ENIGGEBOREN
[Grieks: mo·noʹge·nes].
Het Griekse woord wordt door lexicografen (Thayer; Liddell en Scott) gedefinieerd als „enig in zijn soort, enig”, of „het enige lid van een familie of soort”. Het begrip wordt gebruikt om de verhouding van zowel zonen als dochters tot hun ouders te beschrijven.
De Schrift spreekt over de „eniggeboren zoon” van een weduwe uit de stad Naïn, over de „eniggeboren dochter” van Jaïrus en over iemands ’eniggeboren zoon’, die door Jezus van een demon werd genezen (Luk. 7:11, 12; 8:41, 42; 9:38). De Septuaginta gebruikt het woord met betrekking tot Jefta’s dochter, over wie geschreven staat: „Zij nu was werkelijk het enige kind. Buiten haar had hij noch zoon noch dochter.” — Recht. 11:34.
De apostel Johannes beschreef de Heer Jezus Christus herhaaldelijk als de eniggeboren Zoon van God (Joh. 1:14; 3:16, 18; 1 Joh. 4:9). Hij verwees daarbij niet naar zijn menselijke geboorte of enkel naar de mens Jezus. Als de Logos of het Woord was „deze . . . in het begin bij God”, ja, „voordat de wereld was” (Joh. 1:1, 2; 17:5, 24). Reeds destijds, in zijn voormenselijke bestaan, was hij de „eniggeboren Zoon”, die door zijn Vader „naar de wereld” werd gezonden. — 1 Joh. 4:9.
Van hem wordt gezegd dat hij „een heerlijkheid [had] zoals die van een eniggeboren zoon van een vader” en dat hij „in de boezempositie bij de Vader” was (Joh. 1:14, 18). Men kan zich moeilijk een inniger, vertrouwelijker, liefdevoller en tederder verhouding tussen een vader en zijn zoon voorstellen dan deze.
De engelen des hemels zijn zonen van God, evenals Adam een „zoon van God” was (Gen. 6:2; Job 1:6; 38:7; Luk. 3:38). Maar de Loʹgos, die later Jezus werd genoemd, is „de eniggeboren Zoon van God” (Joh. 3:18). Hij is de enige in zijn soort, de enige die door God zelf rechtstreeks, zonder medewerking van enig schepsel, werd geschapen. Hij is de enige die door God, zijn Vader, werd gebruikt om alle andere schepselen tot bestaan te brengen. Hij is de eerstgeborene en voornaamste onder alle andere engelen (Kol. 1:15, 16; Hebr. 1:5, 6), die in de Schrift als „goddelijken” of „goden” worden aangeduid (Ps. 8:4, 5). Daarom wordt de Heer Jezus Christus volgens enkele van de oudste en beste handschriften als „de eniggeboren god [Grieks: mo·noʹge·nes theʹos]” aangeduid. — Joh. 1:18, NW, Sint-Willibrordvertaling (1961).
Enkele vertalingen geven ter ondersteuning van de trinitarische „God de Zoon”-gedachte de uitdrukking mo·noʹge·nes theʹos weer met „God, de eniggeborene”. Maar W. J. Hickie schrijft in zijn Greek-English Lexicon to the New Testament (blz. 123) dat het moeilijk te begrijpen is waarom deze vertalers mo·noʹge·nes huiʹos met „de eniggeboren Zoon” weergeven, doch terzelfder tijd mo·noʹge·nes theʹos met „God, de eniggeborene” in plaats van met „de eniggeboren God” vertalen.
Paulus noemde Isaäk Abrahams „eniggeboren zoon” (Hebr. 11:17), ofschoon Abraham nog een zoon bij Hagar had, namelijk Ismaël, alsook verscheidene zonen bij Ketura (Gen. 16:15; 25:1, 2; 1 Kron. 1:28, 32). Gods verbond moest echter slechts met Isaäk, de enige zoon van Abraham die op grond van Gods belofte geboren was, en de enige zoon van Sara, worden opgericht (Gen. 17:16-19). En toen Abraham Isaäk moest offeren, was hij de enige zoon in het huisgezin van zijn vader. Ketura had nog geen zonen gebaard en Ismaël was al bijna 20 jaar weg — ongetwijfeld was hij gehuwd en had hij zijn eigen gezin. — Gen. 22:2.
Met betrekking tot de belofte en het verbond, dingen waarover Paulus aan de Hebreeën schreef, was Isaäk van verschillende standpunten uit bezien Abrahams eniggeboren zoon. Paulus stelt derhalve „de beloften” en de „eniggeboren zoon” op één lijn met „’uw zaad’ . . . door bemiddeling van Isaäk” (Hebr. 11:17, 18). Of Josephus van een zelfde standpunt uitging, is niet bekend, maar ook hij noemde Isaäk Abrahams ’eniggeboren’ zoon. — De joodse geschiedenis, I, xiii, 1.