Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1329-1331
  • Rome

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Rome
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • ROME, POLITIEK GEZIEN
  • HET LEVEN EN DE OMSTANDIGHEDEN IN DE STAD
  • BUITENLANDSE INVLOED
  • RELIGIE
  • HET CHRISTENDOM KOMT NAAR ROME
  • Rome
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • De zesde wereldmacht — Rome
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1988
  • De stad Rome
    Nieuwewereldvertaling van de Bijbel (studie-uitgave)
  • Rome — van heidendom naar christenheid
    Ontwaakt! 1972
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1329-1331

ROME.

De eens kleine stad in Latium die de regeringszetel van het grootste wereldrijk in oude bijbelse tijden werd; tegenwoordig de hoofdstad van Italië. Rome ligt ongeveer halverwege aan de westzijde van het 1130 km lange Italiaanse schiereiland, zo’n 25 km stroomopwaarts aan beide zijden van de Tiber.

Wanneer precies en door wie Rome werd gesticht, is met sagen omhuld. Volgens de overlevering zou de stad in 753 v.G.T. door een zekere Romulus zijn gesticht, die de eerste koning ervan werd, maar uit grafmonumenten en andere aanwijzingen blijkt dat de stad op een veel eerder tijdstip bewoond was. De vroegst bekende nederzettingen werden op zeven heuvels aan de oostelijke oever van de Tiber gebouwd. Volgens de overlevering werd de eerste nederzetting op de Palatijn gebouwd. De andere zes heuvels, gelegen rondom de Palatijn (te beginnen in het N. en dan verder met de wijzers van de klok mee) waren Quirinaal, Viminaal, Esquilijn, Celio, Aventijn en Capitolijn.

Mettertijd werden de moerassige dalen tussen de heuvels drooggelegd, en in deze nu voor bewoning geschikte gebieden werden veel nederzettingen, forums en circussen gebouwd. Volgens Plinius de Oudere was de stadsmuur in 73 G.T. ruim 20 km lang. Net als alle grote steden breidde ook Rome zich verder uit. De heuvels en dalen aan de westelijke oever van de Tiber, met inbegrip van het ruim 40 ha omvattende gebied waar zich tegenwoordig het Vaticaan bevindt, werden bij het grondgebied van de stad getrokken. Vóór de grote brand in de tijd van Nero had de stad naar voorzichtige schattingen ver over de één miljoen inwoners.

ROME, POLITIEK GEZIEN

Dat Rome een wereldmacht werd, was een geleidelijke ontwikkeling. Eerste breidde het zijn macht uit over het hele Italiaanse schiereiland en ten slotte over het gebied rond de Middellandse Zee en nog veel verder. De naam van de stad werd vrijwel synoniem met de naam van het rijk.

Met betrekking tot de wereldpolitiek bereikte Rome het toppunt van zijn roem onder de caesars. De eerste was Julius Caesar, die in 46 v.G.T. voor tien jaar tot dictator werd benoemd en in het jaar 44 door samenzweerders werd vermoord. Na een interim, waarin een driemanschap probeerde de staatsaangelegenheden te besturen, werd Octavianus ten slotte alleenheerser in het Romeinse Rijk (31 v.G.T.–14 G.T.). In 27 v.G.T. slaagde hij erin keizer te worden en liet zich tot „Augustus” uitroepen. Gedurende de heerschappij van Augustus werd in 2 v.G.T. Jezus geboren (Luk. 2:1-7). Tiberius (14–37 G.T.), de opvolger van Augustus, regeerde tijdens Jezus’ bediening (Luk. 3:1, 2, 21-23). Na hem kwam Gaius (Caligula) (37–41 G.T.), opgevolgd door Claudius (41–54 G.T.), die een decreet uitvaardigde op grond waarvan de joden uit Rome verdreven werden (Hand. 18:1, 2). Daarop volgde de heerschappij van Nero (54–68 G.T.), op wie Paulus zich beriep. — Hand. 25:11, 12, 21.

