Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 662-664
  • Hulde brengen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Hulde brengen
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • HULDE BRENGEN IN DE CHRISTELIJKE GRIEKSE GESCHRIFTEN
  • Hulde brengen aan de verheerlijkte Jezus Christus
  • Hulde brengen
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1956
  • Is het juist om Jezus te aanbidden?
    Ontwaakt! 2000
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 662-664

HULDE BRENGEN.

Een uiting van onderworpenheid of eenvoudig het tonen van achting door te buigen, te knielen of zich neer te werpen, of door een ander gebaar. Het Hebreeuwse woord sja·chahʹ en het Griekse woord pros·kuʹne·o kunnen in veel gevallen heel goed met „hulde brengen” vertaald worden.

De grondbetekenis van sja·chahʹ is „neerbuigen” (Spr. 12:25). Dat neerbuigen kan een gebaar van respect of van eerbetoon zijn voor een mens, bijvoorbeeld het buigen voor een koning (1 Sam. 24:8; 2 Sam. 24:20; Ps. 45:11), de hogepriester (1 Sam. 2:36), een profeet (2 Kon. 2:15), of een andere gezagdrager (Gen. 37:9, 10; 42:6; Ruth 2:8-10), voor een oudere bloedverwant (Gen. 33:1-6; 48:11, 12; Ex. 18:7; 1 Kon. 2:19), of zelfs voor vreemden als een uiting van hoffelijke eerbied (Gen. 19:1, 2). Abraham boog zich voor de zonen van de Kanaäniet Heth neer, van wie hij een grafstede wilde kopen (Gen. 23:7). Volgens de zegen die Isaäk over Jakob uitsprak, zouden nationale groepen en zelfs Jakobs eigen „broeders” zich voor hem neerbuigen (Gen. 27:29; vergelijk 49:8). Toen mannen zich voor Absalom, de zoon van David, begonnen neer te buigen, greep hij hen en kuste hen, klaarblijkelijk om zijn politieke ambities te bevorderen door aldus bij hen de indruk te wekken dat hij zich op één lijn met hen stelde (2 Sam. 15:5, 6). Mordechai weigerde zich voor Haman neer te werpen, niet omdat hij de gewoonte op zich als verkeerd beschouwde, maar ongetwijfeld omdat deze hoge Perzische functionaris van geboorte een vervloekte Amalekiet was (Esth. 3:1-6). De Babylonische veroveraars van Juda geboden de bevolking zich neer te buigen en hun rug als een straat te maken, opdat de veroveraars eroverheen konden gaan. — Jes. 51:23.

Uit bovenstaande voorbeelden blijkt duidelijk dat dit Hebreeuwse woord op zich niet noodzakelijkerwijs een religieuze betekenis heeft of op aanbidding duidt. Toch wordt het in veel gevallen in verband met aanbidding gebruikt, hetzij van de ware God (Ex. 24:1; Ps. 95:6; Jes. 27:13; 66:23) of van valse goden (Deut. 4:19; 8:19; 11:16). Sommigen bogen zich neer wanneer zij tot God baden (Ex. 34:8; Job 1:20, 21), en vaak wierpen personen zich neer wanneer zij van God een openbaring of een uiting of blijk van zijn gunst hadden ontvangen. Daarmee toonden zij hun dankbaarheid, hun eerbied en hun nederige onderwerping aan zijn wil. — Gen. 24:23-26, 50-52; Ex. 4:31; 12:27, 28; 2 Kron. 7:3; 20:14-19; vergelijk 1 Korinthiërs 14:25; Openbaring 19:1-4.

Het was toegestaan zich voor mensen neer te buigen om hun achting te betonen, maar zich in aanbidding voor iemand anders dan Jehovah neerbuigen, was door God verboden (Ex. 23:24; 34:14). Ook het zich in aanbidding neerbuigen voor religieuze beelden of voor iets wat geschapen was, werd uitdrukkelijk veroordeeld (Ex. 20:4, 5; Lev. 26:1; Deut. 4:15-19; Jes. 2:8, 9, 20, 21). Wanneer derhalve, in de Hebreeuwse Geschriften, over bepaalde dienstknechten van Jehovah wordt gezegd dat zij zich voor engelen neerwierpen, dan deden zij dit slechts om te tonen dat zij hen als vertegenwoordigers van God erkenden, en niet om hun als een godheid hulde te brengen. — Joz. 5:13-15; Gen. 18:1-3.

HULDE BRENGEN IN DE CHRISTELIJKE GRIEKSE GESCHRIFTEN

Het Griekse woord pros·kuʹne·o komt nauw overeen met het Hebreeuwse sja·chahʹ; het houdt ook zowel de gedachte in van hulde brengen aan schepselen als van het aanbidden van God of een godheid. Hoewel bij pros·kuʹne·o de wijze waarop hulde wordt gebracht, niet zo sterk naar voren treedt als bij de Hebreeuwse uitdrukking sja·chahʹ, die de gedachte aan zich neerwerpen of neerbuigen aanschouwelijk overbrengt, menen sommige lexicografen dat het Griekse woord oorspronkelijk deze gedachte wel uitdrukkelijk heeft weergegeven. Sommige geleerden leiden het woord van het Griekse werkwoord kuʹne·o af, dat „kussen” betekent, terwijl anderen het van het Griekse woord voor „hond”, kuʹon, afleiden en zeggen dat het als grondbetekenis heeft „het lichaam tegen de grond drukken, kruipen”, zoals een hond voor zijn baas doet. De herkomst van het woord is dus nog steeds omstreden, maar uit de wijze waarop het in de christelijke Griekse Geschriften (alsook in de Septuaginta, de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Geschriften) wordt gebruikt, blijkt dat personen op wier handelingen dit woord wordt toegepast, zich inderdaad neerwierpen of neerbogen (Matth. 2:11; 18:26; 28:9). Waarschijnlijk is pros·kuʹne·o dus van het laatste woord afgeleid en niet van het woord dat „kussen” betekent.

Net als bij de Hebreeuwse uitdrukking moet ook bij pros·kuʹne·o de context in aanmerking genomen worden om vast te stellen of er slechts hulde in de vorm van diep respect wordt bedoeld, of dat er sprake is van religieuze aanbidding. Daar waar rechtstreeks op God wordt gedoeld (Joh. 4:20-24; 1 Kor. 14:25; Openb. 4:10) of op valse goden en hun afgodsbeelden (Hand. 7:43; Openb. 9:20), gaat het klaarblijkelijk om hulde die verder gaat dan de aanvaardbare of gebruikelijke aan mensen betoonde hulde en komt men op het terrein van de aanbidding. Ook in de gevallen waarin niet wordt vermeld aan wie hulde wordt gebracht en men aanneemt dat het om God gaat (Joh. 12:20; Hand. 8:27; 24:11; Hebr. 11:21; Openb. 11:1). Daarentegen gaat het bij de handelwijze van degenen die tot de „synagoge van Satan” behoren en die ertoe worden gebracht ’te komen en hulde te brengen’ voor de voeten van christenen, duidelijk niet om aanbidding. — Openb. 3:9.

In een illustratie van Jezus lezen wij in Mattheüs 18:26 dat er hulde aan een menselijke koning wordt gebracht. Om deze soort van hulde ging het klaarblijkelijk ook toen de astrologen aan het kind Jezus, ’de als koning der joden geborene’, hulde brachten, en dit geldt eveneens voor de hulde die Herodes het kind Jezus zogenaamd wilde brengen, en de hulde die de soldaten Jezus vóór zijn terechtstelling spottend brachten. Zij beschouwden Jezus beslist niet als God of als een godheid (Matth. 2:2, 8; Mark. 15:19). Hoewel sommige vertalers het woord pros·kuʹne·o in de meeste gevallen waarin het een handeling van mensen tegenover Jezus beschrijft, met „aanbidden” vertalen, blijkt het niet gerechtvaardigd te zijn te veel in deze weergave te lezen. De omstandigheden die tot deze hulde leidden, komen zeer nauw overeen met de omstandigheden die ertoe leidden dat men aan de vroegere profeten en koningen hulde bracht. (Vergelijk Mattheüs 8:2; 9:18; 15:25; 20:20 met 1 Samuël 25:23, 24; 2 Samuël 14:4-7; 1 Koningen 1:16; 2 Koningen 4:36, 37.) Uit de woorden van degenen die Jezus hulde brachten, blijkt vaak al dat hoewel zij hem duidelijk erkenden als Gods vertegenwoordiger, zij hem niet als God of als een godheid beschouwden, maar als „Gods Zoon”, de voorzegde „Zoon des mensen”, de Messias, die goddelijke autoriteit bezat. In veel gevallen wilden zij met het brengen van hulde hun dankbaarheid tonen voor een goddelijke openbaring of voor een gunst die hun bewezen was, net zoals anderen dat in vroeger tijden deden. — Matth. 14:32, 33; 28:5-10, 16-18; Luk. 24:50-52; Joh. 9:35, 38.

Hoewel vroegere profeten en ook engelen hulde hadden aanvaard, liet Petrus niet toe dat Cornelius hem hulde bracht. Ook de engel (of engelen) aan wie Johannes tijdens zijn visioen hulde wilde brengen, weerhield hem daar tweemaal van, waarbij hij zich een „medeslaaf” noemde en met de vermaning besloot: „Aanbid God [toi Theʹoi pros·ku·neʹson]” (Hand. 10:25, 26; Openb. 19:10; 22:8, 9). Door de komst van Christus waren kennelijk andere verhoudingen ontstaan, waardoor de gedragslijnen van Gods dienstknechten jegens elkaar werden beïnvloed. Christus leerde zijn discipelen: „Eén is uw leraar, terwijl gij allen broeders zijt . . . één is uw Leider, de Christus” (Matth. 23:8-12), want in hem vonden de profetische voorafschaduwingen en beelden hun vervulling, zoals de engel het tegenover Johannes onder woorden bracht: „Het is het getuigenis afleggen omtrent Jezus dat tot profeteren inspireert” (Openb. 19:10). Jezus was Davids Heer, degene die groter was dan Salomo, en de profeet groter dan Mozes (Luk. 20:41-43; Matth. 12:42; Hand. 3:19-24). De hulde die aan deze mannen werd gebracht, was een voorafschaduwing van de hulde die Christus toekwam. Petrus wilde derhalve terecht vermijden dat Cornelius hem te veel belangrijkheid toekende.

Ook Johannes, die als een gezalfde christen door God rechtvaardig verklaard of gerechtvaardigd was, geroepen om een hemelse zoon van God en een lid van het koninkrijk van Gods Zoon te zijn, stond in een andere verhouding tot de engel (of engelen) van de openbaring dan de Israëlieten aan wie vroeger engelen waren verschenen. De apostel Paulus had dan ook geschreven: „Weet gij niet dat wij engelen zullen oordelen?” (1 Kor. 6:3) Kennelijk erkende de engel (of engelen) deze verandering in de verhouding toen hij Johannes ervan weerhield hem hulde te brengen.

Hulde brengen aan de verheerlijkte Jezus Christus

Christus Jezus is daarentegen door zijn Vader verhoogd tot een positie direct onder God, zodat „in de naam van Jezus elke knie zich zou buigen van hen die in de hemel en die op aarde en die onder de grond zijn, en iedere tong openlijk zou erkennen dat Jezus Christus Heer is, tot de heerlijkheid van God, de Vader” (Fil. 2:9-11; vergelijk Daniël 7:13, 14, 27). Uit Hebreeën 1:6 blijkt eveneens dat zelfs de engelen de opgestane Jezus Christus hulde brengen. Veel vertalingen geven het woord pros·kuʹne·o in deze tekst met „aanbidden” weer, maar sommige gebruiken uitdrukkingen als ’zich neerbuigen’ (LV) en „huldigen” (NBG). Ongeacht welke uitdrukking er in het Nederlands wordt gebruikt, het oorspronkelijke Grieks blijft gelijk en de opvatting over dat wat de engelen Christus schenken, moet met de overige inhoud van de Schrift overeenstemmen. Wanneer men de voorkeur geeft aan de vertaling „aanbidden”, dan moet deze „aanbidding” als slechts een relatieve aanbidding worden beschouwd, want Jezus zelf zei uitdrukkelijk tot Satan: „Jehovah, uw God, moet gij aanbidden [een vorm van pros·kuʹ ne·o] en voor hem alleen heilige dienst verrichten” (Matth. 4:8-10; Luk. 4:7, 8). Evenzo ontving Johannes van de engel (of engelen) het gebod: „Aanbid God” (Openb. 19:10; 22:9), en dit uitdrukkelijke bevel werd na de opstanding en verhoging van Jezus gegeven, waaruit blijkt dat er in dit opzicht niets was veranderd. Het is waar dat in Psalm 97, waaruit de apostel in Hebreeën 1:6 klaarblijkelijk een aanhaling doet, Jehovah God degene is voor wie men zich moet ’neerbuigen’; en toch werd deze tekst op Christus Jezus toegepast (Ps. 97:1, 7). De apostel had voordien echter reeds aangetoond dat de opgestane Christus de „weerspiegeling van [Gods] heerlijkheid en de nauwkeurige afdruk van zijn wezen” was geworden (Hebr. 1:1-3). Indien dat wat wij als „aanbidding” opvatten, blijkbaar door de engelen aan de Zoon wordt geschonken, wordt ze dus in werkelijkheid via hem aan Jehovah God, de Soevereine Regeerder, geschonken, aan degene „die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft” (Openb. 14:7; 4:10, 11; 7:11, 12; 11:16, 17; vergelijk 1 Kronieken 29:20; Openbaring 5:13, 14; 21:22). Anderzijds zijn de vertolkingen ’zich neerbuigen’ of „huldigen” (in plaats van „aanbidden”), geenszins strijdig met de oorspronkelijke taal, met het Hebreeuws in Psalm 97:7 of het Grieks in Hebreeën 1:6, want ze geven zowel de grondbetekenis van sja·chahʹ als van pros·kuʹne·o weer.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen