NO
[Egyptisch: niwt, de stad], No-Amon (No-A̱mon) [stad van (de god) Amon].
Een belangrijke stad en eens de hoofdstad van Egypte, gelegen aan beide oevers van de Nijl, ongeveer 530 km ten Z. van Caïro. De Grieken noemden haar Thebe, en deze naam is thans nog in zwang.
De naam van deze stad, „de stad van Amon” (niwt imn) wordt reeds in Oudegyptische teksten aangetroffen, want ze was het hoofdcentrum van de aanbidding van de god Amon, die van een onbeduidende godheid tot de positie van de hoogste god van het land opklom en die de Grieken met de god Zeus (Jupiter) vereenzelvigden. (Zie AMON nr. 2.) Hier, op een terrein van zo’n 24 ha op de oostelijke oever (in Karnak en Luxor) bouwden de farao’s reusachtige monumenten en tempels. Daarbij kwamen ook nog prachtige tempels en een enorme begraafplaats op de westelijke oever. De tempel van Amon in Karnak is de grootste zuilenconstructie die ooit gebouwd is. Enkele van zijn massieve zuilen hebben een doorsnee van meer dan 3,5 m.
Vooral tijdens het „Nieuwe Rijk (18de tot 20ste dynastie)” kwam Thebe tot grote bloei en werd de hoofdstad van het land. Zelfs toen de regeringszetel verplaatst werd, bleef No-Amon (Thebe) een rijke en belangrijke stad, het centrum van de invloedrijke priesterschap van Amon, wier hogepriester de machtigste en rijkste man onder Farao was. Maar in de 7de eeuw v.G.T., tijdens de regering van de Assyrische koning Esar-Haddon, trokken de Assyriërs tegen Egypte op. Esar-Haddons zoon en opvolger Assoerbanipal viel Egypte opnieuw aan; hij drong door tot Thebe en plunderde en verwoestte de stad. Klaarblijkelijk doelde de profeet Nahum op deze verwoesting toen hij Nineve, de hoofdstad van Assyrië, voor een soortgelijke omvangrijke vernietiging waarschuwde (Nah. 3:7-10). No-Amons „muur”, bestaande uit een reeks verdedigingswerken die zich helemaal vanaf de zee langs de Nijl uitstrekten, beschermde de stad niet, en de uit hun koophandel verkregen rijkdom en hun tempelschatten werden de plunderende Assyriërs tot buit.
IN PUIN GELEGD
Tegen het einde van de 7de eeuw of aan het begin van de 6de eeuw was No-Amon toch weer een stad van enige betekenis geworden. Jeremia en Ezechiël voorzeiden dat Jehovah God door toedoen van de Babylonische koning Nebukadnezar een strafgericht aan Egyptes hoofdgod Amon uit No alsook aan Farao en alle Egyptische goden zou voltrekken (Jer. 46:25, 26; Ezech. 30:10, 14, 15). In 525 v.G.T. werd No-Amon door de Perzische heerser Cambyses nog een zware slag toegebracht, waarna de stad geleidelijk in verval raakte tot ze ten slotte door de Romeinen onder Cornelius Gallus wegens betrokkenheid bij een opstand tegen de Romeinse regering volledig verwoest werd (30–29 v.G.T.). Thans zijn in de omgeving van de statige ruïnes van de tempels van de machteloze goden van No alleen nog maar kleine dorpen te zien.