Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1261-1264
  • Prediken, prediker

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Prediken, prediker
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • IN DE HEBREEUWSE GESCHRIFTEN
  • IN DE CHRISTELIJKE GRIEKSE GESCHRIFTEN
  • NA JEZUS’ DOOD
  • BINNEN DE GEMEENTE PREDIKEN
  • TOT DE GEESTEN IN DE GEVANGENIS PREDIKEN
  • Prediken, prediker
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Heraut
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Wat u verder ook doet — predik!
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Wat het goede nieuws dat gepredikt moet worden thans onderscheidt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1261-1264

PREDIKEN, PREDIKER.

De uitdrukking „prediken”, waarmee gewoonlijk het Griekse woord ke·rusʹso wordt weergegeven, benadert de betekenis van dit woord het meest. De grondbetekenis van ke·rusʹso is „als heraut verkondigen; een heraut zijn, als heraut werkzaam zijn; (tot overwinnaar) uitroepen”. Het verwante zelfstandige naamwoord is keʹrux en betekent „heraut; openbare boodschapper; afgezant; omroeper (die tijdens volksvergaderingen mededelingen bekendmaakte en de orde bewaarde, enz.)”. Een ander verwant zelfstandig naamwoord is ke·rugʹma en betekent „dat wat door een heraut wordt uitgeroepen; bekendmaking; afkondiging (van overwinning bij wedstrijden); bevel; oproep”. Ke·rusʹso brengt dus niet de gedachte over van het houden van een toespraak voor een besloten groep discipelen, maar duidt veeleer op een openbare bekendmaking. Dit wordt toegelicht door de manier waarop het wordt gebruikt ter beschrijving van de „sterke engel, die met een luide stem uitriep [ke·rus·sonʹta]: ’Wie is waardig de boekrol te openen en haar zegels los te maken?’” — Openb. 5:2; vergelijk ook Mattheüs 10:27.

Het woord eu·ag·ge·liʹzo betekent ’goed nieuws bekendmaken’ (Matth. 11:5). Verwante woorden zijn di·ag·gelʹlo, „alom bekendmaken; aangifte doen” (Luk. 9:60; Hand. 21:26; Rom. 9:17) en kat·ag·gelʹlo, „verkondigen; spreken over” (Hand. 13:5; Rom. 1:8; 1 Kor. 11:26; Kol. 1:28). In hoofdzaak bestaat het verschil tussen ke·rusʹso en eu·ag·ge·liʹzo hierin dat het eerste woord de nadruk legt op de manier waarop de bekendmaking wordt gedaan, d.w.z. dat het om een openbare, officiële verkondiging gaat, en het laatste woord de nadruk legt op de inhoud ervan, waarbij het om het bekendmaken van of het brengen van het eu·ag·geʹli·on, het goede nieuws of evangelie gaat.

Ke·rusʹso komt enigszins overeen met het Hebreeuwse ba·sarʹ, dat „nieuws brengen; aankondigen; als een brenger van nieuws optreden” betekent (1 Sam. 4:17; 2 Sam. 1:20; 1 Kron. 16:23). Ba·sarʹ heeft echter niet hetzelfde officiële karakter als ke·rusʹso.

IN DE HEBREEUWSE GESCHRIFTEN

Noach is de eerste die als een „prediker” wordt aangeduid (2 Petr. 2:5), hoewel het profeteren dat Henoch al vóór Noach deed, wellicht bekendheid heeft gekregen doordat hij predikte (Jud. 14, 15). Dat Noach voorafgaande aan de Vloed rechtvaardigheid predikte, hield klaarblijkelijk een oproep tot berouw en een waarschuwing voor een komende vernietiging in, zoals blijkt uit Jezus’ opmerking dat de mensen ’er geen acht op sloegen’ (Matth. 24:38, 39). Bij de door Noach op Gods bevel verrichte openbare bekendmaking ging het derhalve niet voornamelijk om het brengen van goed nieuws.