Na Nero regeerden in de 1ste eeuw achtereenvolgens de volgende Romeinse keizers: Galba (68–69 G.T.), Otho en Vitellius (69), Vespasianus (69–79), tijdens wiens regering Jeruzalem verwoest werd, Titus (79–81), die voordien de succesvolle aanval op Jeruzalem had geleid, Domitianus (81–96), onder wiens regering Johannes volgens de overlevering naar het strafeiland Patmos verbannen werd, Nerva (96–98) en Trajanus (98–117). Onder Trajanus bereikte het keizerrijk zijn grootste uitbreiding; zijn grenzen strekten zich toen naar alle windstreken der aarde uit — tot aan de Rijn en de Noordzee, de Donau en de Eufraat, de Nijlcataracten en de Sahara, ja, tot aan de Atlantische oceaan in het W.

Gedurende de tijd dat het Romeinse Rijk in verval raakte, was Constantijn de Grote keizer (306–337 G.T.). Nadat hij aan de macht gekomen was, verlegde hij de hoofdstad naar Byzantium (Constantinopel). In de daaropvolgende eeuw (476) viel Rome, en de Germaanse legeraanvoerder Odoaker werd de eerste „barbaarse” koning.

HET LEVEN EN DE OMSTANDIGHEDEN IN DE STAD

Bestuurlijk werd de stad onder Augustus in 14 districten verdeeld, en in elk district werd jaarlijks door het lot een magistraat gekozen. Zeven brandweerbrigades, de cohortes vigilum genoemd, die elk voor twee van de districten verantwoordelijk waren, werden georganiseerd. Net buiten de noordoostelijke grens van de stad was een uit 10.000 man bestaande elitetroepenmacht gestationeerd, die als de pretoriaanse of keizerlijke lijfwacht bekendstond. Er waren ook drie cohortes urbanae, een soort stedelijke politiemacht, die de openbare orde in Rome moesten handhaven. De prostitutie was net als ieder ander beroep bij de wet geregeld. Een prostituée moest aan haar kleding herkend kunnen worden, officieel geregistreerd staan en een speciale belasting betalen.

De welgestelden en voornamen woonden vaak in paleizen op de heuvels en hielden er een grote stoet, soms wel honderden, mannelijke en vrouwelijke dienstknechten en slaven op na. Onder in de dalen woonde het gewone volk opeengepakt in grote, uit meer woonlagen bestaande huurkazernes (insulae), die volgens een door Augustus uitgevaardigde verordening niet hoger dan 20 m mochten zijn. Tussen deze huurkazernes kronkelden zich nauwe, vuile straatjes die het toneel waren van het voor een grote stad gebruikelijke verkeer en het verdorven leven.

In deze armere stadswijken brak in 64 G.T. de historische brand uit, die groot leed veroorzaakte en velen het leven kostte. Tacitus beschrijft de verwarring die daardoor ontstond en spreekt over „het gejammer van door angst bevangen vrouwen, de grijsaards die te zwak waren om te vluchten en de hulpeloze onervarendheid van de kinderen” (Annales, XV, 38). Slechts 4 van de 14 districten van Rome bleven gespaard.

In Rome waren slechts zeer weinig mensen die tot de „middenstand” gerekend konden worden; de rijkdom bevond zich in handen van een kleine minderheid. Toen Paulus voor de eerste keer in Rome kwam, bestond misschien de helft van de bevolking uit slaven, die als krijgsgevangenen, als veroordeelde misdadigers of als kinderen die door hun ouders waren verkocht, daarheen waren gebracht — slaven die geen enkel wettelijk recht bezaten. Van de vrijgelatenen, de andere helft van de bevolking, bestond het grootste gedeelte uit paupers, die vrijwel volledig van regeringssteun leefden.

Om te verhinderen dat deze arme bevolking in opstand zou komen, zorgde de staat voor twee dingen: voedsel en ontspanning, vandaar het satirische gezegde panem et circenses (brood en spelen), waarmee te kennen werd gegeven dat er niets anders nodig was om de armen van Rome te bevredigen. Vanaf 58 v.G.T. werd er doorgaans gratis graan uitgedeeld, en ook werd er via aquaducten water van kilometers ver de stad binnengebracht. Wijn kostte niet veel. Voor degenen die graag lazen, waren bibliotheken beschikbaar. Voor het plezier van het volk in het algemeen waren er openbare baden en sportscholen, alsook theaters en circussen. In de theaters werden Griekse en Romeinse schouwspelen, dansen en pantomimen opgevoerd. Eén theater had 40.000 zitplaatsen. In de grote amfitheaters en circussen vonden opwindende spelen plaats, vooral spectaculaire wagenrennen alsook gladiatorengevechten, waarin mensen en dieren wanhopige gevechten op leven en dood voerden. De Circus Maximus had een capaciteit van ruim 150.000 personen. De toegang tot de spelen was gratis.

