NIMROD
(Ni̱mrod) [mogelijk: wij willen weerspannig zijn].
De zoon van Kusch, die een van de voornaamste stamvaders van de donker getinte tak van de menselijke familie was (1 Kron. 1:10; vergelijk Jeremia 13:23). Nimrod was de stichter en koning van het eerste grote rijk dat na de Vloed ontstond. Hij maakte zich een naam als een geweldig jager „voor” (in ongunstige zin; Hebreeuws: lif·nēʹ, „tegen” of „gekant tegen”; vergelijk Numeri 16:2; 1 Kronieken 14:8; 2 Kronieken 14:10) of „voor het aangezicht van” Jehovah (Gen. 10:9, NW, Stud., voetn.). Hoewel sommige geleerden het Hebreeuwse voorzetsel, dat „voor het aangezicht van” betekent, in dit geval in gunstige zin opvatten, blijkt uit de joodse targoems, de geschriften van de geschiedschrijver Josephus en ook de context van Genesis hoofdstuk 10 dat Nimrod een geweldig jager in strijd met Jehovah was.
Aanvankelijk behoorden de steden Babel, Erech, Akkad en Kalne, die alle in het land Sinear lagen, tot het koninkrijk van Nimrod (Gen. 10:10). Daarom mag men gevoeglijk aannemen dat er onder zijn leiding een begin werd gemaakt met de bouw van Babel en zijn toren. Deze gevolgtrekking stemt ook met de traditionele joodse zienswijze overeen. Josephus schreef: „[Langzamerhand] wist [Nimrod] zich de onbeperkte heerschappij over hen te verwerven, meenende, dat zij alleen dan zouden ophouden God te vreezen, als zij zich op zijne macht verlieten. Hij verzekerde, dat hij zich tegen God verdedigen zou, indien Hij voornemens mocht zijn, wederom de aarde te doen overstroomen; want dat hij een toren zou bouwen zoo hoog, dat het water hem niet bereiken kon . . . De menigte was volkomen bereid, alles op te volgen, wat Nebrod [Nimrod] goed vond te bepalen, en beschouwde het als lafheid, voor God onder te doen. Zij bouwden aan den toren.” — De joodse geschiedenis, I, iv, 2, 3.
Naar alle waarschijnlijkheid breidde Nimrod na de bouw van de toren van Babel zijn rijk tot het gebied van Assyrië uit en bouwde hij daar „Nineve en Rehoboth-Ir en Kalah en Resen tussen Nineve en Kalah; dit is de grote stad” (Gen. 10:11, 12; vergelijk Micha 5:6). Aangezien de naam „Assyrië” klaarblijkelijk op de naam van Sems zoon Assur teruggaat, moet Nimrod, die een kleinzoon van Cham was, Semitisch gebied zijn binnengevallen. Derhalve werd hij vermoedelijk niet alleen in die zin een geweldige of een held dat hij op dieren jaagde, maar ook dat hij aanvalsoorlogen voerde. — Gen. 10:8.