Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1109-1111
  • Naftali

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Naftali
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • LANDERFDEEL
  • VAN DE TIJD DER RECHTERS TOT DE BALLINGSCHAP
  • JESAJA’S PROFETIE
  • IN VISIOENEN VERMELD
  • Naftali
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Guni
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Mederegeerders van de „Leeuw van de stam Juda”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
  • Abinoam
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1109-1111

NAFTALI

(Na̱ftali) [mijn worstelingen].

1. De tweede zoon van Jakob die Rachels dienstmaagd Bilha hem in Paddan-Aram baarde (Gen. 35:25, 26; Ex. 1:1, 4; 1 Kron. 2:1, 2). Daar Bilha als plaatsvervangster was opgetreden voor haar onvruchtbare meesteres Rachel, beschouwde deze Naftali evenals zijn oudere volle broer Dan als haar eigen zoon. Hoewel haar zuster Lea tegen die tijd reeds vier zonen had (Gen. 29:32-35), was Rachel dolgelukkig dat zij via haar dienstmaagd een tweede zoon had kunnen krijgen en riep uit: „Met moeizame worstelingen heb ik met mijn zuster geworsteld. Ook ben ik als overwinnares te voorschijn gekomen!” De naam die aan deze zoon werd gegeven, „Naftali” (mijn worstelingen), brengt Rachels gevoelens ten tijde van zijn geboorte treffend tot uitdrukking. — Gen. 30:2-8.

Later werd Naftali zelf de vader van vier zonen: Jahzeël (Jahziël), Guni, Jezer en Sillem (Sallum) (Gen. 46:24; 1 Kron. 7:13). Toen de stervende patriarch Jakob aan zijn zonen verhaalde wat hun in het „laatst der dagen” zou geschieden, was hetgeen hij over Naftali zei, hoewel dit een van de kortste uitspraken was, gunstig. — Gen. 49:1, 2, 21.

2. De stam van Israël die naar Naftali werd genoemd en uit vier stamfamilies bestond die van zijn zonen Jahzeël, Guni, Jezer en Sillem afstamden (Num. 26:48, 49). Ongeveer een jaar nadat de Israëlieten uit Egypte waren getrokken, bedroeg het aantal strijdbare mannen van deze stam „van twintig jaar oud en daarboven” 53.400 (Num. 1:42, 43). In de wildernis legerde de stam Naftali onder leiding van zijn overste Ahira zich te zamen met de stammen Aser en Dan ten N. van de tabernakel. Als deel van de drie-stammenafdeling van het kamp van Dan trok de stam Naftali, te zamen met Dan en Aser, als laatste in de marsorde op en namen deze drie stammen derhalve de belangrijke positie van de achterhoede in (Num. 1:15, 16; 2:25-31; 7:78; 10:25-28). Toen er ongeveer 40 jaar na de uittocht uit Egypte een tweede telling werd gehouden, was het aantal fysiek sterke mannen van de stam Naftali teruggelopen tot 45.400. — Num. 26:50.

LANDERFDEEL

Het aan de stam Naftali toegewezen gebied bevond zich in het noordelijke deel van het Beloofde Land (Deut. 34:1, 2). In het O. grensde het aan de Zee van Galilea en de Jordaan. Aan de westkant grensde het voor een groot deel aan het gebied van Aser. Het aan Zebulon toegewezen gebied begrensde Naftali zowel in het W. als in het Z., en Issaschar lag in het Z. (Vergelijk Jozua 19:32-34.) De vermelding dat Naftali’s grens reikte tot „Juda bij de Jordaan” (Joz. 19:34), betekent blijkbaar niet dat ze zich tot het gebied van de stam Juda, dat tamelijk ver ten Z. van Naftali lag, uitstrekte. In dit geval heeft „Juda” waarschijnlijk betrekking op het gebied ten O. van de Jordaan dat door de familie van Jaïr werd bewoond. Alhoewel Jaïr vanwege zijn afstamming via zijn moeder als een Manassiet werd beschouwd (Num. 32:41; Joz. 13:29, 30), was hij via zijn vader een nakomeling van Juda (1 Kron. 2:5, 21, 22). Derhalve kon het gebied dat aan de familie van Jaïr werd gegeven, op grond van Jaïrs afstamming van vaderszijde terecht „Juda” worden genoemd.

In het gebied van Naftali lagen 19 versterkte steden en hun nederzettingen (Joz. 19:35-39). Een van deze steden, Kedes, werd aan de levieten gegeven en kreeg als toevluchtsstad een status van heiligheid toegekend (Joz. 20:7, 9). Twee andere steden, Hammath (Hammoth-Dor of Hammon) en Kartan (Kirjathaïm), werden eveneens voor de levieten bestemd (Joz. 19:35; 21:6, 32; 1 Kron. 6:62, 76). De Kanaänitische inwoners van BethSemes en Beth-Anath, nog twee steden die in het gebied van Naftali lagen, werden niet verdreven maar werden aan dwangarbeid onderworpen. — Recht. 1:33.