De hierdoor ontstane hoge staatsuitgaven werden niet door de bevolking van Rome gedragen, want na de verovering van Macedonië in 167 v.G.T. hoefden de Romeinse burgers geen belasting meer te betalen. In plaats daarvan werden de provincies hoge directe en indirecte belastingen opgelegd. — Matth. 22:17-21.

BUITENLANDSE INVLOED

In velerlei opzicht bleek Rome een grote smeltkroes van rassen, talen, culturen en ideeën te zijn. Uit de „smeltoven” van de Romeinse politiek kwam geleidelijk het Romeinse recht voort — wetten die de rechten van regeringen, rechtbanken en magistraten alsook de voor hen geldende beperkingen definieerden en in rechtsmiddelen ter bescherming van de mensenrechten voorzagen, zoals het burgerrecht (Hand. 25:16). Het burgerrecht werd aan verbonden steden en aan verscheidene koloniën van het rijk verleend. Het bracht veel voordelen met zich mee (Hand. 16:37-39; 22:25, 26), en wie het niet door geboorte had gekregen, kon het kopen (Hand. 22:28). Op deze en andere manieren probeerde Rome de gebieden die ze veroverde te romaniseren en aldus haar positie als heerseres van het rijk te versterken. Bewijzen van deze bemoeienis worden aangetroffen in de van het Latijn afstammende „Romaanse talen” (tegenwoordig hoofdzakelijk Italiaans, Spaans, Portugees, Frans en Roemeens).

Rome beleefde zo’n toestroming van buitenlanders dat de Romeinen klaagden dat Rome niet meer Romeins was. Uit alle delen van het rijk kwamen zij en brachten hun ambachten, gewoonten, overleveringen en religies met zich mee. Latijn was weliswaar de officiële taal, maar de internationale taal was het koiʹne-Grieks. Daarom schreef de apostel Paulus zijn brief aan de Romeinen in het Grieks. De Griekse invloed deed zich ook in de literatuur en de onderwijs- en opvoedingsmethoden kennen. Jongens, en soms ook meisjes, werden officieel volgens het Atheense systeem opgevoed en in de Griekse literatuur en welsprekendheid onderricht. De zonen van de beter gesitueerden werden naar een van de filosofenscholen in Athene gestuurd.

RELIGIE

Rome werd ook het vergaarbekken van allerlei vormen van valse aanbidding. De geschiedschrijver John Lord beschrijft dit als volgt: „Het bijgeloof bereikte in Rome zijn hoogtepunt, want hier waren priesters en gelovigen uit alle door Rome overheerste landen te zien: ’de donkergekleurde dochters van Isis met trommel en tamboerijn en met uitdagende gelaatsuitdrukking; vereerders van de Perzische Mithras; ontmande Aziaten; priesters van Cybele met hun wilde dansen en afschuwelijke geschreeuw; aanbidders van de grote godin Diana; gevangengenomen barbaren en Teutoonse priesters met hun riten; Syriërs, joden, Chaldeeuwse astrologen en Thessalische tovenaars’” (Beacon Lights of History, Deel III, 1912, blz. 366, 367). Petronius, die voor het amusement aan het hof van Nero verantwoordelijk was, schreef in zijn Satires, hoofdstuk 17: „Er zijn zo veel godheden in ons land dat het gemakkelijker is een god te vinden dan een mens.”

De beoefening van deze religies en de daarmee gepaard gaande wilde seksorgieën openden de deur tot het totale zedenverval en het laten varen van alle gerechtigheid zowel in de lagere als in de hogere regionen van de Romeinse bevolking. Wat de laatste categorie betreft, Messalina, de overspelige, bloeddorstige vrouw van keizer Claudius, was daar een voorbeeld van. — De Annales, van Tacitus, XI, 1–34.

