VIJZEL.
Een vat dat van binnen komvormig is en waarin koren, kruiden, olijven en dergelijke met een stamper fijngestoten worden.
Egyptische grafschilderingen vertonen vijzels met een aanzienlijke inhoud. Dit waren mogelijk houten vijzels en de stampers waren waarschijnlijk van metaal. Eén grafschildering laat twee mannen aan een vijzel zien die met hun beide handen metalen stampers in het midden, waar ze smaller zijn, vasthouden en ze om beurten op en neer bewegen. Op de schildering is te zien dat wanneer een bepaalde hoeveelheid materiaal in de vijzel voldoende was fijngestampt, men dit door een zeef in een ander vat liet lopen, waarna de grovere resten opnieuw in de vijzel werden gedaan om verder fijngestampt te worden.
In de wildernis maakten de Israëlieten het manna klaar voor consumptie door het in handmolens te malen of in een vijzel fijn te stampen. — Num. 11:7, 8.
De fijnste olijfolie verkreeg men door de olijven met een stamper in een vijzel fijn te stoten. Op deze wijze won men alleen olie uit het vruchtvlees, terwijl in een pers ook de pitten werden verbrijzeld. In de lampestandaard in de tent der samenkomst mocht alleen zuivere, gestoten olijfolie worden gebrand. Gestoten olie werd ook gebruikt in verband met het ’bestendige brandoffer’ en blijkbaar eveneens als ingrediënt van de heilige zalfolie. In het heiligdom werd tot poeder gestampt reukwerk gebruikt. — Ex. 27:20, 21; 29:40, 42; 30:23-25, 35, 36.
Aangezien een vijzel van binnen hol is, wordt hij in de bijbel toepasselijk gebruikt om de vorm van een bepaald terrein te beschrijven. Volgens Rechters 15:18, 19 verschafte God bijvoorbeeld drinkwater voor Simson door „een vijzelvormige holte” in Lechi open te splijten. Ook kan een bepaalde wijk van Jeruzalem, „Maktes” of „de Vijzel” (Hebreeuws: Makh·tesjʹ, wat „een vijzel” betekent), die naam gekregen hebben om aan te duiden dat er zich in dat deel van de stad een op een bekken gelijkende uitholling of diepte bevond. — Zef. 1:11.