BESCHEIDENHEID
[Hebreeuws: tsa·noeʹa‛; Grieks: aiʹdos].
Deze termen worden treffend weergegeven met het Nederlandse woord „bescheidenheid” (Spr. 11:2; Micha 6:8; 1 Tim. 2:9). Tsa·noeʹa‛ brengt de gedachte over van iemand die teruggetrokken, bescheiden of nederig is (A Hebrew and English Lexicon of the Old Testament door Brown, Driver en Briggs, blz. 857). Aiʹdos, in morele zin gebruikt, geeft de gedachte weer van eerbied, ontzag of respect voor de gevoelens of mening van anderen of voor iemands eigen geweten en drukt aldus schaamte, zelfrespect, eergevoel, bescheidenheid en gematigdheid uit (A Greek-English Lexicon door Liddell en Scott, blz. 36). Over een vergelijking van aiʹdos met het meer gebruikelijke Griekse woord voor „schaamte” of „schande” (aiʹschu·ne; 1 Kor. 1:27; Fil. 3:19), schrijft de lexicograaf Trench: „Aiʹdos is het nobeler woord en daarin ligt de nobeler beweegreden opgesloten: Het drukt een aangeboren morele afschuw voor het begaan van een oneervolle handeling uit; deze morele afschuw ligt in aiʹschu·ne nauwelijks of helemaal niet opgesloten.” Verder schrijft hij: „Aiʹdos zou een goed mens altijd van een onwaardige handeling weerhouden; aiʹschu·ne zou soms een slecht mens weerhouden” (geciteerd in W. E. Vines Expository Dictionary of New Testament Words, Deel I, blz. 78; Deel IV, blz. 17). Derhalve speelt bij de beteugelende kracht die in het woord aiʹdos opgesloten ligt, vooral het geweten een rol.
TEGENOVER GOD
Met betrekking tot bescheidenheid in de zin van een juiste beoordeling van zichzelf, geeft de Schrift veel raad. „Wijsheid is bij de bescheidenen”, staat in de Spreuken. Dit komt doordat de persoon die van bescheidenheid blijk geeft, de oneer vermijdt die met overmoed of gepoch gepaard gaat (Spr. 11:2). Hij volgt de door Jehovah goedgekeurde handelwijze en is daarom wijs (Spr. 3:5, 6; 8:13, 14). Jehovah heeft zo iemand lief en schenkt hem wijsheid. Een van de vereisten om Jehovah’s gunst te verwerven, is ’bescheiden met hem te wandelen’ (Micha 6:8). Dit houdt in dat men een juist besef heeft van de positie die men tegenover God inneemt, dat men erkent in welke zondige toestand men ten opzichte van Jehovah’s grootheid, reinheid en heiligheid verkeert. Het betekent ook dat men zich beziet als een schepsel van Jehovah dat volkomen van Hem afhankelijk is en onderworpen is aan Zijn soevereiniteit. Eva bleef wat dit betreft in gebreke. Zij trachtte zich volledig onafhankelijk te maken en zelf haar weg te bepalen. Bescheidenheid zou haar geholpen hebben de gedachte ’als God te worden, kennend goed en kwaad’, uit haar geest te bannen (Gen. 3:4, 5). De apostel Paulus waarschuwt tegen een te groot zelfvertrouwen en overmoed als hij zegt: „Blijft . . . met vrees en beven uw eigen redding bewerken.” — Fil. 2:12.
’GA NIET BUITEN DATGENE WAT GESCHREVEN STAAT’
De apostel Paulus beklemtoonde dat de noodzaak van bescheidenheid voor iedereen gold, net zoals hij zelf blijk had gegeven van bescheidenheid en geen hoge dunk van zichzelf had. De Korinthiërs waren in de strik gevallen dat zij zich op bepaalde mannen beroemden, onder wie Apollos, en ook Paulus zelf. Paulus corrigeerde hen en zei hun dat zo’n handelwijze vleselijk was en niet geestelijk. Hij zei: „Deze dingen nu, broeders, heb ik in overdrachtelijke zin om uw bestwil op mijzelf en Apollos toegepast, opdat gij in ons geval de regel moogt leren: ’Gaat niet buiten de dingen die geschreven staan’ [d.w.z.: overschrijdt niet grenzen die de Schrift mensen stelt in hun houding tegenover elkaar en tegenover zichzelf], opdat niemand van u opgeblazen wordt ten gunste van de een en tegen de ander. Want wie doet u van een ander verschillen? Ja, wat hebt gij dat gij niet hebt ontvangen? Indien gij het nu inderdaad hebt ontvangen, waarom roemt gij dan alsof gij het niet hadt ontvangen?” Het opvolgen van deze raad zal iemand ervoor behoeden trots en hoogmoedig te zijn wegens zijn afkomst, ras, huidkleur of nationaliteit, of wegens zijn fysieke schoonheid, zijn bekwaamheden, zijn kennis, zijn intelligentie, enzovoort. — 1 Kor. 4:6, 7.
HET VOORBEELD VAN JEZUS CHRISTUS
Jezus Christus is het voortreffelijkste voorbeeld van bescheidenheid. Hij vertelde zijn discipelen dat hij geen enkel ding uit zichzelf kon doen, maar slechts datgene deed wat hij de Vader zag doen, en dat zijn Vader groter was dan hij (Joh. 5:19, 30; 14:28). Jezus weigerde titels te accepteren die hem niet toekwamen. Toen een regeerder hem „Goede Leraar” noemde, antwoordde Jezus: „Waarom noemt gij mij goed? Niemand is goed, behalve één, God” (Luk. 18:18, 19). En hij zei tot zijn discipelen dat zij zich, als slaven van Jehovah, niet opgeblazen van trots moesten voelen wegens hun prestaties in zijn dienst of wegens de goede verhouding waarin zij tot God stonden. In plaats daarvan moesten zij, wanneer zij alles hadden gedaan wat hun was opgedragen, de houding hebben: „Wij zijn onnutte slaven. Wij hebben gedaan wat wij moesten doen.” — Luk. 17:10.
Bovendien was de Heer Jezus Christus als volmaakt mens op aarde verre superieur aan zijn onvolmaakte discipelen en had hij ook grote autoriteit van zijn Vader ontvangen. Toch was hij bescheiden in de omgang met zijn discipelen en hield rekening met hun beperkingen. Bij de opleiding die hij hun gaf, toonde hij fijngevoeligheid en als hij met hen sprak, gebruikte hij ook altijd gepaste taal. Hij legde hun niet meer op dan zij op dat moment konden dragen. — Joh. 16:12; vergelijk Mattheüs 11:28-30; 26:40, 41.
MET BETREKKING TOT KLEDING EN ANDERE BEZITTINGEN
Toen Paulus de opziener Timotheüs gebood erop toe te zien dat er in de gemeente een juist gedrag aan de dag werd gelegd, schreef hij: „Evenzo wens ik dat de vrouwen zich in welverzorgde kleding sieren, met bescheidenheid en gezond verstand, niet met bijzondere haarvlechtingen en goud of parels of zeer kostbare kleding, maar zoals het vrouwen die belijden God te vereren, past, namelijk door middel van goede werken” (1 Tim. 2:9, 10). De apostel spreekt zich hier niet uit tegen een nette, aangename verschijning, want hij beveelt „welverzorgde kleding” aan. Maar hij wijst erop dat ijdelheid en opzichtige kleding — waardoor men de aandacht op zichzelf of op zijn middelen voor levensonderhoud vestigt — ongepast zijn. Ook speelt bescheidenheid in de zin van respect voor de gevoelens van anderen en in de zin van zelfrespect en eergevoel hierbij een rol. De manier waarop een christen zich kleedt, mag niet schokkend zijn voor de fatsoensnormen en dient niet tegen de morele gevoelens van de gemeente in te druisen, zodat sommigen aanstoot zouden nemen. Deze raad met betrekking tot kleding toont ook hoe Jehovah denkt over het gebruik van andere materiële bezittingen die een christen wellicht heeft, en hoe een christen dergelijke bezittingen moet bezien.