Na de Vloed dienden vele mannen, o.a. Abraham, als profeten, aangezien zij goddelijke openbaringen aankondigden (Ps. 105:9, 13-15). Voordat de Israëlieten zich in het Beloofde Land vestigden, schijnt dit echter niet op geregelde basis of beroepshalve in de trant van een prediking in het openbaar gedaan te zijn. De vroege patriarchen hadden niet de opdracht ontvangen om als herauten op te treden. Onder de heerschappij van de koningen in Israël traden profeten op als openbare woordvoerders die Gods verordeningen, oordelen en oproepen op openbare plaatsen bekendmaakten (Jes. 58:1; Jer. 26:2). Dat Jona’s tot Nineve gerichte boodschap een afkondiging wordt genoemd, komt goed overeen met de gedachte die door ke·rugʹma wordt overgedragen. (Vergelijk Jona 3:1-4; Mattheüs 12:41.) De dienst van de profeten hield in het algemeen echter veel meer in dan die van een heraut of prediker, en in sommige gevallen maakten zij gebruik van de diensten van anderen als hun woordvoerders (2 Kon. 5:10; 9:1-3; Jer. 36:4-6). Sommige van hun boodschappen en visioenen werden niet mondeling verkondigd maar alleen opgetekend (Jer. 29:1, 30, 31; 30:1, 2; Dan. hfdst. 7–12), terwijl andere onder vier ogen werden overgebracht of de gedachte door symbolische handelingen werd overgedragen. — Zie PROFETIE; PROFEET.

De Hebreeuwse Geschriften wezen ook vooruit naar het predikingswerk dat door Christus Jezus en de christelijke gemeente verricht zou worden. Jezus citeerde Jesaja 61:1, 2 en toonde aan dat deze woorden een voorzegging waren van zijn goddelijke opdracht en zijn machtiging om te prediken (Luk. 4:16-21). Als een vervulling van Psalm 40:9 (de voorafgaande verzen werden door de apostel Paulus in Hebreeën 10:5-10 op Jezus toegepast) ’vertelde Jezus het goede nieuws [vorm van ba·sarʹ] van rechtvaardigheid in de grote gemeente’. De apostel Paulus citeerde Jesaja 52:7 (waar wordt gesproken over de boodschapper die het nieuws van Sions vrijlating uit gevangenschap verkondigt) en bracht deze passage van toepassing op het door christenen verrichte predikingswerk. — Rom. 10:11-15.

IN DE CHRISTELIJKE GRIEKSE GESCHRIFTEN

Hoewel Johannes de Doper voornamelijk in de wildernis werkzaam was, verrichtte hij het werk van een prediker of openbare boodschapper, doordat hij aan de joden die tot hem kwamen, de komst van de Messias en het naderbij komen van Gods koninkrijk verkondigde en hen opriep tot berouw (Matth. 3:1-3, 11, 12; Mark. 1:1-4; Luk. 3:7-9). Tevens diende Johannes als een profeet, een leraar (die discipelen had) en een evangelieprediker (Luk. 1:76, 77; 3:18; 11:1; Joh. 1:35). Hij was „een vertegenwoordiger van God” en Zijn getuige. — Joh. 1:6, 7.

Nadat Jezus veertig dagen in de wildernis van Judea had gevast, bleef hij daar niet en ook zonderde hij zich niet af om als een monnik te leven. Hij zag in dat de hem door God verschafte opdracht vereiste dat hij predikingswerk verrichtte en daarom predikte hij overal, in de steden en dorpen, op het tempelterrein, in synagogen, op marktplaatsen en straten alsook op het platteland (Mark. 1:39; 6:56; Luk. 8:1; 13:26; Joh. 18:20). Evenals Johannes predikte hij niet alleen, maar onderwees hij ook; hij legde zelfs meer de nadruk op zijn onderwijs dan op zijn prediking. Onderwijzen (di·daʹsko) verschilt daarin van prediken dat de onderwijzer meer doet dan verkondigen; hij onderricht, verklaart, voert argumenten aan en legt bewijzen voor. Het werk van Jezus’ discipelen, zowel vóór als na zijn dood, zou derhalve een combinatie van prediken en onderwijzen zijn. — Matth. 4:23; 11:1; 28:18-20.

