Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1058-1059
  • Mesa

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mesa
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE MESASTEEN
  • Mesa
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • De Moabitische steen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • De Moabitische Steen — vernield maar niet verloren gegaan
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Moab
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1058-1059

MESA

(Me̱sa) [Hebreeuws: Mei·sja‛ʹ, redding].

Koning van Moab ten tijde van koning Josafat van Juda en de koningen Achab, Ahazia en Joram van Israël. De Moabieten, die onderworpen waren aan het noordelijke koninkrijk Israël, betaalden koning Achab als schatting 100.000 lammeren en 100.000 ongeschoren mannetjesschapen, klaarblijkelijk van een ras dat bekend was om zijn goede wol. Na de dood van Achab kwam Mesa tegen Israëls koning Ahazia in opstand. Ahazia stierf echter na een korte regeringstijd en werd opgevolgd door zijn broer Joram, die zich met Josafat van Juda en een niet met name genoemde koning van Edom verbond om Mesa weer te onderwerpen. Hun strijdkrachten volgden een moeilijke route ten Z. van de Dode Zee. Ten slotte kregen zij gebrek aan water. De profeet Elisa verzekerde hun echter dat indien er greppels in het uitgedroogde stroomdal werden gegraven, Jehovah die met water zou vullen. — 2 Kon. 1:1; 3:4-19.

Dit gebeurde ook, en toen de Moabieten de weerspiegeling van de vroege morgenzon in het water zagen, dachten zij dat het water bloed was. Misschien zag het er wegens de rode aarde in de pasgegraven greppels zo uit. Door de schijn misleid, dachten zij dat de geallieerde legers van Israël, Juda en Edom zich tegen elkaar hadden gekeerd. Het was niet onredelijk dat zij dit dachten, want zij waren op de hoogte van de jaloezie die er tussen Israël en Juda bestond. Ook stonden de Edomieten niet bepaald op vriendschappelijke voet met de mannen van Juda, die zich bij deze gelegenheid met Israël verbonden hadden. — Vergelijk 2 Kronieken 20:10, 11, 24, 25.

In de mening dat hun vijanden elkaar hadden afgeslacht, schreeuwden de Moabieten: „Nu dan, op naar de buit, o Moab!” en drongen het kamp van Israël binnen, doch werden op de vlucht gedreven. De Israëlieten achtervolgden hen en verwoestten hun steden, stopten hun bronnen dicht en vulden hun landerijen met stenen totdat zij bij de stad Kir-Hareseth (Kir van Moab) kwamen. — 2 Kon. 3:20-25.

Toen koning Mesa zag dat hij in een val was geraakt, nam hij 700 met het zwaard bewapende mannen en trachtte door een tegenaanval naar de koning van Edom door te breken (misschien omdat hij dacht daar op de minste weerstand te stuiten), maar dit lukte hem niet. „Ten slotte nam hij zijn eerstgeboren zoon, die in zijn plaats zou gaan regeren, en offerde hem als brandoffer op de muur.” — 2 Kon. 3:26, 27.

De meeste commentators zijn het erover eens dat Mesa zijn eigen zoon aan zijn god Kamos offerde. De weinige die een andere mening zijn toegedaan, zeggen dat hij een gevangengenomen zoon van de koning van Edom heeft geofferd en voeren als bewijs daarvoor Amos 2:1 aan, waar wordt gezegd dat Moab „de beenderen van de koning van Edom heeft verbrand om er kalk van te maken”. Hoewel het Hebreeuws deze interpretatie grammaticaal toelaat, schijnt ze in tegenspraak te zijn met andere bekende feiten. Zo is bijvoorbeeld niet bekend dat de Moabieten en Ammonieten, Israëls naburen, hun vijanden aan hun goden offerden, maar volgens hun religieuze gebruiken offerden zij wel hun eigen kinderen als brandoffer om de toorn van hun goden af te wenden (Deut. 12:30, 31; Micha 6:6, 7). Het is daarom begrijpelijk waarom Mesa, die een aanbidder van Kamos was, met het oog op het dreigende gevaar van een nederlaag zo’n drastische maatregel nam.

DE MESASTEEN

De Mesasteen werd in 1868 in Dhiban (Dibon) ontdekt. Hij is 1,10 m hoog, 70 cm breed en 36 cm dik. Algemeen wordt aangenomen dat de steen door Mesa werd opgericht, en de inscriptie daarop wordt gewoonlijk in verband gebracht met de periode waarin de in 2 Koningen 3 beschreven gebeurtenissen zich afspeelden. In deze beroemde inscriptie gedenkt Mesa zijn verbreking van Israëls juk, waaronder hij volgens zijn zeggen 40 jaar lang gebukt ging. Hij maakt ook enkele opmerkingen over de plaatsen die hij innam (Medeba, Ataroth, Nebo, Jahaz). Hij beroemt zich erop steden te hebben gebouwd en een grote weg te hebben aangelegd, en daar hij zeer religieus is, geeft hij alle eer aan de god Kamos. Mesa was ook op de hoogte van Israëls god Jehovah, want in de 18de regel van dit document komt het Tetragrammaton voor. Daar snoeft Mesa: „Ik nam vandaar de vaten van Jahweh en ik sleurde ze voor Kamos” (The Bible and Archæology, Frederic Kenyon, 1940, blz. 166). Zoals te verwachten is, verzwijgt hij echter zijn eigen nederlaag en het offeren van zijn zoon.

[Illustratie op blz. 1058]

De Mesasteen

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen