eenvoudig onbewerkte palen, in sommige gevallen misschien zelfs gewoon boomstammen, geweest zijn, want God had zijn volk geboden: „Gij moogt geen boom, van welke soort ook, als heilige paal voor u planten.” — Deut. 16:21.
Israël en Juda minachtten echter Gods uitdrukkelijke gebod om geen heilige zuilen en heilige palen op te richten, want zij plaatsten ze op „elke hoge heuvel en onder elke lommerrijke boom” naast de altaren waarop zij offerden. Er is gesuggereerd dat de palen het vrouwelijke principe en de zuilen het mannelijke principe vertegenwoordigden. Deze voor de afgodscultus dienende voorwerpen (waarschijnlijk fallussymbolen) stonden in verband met afschuwelijke immorele seksorgieën, zoals blijkt uit het feit dat er reeds tijdens de regering van Rehabeam melding van wordt gemaakt dat er mannelijke prostitués in het land waren (1 Kon. 14:22-24; 2 Kon. 17:10). Slechts zelden traden koningen zo op als Hizkia (en Josia), over wie wij lezen: „Hij was het die de hoge plaatsen verwijderde en de heilige zuilen aan stukken brak en de heilige paal omhakte.” — 2 Kon. 18:4; 2 Kron. 34:7.
ASJERA
In de Ras Sjamra-teksten wordt deze godin als de vrouw van de god El, de „Schepper der Schepselen”, geïdentificeerd en als de „Vrouwe van de Zee” aangeduid, en ook als de „Moeder der Goden”, hetgeen haar tevens tot de moeder van Baäl maakte. Het schijnt echter dat aan de drie belangrijkste godinnen van de Baälcultus (Anath, Asjera en Astoreth) in wezen dezelfde rol werd toegeschreven. Dit blijkt zowel uit niet-bijbelse bronnen als uit het bijbelse verslag. Alhoewel Astoreth als de gemalin van Baäl gegolden schijnt te hebben, kan ook Asjera als zodanig beschouwd zijn.
Gedurende de periode van de rechters gingen de afvallige Israëlieten „de Baäls en de heilige palen [Asjera’s] dienen” (Recht. 3:7, NW, Stud., voetn.; zie ook LV, NBG, PC; vergelijk Rechters 2:13). Dat deze godheden in het meervoud worden genoemd, kan erop duiden dat elke plaats haar eigen Baäl en haar eigen Asjera had (Recht. 6:25). Koningin Izebel, de Sidonische vrouw van koning Achab van Israël, liet 450 profeten van Baäl en 400 profeten van de heilige paal of Asjera aan haar tafel eten. — 1 Kon. 18:19.
De verdorven Asjeracultus werd mettertijd zelfs in de tempel van Jehovah beoefend. Koning Manasse stelde daar zelfs een gesneden beeld van de heilige paal op, klaarblijkelijk een voorstelling van de godin Asjera (2 Kon. 21:7). Alhoewel Manasse lering trok uit het strenge onderricht dat hij ontving doordat hij als gevangene naar Babylon werd gevoerd, en hij na zijn terugkeer in Jeruzalem Jehovah’s huis van afgodische voorwerpen reinigde, nam zijn zoon Amon de verdorven Baälcultus en de verering van Asjera, die gepaard ging met ceremoniële prostitutie, weer op (2 Kron. 33:11-13, 15, 21-23). Daarom was de rechtvaardige koning Josia, Amons opvolger op de troon, genoodzaakt „de huizen van de mannelijke tempelprostitués . . . [af te breken], die in het huis van Jehovah waren, waar de vrouwen tentschrijnen weefden voor de heilige paal”. — 2 Kon. 23:4-7.