SIERADEN, VERSIERSELEN.
Zowel verwijzingen in de bijbel als archeologische vondsten onthullen dat er reeds in zeer oude tijden niet alleen belangstelling voor versiering bestond, maar dat er destijds ook uiterst bekwame en vakkundige handwerkers waren die over artistieke begaafdheid beschikten. Kunsthandwerkers — wevers, borduurders, hout- en ivoorsnijders alsook metaalbewerkers — wisten zeer decoratieve kunstwerken te vervaardigen. De overblijfselen van paleizen in Assyrië, Babylon, Perzië en de stad Mari getuigen alle van een rijke decoratie. Op de binnenwanden waren grote muurschilderingen aangebracht, terwijl fijngestileerde bas-reliëfs met oorlogs-, jacht- en paleistaferelen zowel binnen- als buitenmuren sierden. Paleispoorten werden vaak bewaakt door immense dieregestalten. Op reliëfs zijn de koningen en andere personen in prachtig geborduurde gewaden te zien. Zelfs het tuig van de paarden is met kwasten en graveringen rijk versierd. (Vergelijk Rechters 8:21, 26, waar gesproken wordt over de halskettingen van de kamelen van de Midianieten.)
BIJ DE HEBREEËN EN DE CHRISTENEN
De bijbel legt grotere nadruk op geestelijke schoonheid dan op letterlijke versiering. Door ouders verschaft streng onderricht is „een aantrekkelijke krans” voor het hoofd „en een mooie halsketting” voor de hals, ja, het is een „luisterrijke kroon”; „de lippen der kennis zijn kostbare vaten”, waardevoller dan de gouden vazen van een kunsthandwerker; „als gouden appels in zilver beeldsnijwerk is een woord, gesproken op de juiste tijd ervoor”, en „een oorring van goud, en een sieraad van speciaal goud, is een wijze terechtwijzer bij het horende oor” (Spr. 1:9; 4:9; 20:15; 25:11, 12). Een mooie vrouw wie het aan verstand ontbreekt, wordt vergeleken met „een gouden neusring in een varkenssnuit” (Spr. 11:22). Alhoewel deze teksten de schoonheid van geestelijke hoedanigheden doen uitkomen, tonen ze tevens aan dat de bijbelschrijvers en degenen die hun geschriften lazen, goed bekend waren met al dergelijke siervoorwerpen.
Vooral de christelijke Griekse Geschriften moedigen aan tot bescheidenheid. Vrouwen dienden „zich in welverzorgde kleding [te] sieren, met bescheidenheid en gezond verstand, niet met bijzondere haarvlechtingen en goud of parels of zeer kostbare kleding, maar zoals het vrouwen die belijden God te vereren, past, namelijk door middel van goede werken” (1 Tim. 2:9, 10). Petrus kon zich beroepen op voorbeelden uit voorchristelijke tijden toen hij er bij vrouwen op aandrong zich te tooien met „de verborgen persoon van het hart in de onverderfelijke tooi van de stille en zachtaardige geest, die van grote waarde is in de ogen van God”, en hij kon op vrouwen als Sara wijzen die zich aldus versierden en „zich aan hun eigen man onderwierpen” (1 Petr. 3:1-6). De Schrift verschaft dus, voor zover ze wordt opgevolgd, een gids voor de juiste waardebepaling en het evenwichtige gebruik van sieraden en versierselen.
IN DE PROFETIEËN
Jehovah vergeleek Jeruzalem, de hoofdstad van Juda, vanwege de zegen die hij erop liet rusten, met een in kostbare kleding gehulde en rijk getooide vrouw. Verlies van geestelijke gezindheid en geestelijke prostitutie met de natiën leidde ertoe dat zij van haar versieringen werd ontdaan en als naakt werd achtergelaten (Ezech. 16:2, 10-39). Niet alleen in geestelijk opzicht werd zij ontbloot, maar ook letterlijk, want haar hebzuchtige veroveraars beroofden haar van haar rijkdom, met inbegrip van de voetringen, voorhoofdsbanden, maanvormige sieraden, oorbellen, armbanden, sluiers, hoofdtooisels, voetkettinkjes, borstbanden, „huizen van de ziel” (waarschijnlijk worden hier reukflesjes mee bedoeld), tot sieraad dienende zoemende schelpen, vinger- en neusringen die de „dochters van Sion” hadden gedragen (Jes. 3:16-26). Het zou een tijd van rouw zijn, want in de rouwtijd legde men gewoonlijk zijn sieraden af. — Ex. 33:4-6.
Toen Jehovah Sion echter uit Babylonische gevangenschap terugkocht, zou hij haar, vanwege de vrede en rechtvaardigheid die hij zou brengen, figuurlijk gesproken op een fundament van saffier bouwen, met kantelen van robijn en poorten van vurige, fonkelende stenen (Jes. 54:7, 8, 11-14), en zij zou als een bruid gekleed en getooid worden (Jes. 49:14-18; vergelijk 61:10). Dit laatstgenoemde beeld komt enigszins overeen met de beschrijving van het Nieuwe Jeruzalem met zijn poorten van parels en zijn met edelstenen te vergelijken fundamenten, dat toebereid wordt als „een bruid die zich voor haar man versierd heeft” (Openb. 21:2, 9-21). Ook hier is duidelijk dat de sieraden en de versiering in verband staan met geestelijke hoedanigheden en met zegeningen die voortvloeien uit Gods goedkeuring en gunst.
In tegenstelling hiermee zal Babylon de Grote, de symbolische vrouw die met de koningen der aarde hoererij bedrijft, zich in een koninklijk gewaad hult en met sieraden tooit alsook in schaamteloze weelde leeft, van al haar pracht worden ontdaan en naakt gemaakt en vernietigd worden. Haar schoonheid is onecht, en zij ’verheerlijkt zichzelf’; haar opsmuk is dan ook geen teken van goddelijke zegen en gunst, maar veeleer een afbeelding van haar aanmatigende houding en van datgene wat haar levenswandel als hoer haar aan macht en rijkdom heeft opgeleverd. — Openb. 17:3-5, 16; 18:7-20; zie ook VERSIERING.