Het land dat de stam Naftali eens bewoonde, is bergachtig (Joz. 20:7) maar vruchtbaar. Vooral de enigszins driehoekige vlakte (van Gennesareth) aan de noordwestzijde van de Zee van Galilea en de Hulavlakte zijn vruchtbaar. De zegen die Mozes over Naftali uitsprak, zinspeelt misschien op het landerfdeel van deze stam. „Naftali is verzadigd van de goedkeuring en vervuld van de zegen van Jehovah. Neem toch het westen en het zuiden in bezit” (Deut. 33:23). „Westen” kan ook met „zee” (WV) of „meer” (PC) worden weergegeven en zou derhalve betrekking kunnen hebben op de Zee van Galilea, terwijl „zuiden” misschien duidt op het aan deze zee grenzende zuidelijkste gebied van Naftali. Het is ook mogelijk dat de tekst, hoewel zinspelend op de Zee van Galilea, moet luiden: „De zee en haar vis zijn zijn bezit.”

VAN DE TIJD DER RECHTERS TOT DE BALLINGSCHAP

In zijn sterfbedprofetie had Jakob Naftali als een „ranke hinde” aangeduid (Gen. 49:21). Dit kan een zinspeling zijn geweest op de snelvoetigheid en de vaardigheid van de krijgslieden uit deze stam, wat door de geschiedenis van de stam bevestigd schijnt te worden. Tienduizend man uit Naftali en Zebulon gaven moedig gehoor aan de oproep van Barak om ten strijde te trekken tegen de goed uitgeruste strijdkrachten onder aanvoering van Sisera, en zij werden naderhand met een overwinning gezegend. Barak zelf kwam klaarblijkelijk uit de stam Naftali, want Kedes-Naftali was blijkbaar zijn geboorteplaats (Recht. 4:6-15; 5:18). De stam Naftali ondersteunde ook rechter Gideon in de strijd tegen de Midianieten. — Recht. 6:34, 35; 7:23, 24.

Jaren later kwamen 1000 oversten en 37.000 andere krijgslieden uit de stam Naftali naar Hebron om David koning over heel Israël te maken. Voor de feestelijkheden in verband met deze gebeurtenis bracht men zelfs helemaal uit Issaschar, Zebulon en Naftali voedsel (1 Kron. 12:23, 34, 38-40). Onder het leiderschap van koning David schijnt de stam Naftali een opmerkelijk aandeel aan de onderwerping van Israëls vijanden te hebben gehad. — Ps. 68, opschrift, vs. 1, 27.

Ruim 35 jaar na de splitsing van het koninkrijk Israël werd Naftali door de Syrische koning Ben-Hadad in het nauw gedreven (1 Kon. 15:20; 2 Kron. 16:4). Ongeveer twee eeuwen later, tijdens de regering van Pekah, voerde Tiglath-Pileser III bewoners van Naftali in ballingschap naar Assyrië (2 Kon. 15:29). Bijna een eeuw na de omverwerping van het noordelijke koninkrijk breidde de Judese koning Josia zijn veldtocht tegen de afgoderij moedig tot de in het N. gelegen verwoeste plaatsen van het door Assyrië overheerste Naftali uit. — 2 Kron. 34:1-7.

JESAJA’S PROFETIE

De beschrijving in Jesaja 9:1 kan heel goed betrekking hebben op de door toedoen van de Assyriërs geleden schande: „De donkerte zal niet zo zijn als toen het land in benardheid was, zoals in de vroegere tijd toen men het land van Zebulon en het land van Naftali met verachting bejegende.” Vervolgens geeft Jesaja te kennen dat in een latere tijd datgene wat met verachting was bejegend, tot eer gebracht zou worden, want hij vervolgt met te zeggen: „De weg aan de zee, in de Jordaanstreek, Galilea der natiën. Het volk dat in de duisternis wandelde, heeft een groot licht gezien. Wat hen betreft die in het land van diepe schaduw woonden — licht heeft op hen geschenen” (Jes. 9:1, 2). Deze woorden werden aangehaald door Mattheüs (4:13-17) en toegepast op Christus Jezus, „het licht der wereld”, en op zijn activiteit (Joh. 8:12). Daar Jezus Kapernaüm, dat in het gebied van Naftali lag, tot „zijn eigen stad” maakte (Matth. 4:13; 9:1), zou er gezegd kunnen worden dat hij in zekere zin tot Naftali behoorde. Daarom konden ook Jakobs profetische woorden omtrent Naftali: „Hij geeft bevallige woorden”, terecht op Jezus worden toegepast (Gen. 49:21). De Zoon van God „gaf” inderdaad „bevallige woorden”, zodat zelfs beambten die waren uitgezonden om hem te arresteren, uitriepen: „Nooit heeft iemand anders op deze wijze gesproken.” — Joh. 7:46.

IN VISIOENEN VERMELD

In Ezechiëls visioen lag Naftali’s landtoewijzing tussen Aser en Manasse (Ezech. 48:3, 4), en een van de poorten van de stad „Jehovah zelf is daar” was naar Naftali genoemd (Ezech. 48:34, 35). De apostel Johannes hoorde eveneens in een visioen dat 12.000 uit de (geestelijke) stam Naftali verzegeld waren. — Openb. 7:4, 6.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen