ZAK (ZAKKENGOED).
De Nederlandse woorden „zak” en „zakkengoed” zijn afgeleid van het Hebreeuwse saq, waarmee een ruwe stof wordt aangeduid die werd gebruikt om zakken of balen te maken voor bijvoorbeeld het bewaren van graan. Hetzelfde Hebreeuwse woord wordt ook gebruikt om de ervan gemaakte zakken zelf aan te duiden (Gen. 42:25; Joz. 9:4). Zakkengoed werd gewoonlijk van een donkere kleur geitehaar geweven. — Openb. 6:12; Jes. 50:3.
Het was de traditionele rouwkleding, en wij lezen voor het eerst over het gebruik ervan toen Jakob over de vermeende dood van zijn zoon Jozef rouwde en een zak om zijn heupen deed (Gen. 37:34; 2 Sam. 3:31). In sommige gevallen gebruikten de rouwenden de zak om op te zitten of te slapen (2 Sam. 21:10; Jes. 58:5; Joël 1:13). Toen de dienaren van Ben-Hadad Achab kwamen smeken om hun koning in leven te laten, droegen zij een zak om hun lendenen en touwen op hun hoofd (1 Kon. 20:31, 32). Soms werd de zak direct op de huid gedragen, met andere kleding eroverheen (Job 16:15; Jes. 32:11; 1 Kon. 21:27; 2 Kon. 6:30), terwijl men zich er in andere gevallen mogelijk eenvoudig over de onderkleren heen mee ’omgordde’. — Ezech. 7:18; Joël 1:8.
Als gevolg van Jona’s prediking vaardigde de koning van Nineve een bevel uit dat niet alleen heel het volk van de stad zijn voorbeeld moest volgen en zakken aan moest doen, maar dat zelfs de ’huisdieren’ ermee bedekt moesten worden. — Jona 3:6-8.
Nu en dan hulden de Hebreeuwse profeten zich in zakken, in overeenstemming met de waarschuwende boodschappen en oproepen tot berouw waartoe zij opdracht hadden gekregen, of wanneer zij ten behoeve van het volk baden en daarbij rouw tot uitdrukking brachten (Jes. 20:2; Dan. 9:3; vergelijk Openbaring 11:3). De koning en het volk hulden zich in zakken in tijden van grote crisis of wanneer zij rampspoedig nieuws ontvangen hadden. — 2 Kon. 19:1; Jes. 15:3; 22:12.