Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1084-1085
  • Mond

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mond
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • JEHOVAH LEGT WOORDEN IN DE MOND
  • HET GEBRUIK VAN DE MOND KAN LEVEN OF DOOD TOT GEVOLG HEBBEN
  • FIGUURLIJK GEBRUIK
  • HET GEHEMELTE
  • Mond
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Gehemelte
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Gehemelte
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Kinderen die God loven
    Naar de Grote Onderwijzer luisteren
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1084-1085

MOND.

God heeft dit orgaan niet alleen gemaakt om de mens in staat te stellen voedsel tot zich te nemen als voorbereiding voor een verdere verwerking in de maag, maar hij heeft de mens ook een mond gegeven om te kunnen spreken. Alles wat gesproken wordt, dient tot lof van Hem te zijn. — Ps. 34:1; 51:15; 71:8; 145:21; 150:6; Rom. 10:10.

JEHOVAH LEGT WOORDEN IN DE MOND

In overeenstemming met zijn voornemen en met zijn recht en macht als Schepper kan Jehovah een dienstknecht van hem de juiste woorden in de mond leggen. In het geval van zijn profeten deed hij dit op bovennatuurlijke wijze, door middel van inspiratie (Ex. 4:11, 12, 15; Jer. 1:9). In één geval liet hij zelfs een stom dier, een ezel, spreken (Num. 22:28, 30; 2 Petr. 2:15, 16). Ook in deze tijd kunnen Gods dienstknechten zijn woorden in hun mond hebben, weliswaar niet omdat zij onder inspiratie spreken maar door ze te ontlenen aan zijn geïnspireerde geschreven Woord, dat hen volledig toerust voor ieder goed werk (2 Tim. 3:16, 17). Zij hoeven er niet meer op te wachten dat Christus het goede nieuws komt brengen, en ook hoeven zij zich voor datgene wat zij prediken niet tot een andere bron te wenden. Zij hebben het binnen handbereik, kant en klaar om bekendgemaakt te worden, zoals ook tot hen wordt gezegd: „Het woord is dicht bij u, in uw eigen mond en in uw eigen hart.” — Rom. 10:6-9; Deut. 30:11-14.

HET GEBRUIK VAN DE MOND KAN LEVEN OF DOOD TOT GEVOLG HEBBEN

Hieruit volgt dat het juiste gebruik van de mond van levensbelang is, en dat verklaart Jehovah dan ook. Zijn Woord zegt: „De mond van de rechtvaardige is een bron van leven” (Spr. 10:11). De mond dient derhalve zeer zorgvuldig behoed te worden (Ps. 141:3; Spr. 13:3; 21:23), want verstandeloos misbruik ervan kan de ondergang van de persoon tot gevolg hebben (Spr. 10:14; 18:7). God stelt een ieder aansprakelijk voor de woorden die uit zijn mond komen (Matth. 12:36, 37). Iemand doet misschien in haast een onbedachtzame gelofte (Pred. 5:4-6). Men kan door vleierij een ander ten val brengen en een oordeel over zichzelf halen (Spr. 26:28). Vooral is het van belang dat men tegenover de goddeloze zijn mond behoedt, want door de geringste afwijking van wat Gods wijsheid een dienstknecht van God gebiedt te zeggen, kan men smaad op Gods naam en de dood over zichzelf brengen (Ps. 39:1). Jezus gaf een voortreffelijk voorbeeld van onderworpenheid aan Gods wil, zonder ooit te klagen of zijn goddeloze tegenstanders te beschimpen. — Jes. 53:7; Hand. 8:32; 1 Petr. 2:23.

Een christen moet voortdurend waakzaam zijn, omdat hij onvolmaakt is; daarom moet hij zijn hart behoeden. Jezus zei dat niet wat de mond ingaat de mens verontreinigt, maar wat de mond uitgaat, want „uit de overvloed des harten spreekt de mond” (Matth. 12:34; 15:11). Het verstand kan het hart helpen en de ziel behoeden door ervoor te zorgen dat men niet gedachteloos, zonder de gevolgen in aanmerking te nemen, alles zegt wat hem voor de mond komt. Dit vereist dat men zijn verstand gebruikt om de goede dingen die men uit Gods Woord heeft geleerd, toe te passen. — Spr. 13:3; 21:23.

FIGUURLIJK GEBRUIK

God stelt zichzelf voor als een persoon die, figuurlijk gesproken, een mond bezit. Geen van zijn profetische uitspraken wordt zonder doel of tevergeefs gedaan; ze zullen tot in de kleinste bijzonderheden worden vervuld (Jes. 55:10, 11). Daarom moeten degenen die leven wensen te ontvangen, van elk woord leven dat uit Gods mond uitgaat (Deut. 8:3; Matth. 4:4). Toen zijn Zoon, Jezus Christus, op aarde was, richtte hij zich bij alles wat hij deed naar de woorden van zijn Vader, en nu is hem universele autoriteit verleend. Als Jehovah’s koning zal hij de aarde slaan met „de roede van zijn mond” (Jes. 11:4). In de Openbaring wordt in een visioen getoond hoe hij de natiën slaat met een lang zwaard dat uit zijn mond te voorschijn komt (Openb. 19:15, 21). Deze beeldspraak symboliseert klaarblijkelijk de autoriteit die hij als bevelhebber van al Jehovah’s hemelse strijdkrachten heeft en die hij uitoefent als aanvoerder in de oorlog die de terechtstelling van Gods vijanden tot gevolg heeft.

De uitdrukking „mond” wordt dikwijls gebruikt als synoniem van spraak of spraakvermogen, zoals blijkt uit enkele van de hierboven aangehaalde voorbeelden. De regel die onder de Mozaïsche wet en later ook in de christelijke gemeente gevolgd moest worden met betrekking tot de bewijsvoering in een rechtsgeding, luidde dat iemand alleen maar schuldig bevonden kon worden „uit de mond” — d.w.z. op het getuigenis — van twee of drie getuigen (Deut. 17:6; Matth. 18:16; vergelijk 2 Korinthiërs 13:1). Enkele andere voorbeelden van een soortgelijk spraakgebruik zijn te vinden in Job 32:5; Psalm 10:7; 55:21; 78:36; Ezechiël 24:27; 29:21; Lukas 21:15; Romeinen 15:6.

Bovendien kan het woord „mond” in het Hebreeuws betrekking hebben op de opening van iets, bijv. van een put (Gen. 29:2, SV), van een zak (Gen. 43:12, SV; 44:1, 2, SV), de ingang van een grot (Joz. 10:22, SV), of een gapend gat in de aarde (Num. 16:32), en het wordt gebruikt om aan te duiden dat de aardbodem vergoten bloed ontvangt (Gen. 4:11). Over Sjeool, het gemeenschappelijke graf van de mensheid, wordt gezegd dat ze haar mond wijd geopend heeft om vele doden te kunnen ontvangen. — Jes. 5:14.

HET GEHEMELTE

Het gehemelte of het monddak scheidt de mond van de neusholten en bevat een zacht gedeelte dat een afscheiding vormt tussen de mond en de keelholte. In de Schrift wordt „gehemelte” in sommige gevallen vrijwel synoniem met „mond” gebruikt. Sommige vertalingen geven het Hebreeuwse woord voor „gehemelte” trouwens met „mond” weer.

Zowel Job als Elihu maken een overdrachtelijk gebruik van dit woord door het vermogen dat het gehemelte bezit om smaken te onderscheiden, te vergelijken met ’s mensen vermogen om te beoordelen wat juist en wijs is (Job 12:11; 34:3). Dat het gehemelte een belangrijke rol speelt bij het proeven, berust niet op een wanbegrip, zoals soms wordt beweerd. Dit blijkt uit de functie van het gehemelte bij het slikken. Het voedsel wordt door de tong tegen het gehemelte gedrukt en uitgespreid terwijl het achterwaarts glijdt naar de keelholte, die zowel met de maag als met de neusgangen verbonden is. Daardoor wordt bewerkt dat het aroma van het voedsel zich beter in de neusgangen verspreidt, hetgeen er zeer toe bijdraagt dat wij iets „proeven” of de smaak ervan kunnen waarnemen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen