NEUS, NEUSGATEN.
Het deel van het gezicht dat fysiologisch bezien het begin van de luchtweg is en als reukorgaan dient.
Zoals uit vele teksten blijkt, gaf God het lichaam van Adam, toen hij hem schiep, levenskracht (roeʹach). Vervolgens ging hij ertoe over „in zijn neusgaten de levensadem [vorm van nesja·mahʹ] te blazen, en de mens werd een levende ziel” (Gen. 2:7). De adem, die door de neus wordt ingeademd, is noodzakelijk voor het leven, aangezien de levenskracht erdoor in stand wordt gehouden. Tijdens de Vloed stierf „alles waarin de adem van de levenskracht werkzaam was in zijn neusgaten, namelijk alles wat op de droge grond was”. — Gen. 7:22.
Het Hebreeuwse woord voor neus of neusgat (’af) wordt vaak voor het hele gezicht gebruikt. Adam werd ertoe veroordeeld ’in het zweet van zijn aangezicht [letterlijk: „neus” of „neusgaten”]’ in zijn levensonderhoud te voorzien door de aardbodem te bewerken (Gen. 3:19). Toen engelen Lot bezochten, boog hij zich voor hen neer met zijn aangezicht („neus”) ter aarde. — Gen. 19:1.
SCHOONHEID
Aangezien de neus zo’n opvallende plaats in het gezicht inneemt, draagt een goedgevormde neus veel bij tot een knap uiterlijk. In Het Hooglied (7:4) wordt de neus van het Sulammitische meisje met „de Libanontoren” vergeleken, wat erop kan duiden dat de symmetrische vorm van haar neus een bijzondere waardigheid en schoonheid aan haar gelaat verleende. God verlangde dat de priesters van Israël, die hem voor het volk vertegenwoordigden, zonder gebrek waren. Zo mocht een priester bijvoorbeeld geen gespleten of verminkte neus hebben. — Lev. 21:18.
ZINNEBEELDIG EN FIGUURLIJK GEBRUIK
Het woord voor neus of neusgaten (’af) wordt vaak figuurlijk gebruikt voor toorn (vanwege de heftige ademhaling of het snuiven van iemand die toornig is). (Zie TOORN.) Het wordt ook gebruikt met betrekking tot Jehovah’s optreden wanneer hij zijn toorn tot uitdrukking brengt (Ps. 18:8, 15) of zijn machtige werkzame kracht doet gelden. — Ex. 14:21; 15:8.
De afschuwelijke afgoderij waartoe de Israëlieten vervallen waren, leidde ertoe dat Jehovah in brandende toorn tegen hen ontstak, en daarom liet hij bij monde van de profeet Jesaja het volgende tot hen zeggen: „Dezen zijn een rook in mijn neusgaten, een vuur dat de gehele dag brandt.” — Jes. 65:5.
In Spreuken 30:32, 33 staat: „Indien gij onverstandig hebt gehandeld door u te verheffen, en indien gij uw gedachte daarop hebt gevestigd, leg de hand op de mond. Want het karnen van melk, dat brengt boter voort, en het drukken van de neus, dat brengt bloed voort, en het pressen tot toorn, dat brengt ruzie voort.” Hierdoor wordt sterk beklemtoond tot welke moeilijkheden het kan leiden wanneer iemand iets verkeerds zegt of gevoelens van toorn koestert of daar de vrije loop aan laat. Er is hier sprake van een woordspeling, want „toorn” is de dualis, of het tweevoud, van het woord voor „neus”.