VOORLEZEN.
Een belangrijk middel waarvan Jehovah zich bediende om zijn verbondsvolk betreffende zijn voornemens en vereisten te onderrichten en op te leiden. Over voorlezen wordt voor het eerst gesproken in Exodus 24:7, waar staat dat Mozes ten aanhoren van het gehele volk uit „het boek van het verbond” voorlas. Daardoor konden de Israëlieten weloverwogen een verbond met Jehovah aangaan waarin zij beloofden de Wet te zullen houden. In de tijd van het oude Israël beschikte men over betrekkelijk weinig exemplaren van de geïnspireerde geschriften; daarom werd de levitische priesters geboden: „Gij [zult] deze wet in het bijzijn van heel Israël en ten aanhoren van hen voorlezen.” Mozes gelastte hun om elk sabbatjaar op het Loofhuttenfeest aan heel het bijeengekomen volk — jong en oud, mannen en vrouwen, Israëlieten en inwonende vreemdelingen — de Wet voor te lezen. — Deut. 31:9-12.
Jozua las derhalve de geïnspireerde woorden van Mozes hardop aan het volk voor (Joz. 8:33-35). Koning Josafat zond vorsten, levieten en priesters uit om in de steden van Juda te onderwijzen (2 Kron. 17:7-9), hetgeen ongetwijfeld ook inhield dat zij voorlazen. Eeuwen later las Josia ten aanhoren van heel het volk „het boek van Jehovah’s wet van de hand van Mozes” (ongetwijfeld het door Mozes geschreven originele exemplaar van het wetboek), dat de priester Hilkia tijdens herstelwerkzaamheden aan de tempel had gevonden (2 Kon. 23:2; 2 Kron. 34:14). Als gevolg daarvan reinigde men het land van de demonenaanbidding. Na de terugkeer uit ballingschap las Ezra, bijgestaan door de stadhouder Nehemia, het volk van het aanbreken van de dag tot de middag uit de Wet voor. Het voorgelezene werd steeds verklaard of begrijpelijk gemaakt. — Neh. 8:3, 8.
IN DE SYNAGOGEN
Jezus was gewoon om op de sabbatten in de synagoge voor te lezen; vervolgens hielp hij zijn toehoorders het voorgelezene te begrijpen door het te verklaren (Luk. 4:16). Zo had men het reeds vele jaren gedaan. „Want van oudsher heeft Mozes in stad na stad mensen gehad die hem prediken, omdat hij elke sabbat in de synagogen wordt voorgelezen” (Hand. 15:21). In de synagogen was het gebruikelijk dat er uit de Wet en de profeten werd voorgelezen, en volgens rabbijnse bronnen ging men daarbij als volgt te werk: Eerst werd het sjema voorgelezen, dat als de joodse geloofsbelijdenis gold en Deuteronomium 6:4-9, 11:13-21 en Numeri 15:37-41 omvatte. Vervolgens kwam de voorlezing van een gedeelte van de thora of Wet, de Pentateuch, die meestal in de loop van een jaar werd uitgelezen. Ten slotte werden uittreksels uit de profeten, haftaroth genaamd, voorgelezen, hetgeen gepaard ging met een passende uitlegging. De voorlezing eindigde met een toespraak of een vermaning. Na zo’n voorlezing in een synagoge in Antiochië in Pisidië werd Paulus uitgenodigd te spreken; hij hield toen een toespraak waarin hij de aanwezigen vermaande en aanmoedigde. — Hand. 13:15.
IN DE CHRISTELIJKE GEMEENTE
In de 1ste eeuw bezaten slechts weinigen een afschrift van de vele boekrollen van de bijbel, hetgeen het voorlezen noodzakelijk maakte. De apostel Paulus gaf opdracht zijn brieven op de vergaderingen van de christelijke gemeenten voor te lezen en ze uit te wisselen met de brieven die hij aan andere gemeenten had geschreven, zodat die ook konden worden voorgelezen (Kol. 4:16; 1 Thess. 5:27). De jonge christelijke opziener Timotheüs ontving van Paulus de raad zich toe te leggen op „het voorlezen, het vermanen, het onderwijzen”. — 1 Tim. 4:13.
Wie voorleest, moet dit vloeiend doen (Hab. 2:2). Aangezien voorlezen ten doel heeft anderen te onderwijzen, moet een voorlezer precies weten wat hij leest en een duidelijk begrip hebben van de bedoeling van de schrijver; hij dient zorgvuldig te lezen en ervoor te zorgen de toehoorders geen verkeerde gedachte of indruk over te brengen. Volgens Openbaring 1:3 zullen zowel degenen die „deze profetie” hardop lezen als degenen die de woorden horen en onderhouden, gelukkig zijn.