Het thema van Jezus’ prediking was: „Hebt berouw, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen” (Matth. 4:17). Als een officiële heraut vestigde hij de aandacht van zijn toehoorders op God, zijn Soeverein, en op diens grote daden, terwijl hij er tevens op wees dat de gelegen tijd om een beslissing te nemen gekomen was (Mark. 1:14, 15). Zoals door Jesaja was voorzegd, bracht hij niet alleen goed nieuws en vertroosting voor de zachtmoedigen, de gebrokenen van hart en de treurenden, en riep hij vrijlating voor de gevangenen uit, maar maakte hij ook „de dag der wraak van de zijde van onze God” bekend (Jes. 61:2). Vrijmoedig kondigde hij zowel de heersers als het volk Gods voornemens, verordeningen, voorschriften en oordelen aan.

NA JEZUS’ DOOD

Na Jezus’ dood, en vooral vanaf Pinksteren in 33 G.T., zetten zijn discipelen het predikingswerk voort, eerst onder de joden en vervolgens onder alle natiën. Op grond van hun zalving met heilige geest wisten zij dat zij gevolmachtigde herauten waren, en dat hielden zij hun toehoorders steeds weer met klem voor (Hand. 2:14-18; 10:40-42; 13:47; 14:3; vergelijk Romeinen 10:15), zoals ook Jezus er de nadruk op had gelegd dat hij ’door God gezonden’ was (Luk. 9:48; Joh. 5:36, 37; 6:38; 8:18, 26, 42), die hem ’een gebod had gegeven met betrekking tot wat hij zeggen en wat hij spreken zou’ (Joh. 12:49). Toen de discipelen werd bevolen met prediken op te houden, gaven zij derhalve ten antwoord: „Oordeelt zelf of het in Gods ogen rechtvaardig is meer naar u te luisteren dan naar God. Maar wat ons betreft, wij kunnen niet ophouden te spreken over de dingen die wij gezien en gehoord hebben.” „Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen” (Hand. 4:19, 20; 5:29, 32, 42). Deze predikingsactiviteit was een essentieel onderdeel van hun aanbidding, een middel om God te loven, een vereiste om redding te verwerven (Rom. 10:9, 10; 1 Kor. 9:16; Hebr. 13:15; vergelijk Lukas 12:8). Derhalve moesten tot aan het „besluit van het samenstel van dingen” alle discipelen, zowel mannen als vrouwen, aan dit werk deelnemen. — Matth. 28:18-20; Luk. 24:46-49; Hand. 2:17; vergelijk Handelingen 18:26; 21:9; Romeinen 16:3.

Deze vroeg-christelijke predikers hadden naar wereldse maatstaven geen hoge opleiding genoten. In de ogen van het Sanhedrin waren bepaalde apostelen „ongeletterde en gewone mensen” (Hand. 4:13). Aangaande Jezus zelf „verwonderden [de joden] zich en zeiden: ’Hoe kan deze man zo geleerd zijn, terwijl hij niet op de scholen heeft gestudeerd?’” (Joh. 7:15) Wereldlijke geschiedschrijvers merkten dezelfde punten op: „Celsus, de eerste die het christendom in geschrifte bestreed, drijft er de spot mee dat wolwerkers, schoenmakers, leerlooiers, de ongeletterdste en onbehouwenste mensen ijverige verkondigers van het Evangelie zouden zijn” (Allgemeine Geschichte der Christlichen Religion und Kirche, dr. August Neander, 1842, Deel 3, blz. 135, 120). Paulus zei er het volgende over: „Want gij ziet uw roeping, broeders, dat niet veel wijzen naar het vlees werden geroepen, niet veel machtigen, niet velen van edele geboorte; maar God heeft het dwaze der wereld uitgekozen om de wijzen te beschamen.” — 1 Kor. 1:26, 27.

Maar hoewel de vroeg-christelijke predikers geen hoge opleiding aan wereldse scholen hadden ontvangen, waren zij niet onopgeleid. Jezus leidde de 12 apostelen grondig op voordat hij hen uitzond om te prediken (Matth. hfdst. 10). Deze opleiding bestond niet louter in het geven van instructies, maar was een praktische opleiding. — Luk. 8:1.

Het thema van de christelijke prediking bleef „het koninkrijk Gods” (Hand. 20:25; 28:31). Doch in vergelijking met de boodschap die voorafgaande aan de dood van Christus was bekendgemaakt, was hun prediking nu veelomvattender. Het „heilige geheim” van Gods voornemen was door bemiddeling van Christus geopenbaard, zijn offerandelijke dood was een belangrijke factor in het ware geloof geworden (1 Kor. 15:12-14), en allen die Gods gunst en leven wilden verwerven, moesten van zijn verheven positie als Gods aangestelde Koning en Rechter op de hoogte zijn, die erkennen en zich eraan onderwerpen (2 Kor. 4:5). Daarom werd er over de discipelen vaak gezegd dat zij ’Christus Jezus predikten’ (Hand. 8:5; 9:20; 19:13; 1 Kor. 1:23). Een analyse van hun prediking brengt aan het licht dat zij door ’Christus te prediken’, bij hun toehoorders niet de indruk wekten dat Christus losstond van, of niets te maken had met Gods Koninkrijksregeling en zijn allesomvattende voornemen. Zij maakten veeleer bekend wat Jehovah God voor en door bemiddeling van zijn Zoon had gedaan, hoe Gods voornemens in Jezus werden vervuld en nog vervuld zouden worden (2 Kor. 1:19-21). Heel deze prediking was derhalve tot Gods lof en heerlijkheid, „door bemiddeling van Jezus Christus”. — Rom. 16:25-27.

Zij predikten niet alleen omdat zij zich daartoe verplicht voelden, noch bestond hun verkondiging louter in het formeel laten weerklinken van een boodschap. Zij werden ertoe gedreven door een diepgeworteld geloof en deden het omdat zij de wens koesterden God te eren alsook de uit liefde voortspruitende hoop bezaten anderen redding te brengen (Rom. 10:9-14; 1 Kor. 9:27; 2 Kor. 4:13). Daarom waren deze predikers bereid door de wijzen van deze wereld als dwazen behandeld te worden of door de joden als ketters vervolgd te worden (1 Kor. 1:21-24; Gal. 5:11). Om deze reden spanden zij zich bij hun prediking ook in om hun toehoorders door logische en overtuigende argumentatie te helpen gelovigen te worden en overeenkomstig hun geloof te handelen (Hand. 17:2; 28:23; 1 Kor. 15:11). Paulus zei over zichzelf dat hij tot een „prediker en apostel en leraar” was aangesteld (2 Tim. 1:11). Deze christenen waren geen gesalarieerde herauten, maar toegewijde aanbidders die zichzelf, hun tijd en hun kracht aan het predikingswerk gaven. — 1 Thess. 2:9.

Aangezien allen die discipelen werden ook predikers van het woord werden, verbreidde het goede nieuws zich snel, zodat Paulus toen hij zijn brief aan de Kolossenzen schreef (ca. 60–61 G.T. of ongeveer 27 jaar na Christus’ dood), kon zeggen dat het goede nieuws „in heel de schepping die onder de hemel is, werd gepredikt” (Kol. 1:23). Bijgevolg ging Christus’ profetie over de ’prediking van het goede nieuws in alle natiën’ reeds in zekere mate in vervulling voordat Jeruzalem en zijn tempel in 70 G.T. vernietigd werden (Matth. 24:14; Mark. 13:10). Zowel Jezus’ eigen woorden als het boek Openbaring, dat na die vernietiging werd geschreven, duiden erop dat deze profetie aan het begin van Christus’ Koninkrijksheerschappij en voorafgaande aan de vernietiging van alle tegenstanders van dat koninkrijk — wat beslist een logische tijd is voor het verrichten van een groot aankondigingswerk — een grotere vervulling zal ondergaan. — Openb. 12:7-12, 17; 14:6, 7; 19:5, 6; 22:17.

Welke resultaten dienen christelijke predikers als gevolg van hun inspanningen te verwachten? Paulus’ ervaring was dat „sommigen geloofden . . . wat er werd gezegd; anderen geloofden niet” (Hand. 28:24). Het kan niet anders of de echte, op Gods Woord gebaseerde christelijke prediking leidt tot de een of andere reactie. De prediking is krachtig, dynamisch en confronteert de mensen bovenal met een strijdvraag ten aanzien waarvan zij een standpunt moeten innemen. Sommigen worden actieve tegenstanders van de Koninkrijksboodschap (Hand. 13:50; 18:5, 6). Anderen luisteren een poosje, maar keren zich uiteindelijk om verschillende redenen van de boodschap af (Joh. 6:65, 66). Weer anderen aanvaarden het goede nieuws en handelen dienovereenkomstig. — Hand. 17:11; Luk. 8:15.

