MIZPA, MIZPE
(Mi̱zpa, Mi̱zpe) [wachttoren].
Een stad in het gebied van Benjamin (Joz. 18:26, 28). Ze wordt vaak met Nebi Samwil (ca. 8 km ten N.N.W. van Jeruzalem) of met Tell en-Nasbe (ca. 13 km ten N. van Jeruzalem) geïdentificeerd.
In Mizpa verzamelden zich alle weerbare mannen van Israël en besloten actie te voeren tegen degenen die te Gibea in Benjamin een zwaar zedenmisdrijf hadden begaan. Toen de Benjaminieten weigerden de schuldige mannen van de stad uit te leveren, brak er een complete oorlog uit. Ten slotte werd de stam Benjamin bijna volledig uitgeroeid, slechts 600 fysiek sterke mannen ontkwamen (Recht. 20:1-48). Op een eerder tijdstip hadden de Israëlieten in Mizpa gezworen dat zij hun dochters niet aan de Benjaminieten tot vrouw zouden geven (Recht. 21:1). Derhalve moesten er na de strijd maatregelen worden getroffen om de stam Benjamin in stand te houden. Een van deze maatregelen was dat men de Benjaminieten 400 meisjes, maagden, uit Jabes-Gilead gaf. De overige inwoners van die stad waren verdelgd omdat niemand van hen naar Mizpa was gekomen en de strijd tegen Benjamin had ondersteund. — Recht. 21:5-12.
Op een later tijdstip verzamelde de profeet Samuël alle Israëlieten en bad voor hen. Bij deze gelegenheid vastten zij en beleden hun zonden. Toen de Filistijnen hoorden dat de Israëlieten in Mizpa waren bijeengekomen, namen zij de gelegenheid te baat om een aanval te ontketenen. Maar Jehovah bracht de vijand in verwarring en hielp de Israëlieten de tegenstander te onderwerpen. Blijkbaar richtte Samuël ter herinnering aan deze door God geschonken overwinning een steen op tussen Mizpa en Jesana, die hij de naam Eben-Haëzer („de Steen der Hulp”) gaf. Daarna bleef Samuël rechter over Israël, terwijl hij van jaar tot jaar in een kring Bethel, Gilgal en Mizpa bezocht (1 Sam. 7:5-16). Later, in 1117 v.G.T., werd het volk er tijdens een andere samenkomst in Mizpa getuige van hoe Samuël Saul als Israëls eerste koning voorstelde. — 1 Sam. 10:17-25.
In de 10de eeuw v.G.T. werd Mizpa door de Judese koning Asa gebouwd met materialen uit Rama, een stad die de Israëlitische koning Baësa noodgedwongen had moeten verlaten (1 Kon. 15:20-22; 2 Kron. 16:4-6). Ongeveer drie eeuwen later, in 607 v.G.T., stelde de zegevierende Babylonische koning Nebukadnezar Gedalja aan tot stadhouder over de joden die in het land Juda waren overgebleven. Gedalja had zijn bestuurszetel in Mizpa en de profeet Jeremia ging daar bij hem wonen. Ook de oversten van de strijdkrachten die het beleg overleefd hadden en andere joden die verstrooid waren, kwamen naar Mizpa. Ofschoon men de stadhouder Gedalja van tevoren gewaarschuwd had, was hij niet voorzichtig en werd in Mizpa vermoord. Samen met hem werden daar eveneens Chaldeeën en joden omgebracht. Iets later vonden 70 mannen die op bezoek kwamen, eveneens de dood. De moordenaarsbende die door Ismaël, de zoon van Nethanja, werd aangevoerd, nam het overblijfsel van het volk gevangen. Toen Ismaël door Johanan, de zoon van Kareah, werd verrast, ontkwam hij met acht mannen, maar de gevangenen werden bevrijd en later naar Egypte gebracht. — 2 Kon. 25:23-26; Jer. 40:5–41:18.
Na de Babylonische ballingschap hadden mannen uit Mizpa en de vorsten Sallun en Ezer een aandeel aan de herstelwerkzaamheden van de muur van Jeruzalem. — Neh. 3:7, 15, 19.