WEERSPANNIGHEID, OPSTANDIG HANDELEN.
Ongehoorzaamheid aan of verzet en opstand tegen een hogere autoriteit. Tot de belangrijkste oorzaken van weerspannigheid behoren trots, zelfzucht, druk van buitenaf, het oneens zijn met het oordeel van een meerdere, en het verlangen om bevrijd te worden van werkelijke of vermeende onderwerping of onderdrukking. In bepaalde gevallen waren personen die weerspannig werden, niet voortdurend weerspannig. Mozes en Aäron bijvoorbeeld hebben Jehovah God vele jaren getrouw gediend. Maar onder druk van ruziënde Israëlieten verloren zij bij één gelegenheid hun zelfbeheersing en handelden weerspannig doordat zij in gebreke bleven God de eer te geven toen hij door een wonder voor water had gezorgd. — Num. 20:12, 24; 27:13, 14.
VROEGE GESCHIEDENIS
Opstand tegen God begon in het onzichtbare rijk. Een geestelijk schepsel, dat later als Satan de Duivel bekend kwam te staan, probeerde door middel van een slang de eerste vrouw Eva tot opstand tegen haar Schepper aan te zetten. Hij stelde opstand als iets aantrekkelijks voor, als een weg die tot verlichting zou leiden. Eva zwichtte voor het zelfzuchtige verlangen ’als God te zijn’ in de zin dat zij zelf kon beslissen wat goed en kwaad was in plaats van zich aan Gods oordeel in deze kwestie te onderwerpen. In de mening dat haar iets onthouden werd wat zij nu was gaan beschouwen als iets wat haar rechtmatig toekwam, verkoos zij Gods gebod te overtreden. Later zwichtte haar man Adam voor de door haar uitgeoefende druk en sloot zich in deze opstand bij haar aan. Dit deed hij niet omdat hij ertoe misleid was te denken dat de slang de waarheid sprak, maar kennelijk omdat hij zelfzuchtig het gezelschap van zijn zondige vrouw boven de goedkeuring van God verkoos. — Gen. 3:1-6; 1 Tim. 2:14.
In de eeuwen daarna bleek de meerderheid van de mensen zich niet aan God te willen onderwerpen. Vanaf de tijd van Abels dood tot aan de geboorte van Noach, een periode van meer dan 926 jaar, wordt alleen Henoch specifiek genoemd als iemand die met God wandelde (Gen. 5:22). Ook in het hemelse rijk bleef weerspannigheid zich uitbreiden. In de dagen van Noach werden engelen die naar zinnelijk genot verlangden, ongehoorzaam doordat zij hun positie in de hemel verlieten, een menselijk lichaam aannamen, vrouwen huwden en nakomelingen verwekten. — Gen. 6:4; 1 Petr. 3:19, 20; 2 Petr. 2:4, 5; Jud. 6.
Tegen de tijd van Noach was de mensheid zo doortrokken geraakt van de geest van weerspannigheid dat Jehovah God het juist achtte het mensengeslacht door middel van een vloed te vernietigen. Alleen Noach en zijn naaste familie, in totaal acht personen, werden waardig bevonden gered te worden. — Gen. 6:5-8; 7:13, 23.
IN ISRAËL
Jaren later ging Jehovah God zich exclusief met de natie Israël bezighouden. Toch kwam het in de geschiedenis van Israël herhaaldelijk voor dat de hele natie, groepen van personen of afzonderlijke personen weerspannig werden tegen Jehovah en tegen zijn vertegenwoordigers. In Ezechiël 44:6 wordt de naam „Weerspannigheid” zelfs op het huis van Israël toegepast, alsof de natie Israël door haar ongehoorzame handelwijze de personificatie van weerspannigheid was geworden.
Jehovah liet zulk een weerspannigheid niet ongestraft (1 Sam. 12:15; 15:23; 1 Kon. 13:21, 22, 26; Ps. 5:10; Jes. 1:20; 63:10; Jer. 4:16-18; Ezech. 20:21; Hos. 13:16). Zijn wet eiste de doodstraf voor degenen die zich weerspannig jegens hun ouders bleven gedragen (Deut. 21:18-21). God voltrok het oordeel aan de trotse en ambitieuze Korach, Dathan en Abiram en aan degenen die zich in hun opstand tegen Mozes en Aäron, Gods aangestelde vertegenwoordigers, bij hen hadden aangesloten. Toen de Israëlieten de juistheid van deze terechtstelling betwistten en van een opstandige geest jegens Mozes en Aäron blijk gaven, kwamen er door een gesel van Jehovah nog eens 14.700 om (Num. 16:1-3, 25-50). Vaak bediende Jehovah zich van andere natiën om de Israëlieten te straffen wanneer zij zwichtten voor de druk om net als de hen omringende natiën te zijn en weerspannig de ware aanbidding de rug toekeerden. — Recht. 2:3, 11-16; 3:4, 5; Neh. 9:26, 27.
ONDER CHRISTENEN
Christenen hebben eveneens met weerspannige personen te kampen gehad. De apostel Paulus voorzei een afval of opstand onder belijdende christenen (2 Thess. 2:3), en reeds in zijn tijd waren er afvalligen (1 Tim. 1:19, 20; 2 Tim. 2:16-19). De discipel Judas schreef over personen die schimpend spraken over „heerlijken” in de christelijke gemeente. Aangezien de vernietiging van zulke opstandige personen vaststond, sprak Judas over die vernietiging alsof ze reeds had plaatsgevonden, want hij zei: „[Zij] zijn in het opstandige gepraat van Korach vergaan!” — Jud. 8, 11; zie AFVAL, AFVALLIGHEID.
Onderwerping aan regeringsautoriteit is juist
In plaats van opstandig te zijn, worden degenen die als Christus’ volgelingen Gods goedkeuring wensen te verwerven ertoe aangemoedigd gehoorzaam te zijn aan degenen die binnen de gemeente de leiding nemen (Hebr. 13:17), en aan regeringsautoriteiten buiten de gemeente (Tit. 3:1, 2). Opstand tegen de wereldlijke regeringsautoriteit betekent opstand tegen God, want deze autoriteiten bestaan onder Gods toelating, en het is zijn wil dat christenen eraan onderworpen zijn zolang datgene wat ze verlangen niet in strijd is met zijn wet. — Rom. 13:1-7; Hand. 5:29.