BINNEN DE GEMEENTE PREDIKEN

Bij de predikingsactiviteit die in de christelijke Griekse Geschriften opgetekend staat, gaat het meestal om de verkondiging buiten de gemeente. Maar toen Paulus Timotheüs vermaande: „Predik het woord, houd u er als met een dringende zaak mee bezig, in gunstige tijd, in moeilijke tijd”, doelde hij, zoals uit het verband blijkt, voornamelijk op de prediking binnen de gemeente, zoals een opziener dit in het algemeen doet (2 Tim 4:2). Paulus’ brief aan Timotheüs is een herderlijke brief, d.w.z. hij was gericht aan iemand die herderlijk werk onder de christenen verrichtte en verschaft raad over zulk een door een opziener verrichte dienst. Voorafgaande aan deze vermaning om ’het woord te prediken’, had Paulus Timotheüs gewaarschuwd voor de afval die zich reeds begon te openbaren en ernstige vormen zou gaan aannemen (2 Tim 2:16-19; 3:1-7). Na Timotheüs vermaand te hebben om in zijn prediking aan „het woord” vast te houden en daar niet van af te wijken, geeft Paulus de dringende reden ervoor aan: „Want er zal een tijdsperiode komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen”, maar zich in plaats daarvan leraren zullen zoeken wier leer met hun eigen begeerten strookt, als gevolg waarvan zij ’hun oren van de waarheid zullen afwenden’, waaruit dus blijkt dat het niet om buitenstaanders gaat maar om personen die zich binnen de gemeente bevinden (2 Tim. 4:3, 4). Timotheüs moest derhalve zijn geestelijk evenwicht niet verliezen maar de broeders steeds vrijmoedig Gods woord (geen menselijke filosofieën of zinloze speculaties) bekendmaken, zelfs al zou dit voor hem moeilijkheden en lijden van de zijde van verkeerd ingestelde personen in de gemeente tot gevolg hebben. (Vergelijk 1 Timotheüs 6:3-5, 20, 21; 2 Timotheüs 1:6-8, 13; 2:1-3, 14, 15, 23-26; 3:14-17; 4:5.) Op deze wijze zou hij een belemmering vormen voor de afval en zich net als Paulus hoeden voor bloedschuld. — Hand. 20:25-32.

TOT DE GEESTEN IN DE GEVANGENIS PREDIKEN

In 1 Petrus 3:19, 20 zegt de apostel, nadat hij Jezus’ opstanding tot geestelijk leven heeft beschreven, het volgende: „In deze staat is hij ook heengegaan en heeft hij gepredikt tot de geesten in de gevangenis, die eens ongehoorzaam waren geweest, toen het geduld van God wachtte in de dagen van Noach, terwijl de ark werd gebouwd.” In een commentaar op deze tekst zegt W. E. Vines Expository Dictionary of New Testament Words: „In 1 Petr. 3:19 wordt waarschijnlijk niet op blijde tijdingen gedoeld (door niets wordt bewezen dat Noach zo’n boodschap gepredikt heeft en ook bestaat er geen bewijs voor dat de geesten van de antediluviaanse mensen werkelijk ’in de gevangenis’ zijn), maar op het feit dat Christus na Zijn opstanding aan de gevallen geestenengelen Zijn overwinning verkondigde” (Deel III, blz. 201). Zoals reeds is opgemerkt, heeft ke·rusʹso niet alleen betrekking op de verkondiging van iets goeds, maar kan het ook betrekking hebben op de verkondiging van iets slechts, zoals toen Jona Nineves toekomstige vernietiging aankondigde. De enige geesten die zich volgens de Schrift in de gevangenis bevinden, zijn de engelen uit de dagen van Noach, die ’aan afgronden van dikke duisternis overgeleverd’ werden (2 Petr. 2:4, 5) en „met eeuwige banden onder dikke duisternis bewaard [worden] voor het oordeel van de grote dag” (Jud. 6). Derhalve kan de opgestane Jezus alleen maar een oordeelsboodschap tot zulke onrechtvaardige engelen gepredikt hebben.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen