PESTILENTIE.
Een snel om zich heen grijpende infectieziekte die epidemische vormen kan aannemen en de dood kan veroorzaken. In talrijke schriftplaatsen wordt pestilentie in verband gebracht met de voltrekking van een goddelijk oordeel aan zowel Gods naamvolk als hun tegenstanders. — Ex. 9:15; Num. 14:12; Ezech. 38:2, 14-16, 22, 23; Amos 4:10.
HET GEVOLG VAN VERZAKING VAN GODS WET
De natie Israël werd gewaarschuwd dat Jehovah ’pestilentie in hun midden zou zenden’ indien zij weigerden zich te houden aan het verbond dat hij met hen had gesloten (Lev. 26:14-16, 23-25; Deut. 28:15, 21, 22). In de hele Schrift wordt gezondheid, hetzij in fysiek of in geestelijk opzicht, met Gods zegen in verband gebracht (Deut. 7:12, 15; Ps. 103:1-3; Spr. 3:1, 2, 7, 8; 4:21, 22; Openb. 21:1-4), terwijl ziekte met zonde en onvolmaaktheid wordt geassocieerd (Ex. 15:26; Deut. 28:58-61; Jes. 53:4, 5; Matth. 9:2-6, 12; Joh. 5:14). Alhoewel het waar is dat Jehovah God in bepaalde gevallen rechtstreeks en ogenblikkelijk rampspoed over personen bracht, zoals over Mirjam, Uzzia en Gehazi, die hij met melaatsheid sloeg (Num. 12:10; 2 Kron. 26:16-21; 2 Kon. 5:25-27), schijnt het dat in veel gevallen ziekten en pestilentie de natuurlijke en onverbiddelijke gevolgen van de zondige handelwijze van personen of natiën waren. Zij oogstten slechts wat zij hadden gezaaid, hun lichaam leed onder de gevolgen van hun verkeerde gedrag (Gal. 6:7, 8). Over degenen die tot walgelijke seksuele immoraliteit vervielen, zei Paulus dat God hen „aan onreinheid [had] overgegeven, opdat zij onderling hun lichamen zouden onteren, . . . in zichzelf de volledige vergelding ontvangend die hun voor hun dwaling toekwam”. — Rom. 1:24-27.
Israël erdoor getroffen
Gods waarschuwing aan Israël kwam er dus in feite op neer dat hij hun liet weten dat zij onvermijdelijk met vele ziekten te kampen zouden krijgen als zij een loopbaan van ongehoorzaamheid aan zijn wil volgden. De Wet die hij hun had gegeven, diende vanwege haar hoge morele maatstaven en uitmuntende hygiënische voorschriften (zie ZIEKTEN EN HUN BEHANDELING [Nauwkeurigheid van bijbelse denkbeelden]), alsook vanwege de heilzame uitwerking op hun mentale en emotionele gesteldheid, ter voorkoming van en als een bescherming tegen ziekten (Ps. 19:7-11; 119:102, 103, 111, 112, 165). In Leviticus 26:14-16 wordt niet een nu en dan voorkomende overtreding van die Wet beschreven, maar een regelrechte verzaking en verwerping van haar maatstaven, waardoor de natie beslist bloot zou komen te staan aan allerlei ziekten en epidemieën. De geschiedenis van het verleden en het heden bevestigt de waarachtigheid van dit feit.
De natie Israël verviel tot grove afval, en Ezechiëls profetie toont hoe het volk ten slotte over zichzelf zegt dat zij wegens hun daden van opstandigheid en zonden „wegrotten” (Ezech. 33:10, 11; vergelijk 24:23). Zoals voorzegd, had de natie te lijden van „het zwaard en de hongersnood en de pestilentie”, en dit bereikte een hoogtepunt toen de Babyloniërs binnenvielen (Jer. 32:16, 24). Dat pestilentie vaak in samenhang met het zwaard en hongersnood wordt genoemd (Jer. 21:9; 27:13; Ezech. 7:15), komt met de bekende feiten overeen. Pestilentie gaat gewoonlijk samen met of volgt in het kielzog van oorlog en de daarmee samenhangende voedseltekorten. Wanneer een vijandelijke strijdmacht een land binnenvalt, worden de landbouwactiviteiten belemmerd en worden de oogsten vaak in beslag genomen of verbrand. Belegerde steden zijn afgesneden van voorzieningen van buiten af, en de honger begint om zich heen te grijpen onder de te dicht op elkaar wonende bevolking die gedwongen is onder onhygiënische toestanden te leven. Onder zulke omstandigheden neemt de weerstand tegen ziekten af en kan de dodelijke pestilentie toeslaan.
BIJ HET „BESLUIT VAN HET SAMENSTEL VAN DINGEN”
Toen Jezus de verwoesting van Jeruzalem en het „besluit van het samenstel van dingen” voorzei, maakte hij duidelijk dat pestilentie een opvallend kenmerk zou zijn van het geslacht binnen welks levensduur de „grote verdrukking” zou losbarsten (Matth. 24:3, 21; Luk. 21:10, 11, 31, 32). Het schriftgedeelte in Openbaring 6:1-8, dat werd opgetekend na de verwoesting van Jeruzalem (die vergezeld ging van zware hongersnoden en ziekten), wees op een toekomstige tijd die door het zwaard, de hongersnood en „dodelijke plagen” gekenmerkt zou worden. Dit alles zou zich voordoen na het verschijnen van de gekroonde ruiter op het witte paard, die er op uit trekt om te overwinnen en die nauwkeurig overeenkomt met de in Openbaring 19:11-16 beschreven ruiter, met wie duidelijk de regerende Christus Jezus wordt bedoeld.