De keizeraanbidding nam onder de religies van Rome een vooraanstaande plaats in. De Romeinse heerser werd vergoddelijkt. Vooral in de provincies speelde de keizeraanbidding een belangrijke rol. Er werden daar tempels gebouwd waarin men offers aan hem bracht alsof hij een god was. George Willis Botsford schrijft in A History of Rome (uitg. van 1905, blz. 214, 215): „Tot aan de aanvaarding van het christendom zou de keizeraanbidding in feite de belangrijkste kracht in de religie van de Romeinse wereld zijn.” In een inscriptie die in Klein-Azië werd gevonden, wordt over de keizer gezegd: „Hij is de vaderlijke Zeus en de redder van het hele mensengeslacht, die alle gebeden verhoort, ja nog meer doet dan wij vragen. Want land en zee genieten vrede; de steden bloeien; overal heerst harmonie, welvaart en geluk.” Deze cultus was een van de belangrijkste redenen voor de vervolging van christenen, over wie bovengenoemde schrijver zegt: „Hun weigering de genius of beschermgeest van de keizer te vereren, werd vanzelfsprekend als oneerbiedigheid en als hoogverraad uitgelegd.” — Blz. 263.

HET CHRISTENDOM KOMT NAAR ROME

Op de dag van het Pinksterfeest in 33 G.T. waren „de hier [in Jeruzalem] woonachtige Romeinen, zowel joden als proselieten,” getuige van de resultaten van de uitstorting van de heilige geest, en ongetwijfeld bevonden zich ook enkelen van hen onder de 3000 die bij die gelegenheid gedoopt werden (Hand. 2:1, 10, 41). Nadat zij naar Rome waren teruggekeerd, predikten zij ongetwijfeld, en dit leidde tot de oprichting van een zeer sterke, actieve christelijke gemeente, waarover de apostel Paulus zei dat er ’in de gehele wereld over hun geloof werd gesproken’ (Rom. 1:7, 8). Zowel Tacitus (Annales, XV, 44) als Suetonius (Nero, XVI) maken melding van de christenen in Rome.

Omstreeks 56 G.T. schreef Paulus aan de christelijke gemeente in Rome, en ongeveer drie jaar later kwam hij als gevangene in Rome aan; hij had deze stad echter reeds eerder en onder andere omstandigheden willen bezoeken (Hand. 19:21; Rom. 1:15; 15:22-24). Maar nu kon hij, hoewel hij een gevangene was, een grondig getuigenis geven door mensen naar zijn huis te laten komen. Twee jaar lang bleef hij onder deze omstandigheden „met de grootste vrijmoedigheid van spreken, zonder belemmering, . . . het koninkrijk Gods tot hen [prediken] en gaf hij onderwijs in de dingen die met de Heer Jezus Christus verband hielden” (Hand. 28:14-31). Zelfs de pretoriaanse lijfwacht van de keizer raakte op de hoogte van de Koninkrijksboodschap (Fil. 1:12, 13). Op deze wijze legde Paulus, zoals over hem voorzegd was, ’ook in Rome een grondig getuigenis af’. — Hand. 23:11.

Gedurende de twee jaar dat Paulus in Rome in hechtenis zat, vond hij de tijd om te schrijven, en hij schreef de brief aan de Efeziërs, de Filippenzen, de Kolossenzen en aan Filemon. Blijkbaar omstreeks dezelfde tijd schreef Markus zijn evangelie en Lukas de Handelingen van Apostelen, waarschijnlijk beide eveneens vanuit Rome. In 61 G.T., kort voor of onmiddellijk nadat Paulus was vrijgelaten, schreef hij zijn brief aan de Hebreeën (Hebr. 13:23, 24). Gedurende zijn tweede gevangenschap in Rome, omstreeks 65 G.T., bezocht Onesiforus hem, en in deze tijd schreef Paulus ook zijn tweede brief aan Timotheüs. — 2 Tim. 1:15-17.

Hoewel men van Paulus, Lukas, Markus, Timotheüs en andere eerste-eeuwse christenen weet dat zij Rome bezochten (Fil. 1:1; Kol. 4:10, 14), blijkt nergens uit dat Petrus ooit in Rome is geweest, zoals dit op grond van bepaalde overleveringen beweerd wordt. De verhalen over het martelaarschap van Petrus in Rome berusten zuiver op overleveringen en hebben geen historische grondslag. — Zie PETRUS, BRIEVEN VAN.

De stad Rome verwierf zich door haar vervolging van christenen een zeer slechte reputatie, vooral tijdens de regering van Nero en Domitianus. Deze vervolgingen werden aan twee oorzaken toegeschreven: (1) de grote evangelisatieijver van christenen om anderen te bekeren, en (2) hun onwrikbare standpunt om wat God toebehoort, aan God te geven, en niet aan caesar. — Mark. 12:17.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen