Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1029-1032
  • Markus, het goede nieuws volgens

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Markus, het goede nieuws volgens
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • BRONNEN
  • KENNELIJK GESCHREVEN MET NIET-JODEN IN GEDACHTEN
  • WANNEER EN WAAR SAMENGESTELD
  • BIJZONDERHEDEN VAN MARKUS’ VERSLAG
  • VERWIJZINGEN NAAR DE HEBREEUWSE GESCHRIFTEN
  • OVERZICHT VAN DE INHOUD
  • LANG EN KORT BESLUIT
  • Markus, Het goede nieuws volgens
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Bijbelboek nummer 41 — Markus
    „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”
  • Markus’ levendige beschrijving van Jezus’ bediening
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
  • Markus, de evangelieschrijver die actie tot uitdrukking bracht
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1029-1032

MARKUS,HET GOEDE NIEUWS VOLGENS.

Het door God geïnspireerde bericht over de bediening van Jezus Christus, opgetekend door Johannes Markus. Dit verslag van het „goede nieuws over Jezus Christus” begint met het werk van Christus’ voorloper, Johannes de Doper, en eindigt met een bericht over de gebeurtenissen rondom Jezus’ opstanding. Het beslaat derhalve de periode die zich uitstrekt van de lente in 29 G.T. tot de lente in 33 G.T. — Mark. 1:1.

Dit evangelie, het kortste van alle vier, is een levendig en aanschouwelijk bericht over de bediening van Jezus Christus als de wonderen verrichtende Zoon van God. Woorden zoals „onmiddellijk” of „terstond” worden veelvuldig gebruikt (Mark. 1:10, 12, 18, 21, 29). Het verslag handelt bijna voor de helft over gesprekken en dingen die worden gezegd en uit de andere helft spreekt een en al actie.

BRONNEN

Oude overleveringen geven te kennen dat Petrus de basisinformatie voor Markus’ evangelie heeft verschaft, en dit zou kloppen met het feit dat Markus bij Petrus in Babylon was (1 Petr. 5:13). Volgens Origenes stelde Markus zijn evangelie samen „in overeenstemming met datgene wat Petrus hem had verteld” (Eusebius, Historia ecclesiastica, VI, 25). Tertullianus’ getuigenis luidt: „Er wordt beweerd dat het Evangelie van Markus eigenlijk dat van Petrus is, wiens vertolker hij was, . . . want het is mogelijk dat hetgeen leerlingen publiceren, als het werk van hun meester beschouwd moet worden.” Eusebius (Hist. eccl., III, 39) vermeldt het getuigenis van Johannes „de presbyter” zoals die werd geciteerd door Papias (ca. 140 G.T.): „De presbyter heeft ook gezegd: Markus, die de tolk van Petrus was, schreef nauwkeurig, maar niet in de juiste volgorde, op wat hij zich herinnerde van wat de Heer had gezegd en gedaan . . . Zo heeft Markus dan volstrekt niet gefaald toen hij sommige dingen zo optekende als hij zich die herinnerde. Voor één ding droeg hij zorg, dat hij niets van wat hij gehoord had achterwege liet of in deze verslagen een onjuist beeld van iets gaf.”

Klaarblijkelijk had Johannes Markus ook andere inlichtingenbronnen. Aangezien Jezus’ vroege discipelen in het huis van zijn moeder bijeenkwamen (Hand. 12:12), moet Markus buiten Petrus nog andere personen hebben gekend die Jezus Christus van nabij hadden meegemaakt, personen die hem bij zijn werk hadden gadegeslagen en hem hadden horen prediken en onderwijzen. Aangezien Markus zelf vermoedelijk de „zekere jonge man” was die ’naakt ontsnapte’ toen degenen die Christus hadden gearresteerd hem trachtten te grijpen, schijnt hieruit opgemaakt te kunnen worden dat hij op zijn minst enig persoonlijk contact met Jezus heeft gehad. — Mark. 14:51, 52.

KENNELIJK GESCHREVEN MET NIET-JODEN IN GEDACHTEN

Hoewel het goede nieuws volgens Markus joodse lezers geïnteresseerd zal hebben en hun tot nut zal hebben gestrekt, werd het ogenschijnlijk niet specifiek voor hen geschreven. Het schijnt in de eerste plaats voor niet-joodse lezers, vooral de Romeinen, te zijn opgesteld. De kernachtige en beknopte schrijfstijl wordt als bijzonder passend voor de denkwijze van Romeinse lezers beschouwd. Latijnse uitdrukkingen worden soms getranscribeerd in het Grieks. Het Griekse woord prai·toʹri·on wordt bijvoorbeeld gebruikt voor de Latijnse uitdrukking praetorium (Mark. 15:16, Kingdom Interlinear Translation). Ook wordt het Griekse woord ken·tuʹri·on gebezigd voor het Latijnse woord centurio, een bevelhebber over 100 soldaten. — Mark. 15:39, Kingdom Interlinear Translation.

Het verslag bevat verklaringen die voor joodse lezers niet nodig waren. Er wordt in gezegd dat de Jordaan een rivier was en dat men de tempel vanaf de Olijfberg kon zien (Mark. 1:5; 13:3). Het vermeldt dat de Farizeeën „de vasten” onderhielden en dat de Sadduceeën „zeggen dat er geen opstanding is” (Mark. 2:18; 12:18). Dit evangelie legt ook uit dat het paschalam op „de eerste dag der ongezuurde broden” werd geslacht en dat het „de dag vóór de sabbat” „Voorbereiding” was. — Mark. 14:12; 15:42.

Hoewel het voor lezers in Palestina normaal gesproken niet nodig zou zijn Semitische uitdrukkingen te verklaren, verschaft Markus’ evangelie veel van zulke toelichtingen. Men vindt daarin de betekenis van „Boanerges” („Zonen van de donder”), Talitha koemi („Meisje, ik zeg u: Sta op!”), „korban” („een aan God opgedragen gave”), en „Eli, Eli, lama sabachthani?” („Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?”). — Mark. 3:17; 5:41; 7:11; 15:34.

WANNEER EN WAAR SAMENGESTELD

Volgens de oude overlevering werd Markus’ evangelie voor het eerst in Rome gepubliceerd, hetgeen onder meer blijkt uit het getuigenis van vroege schrijvers als Clemens, Eusebius en Hiëronymus. Markus was in Rome tijdens Paulus’ eerste gevangenschap aldaar (Kol. 4:10; Filem. 1, 23, 24). Daarna was hij bij Petrus in Babylon (1 Petr. 5:13). Vervolgens vroeg Paulus tijdens zijn tweede gevangenschap in Rome aan Timotheüs of hij snel wilde komen en Markus mee wilde brengen (2 Tim. 4:11). Waarschijnlijk is Markus toen naar Rome teruggekeerd. Aangezien er geen gewag wordt gemaakt van het feit dat Jeruzalem als vervulling van Jezus’ profetie verwoest werd, moet Markus zijn verslag hebben samengesteld voordat die gebeurtenis in 70 G.T. plaatsvond. Dat Markus ten minste één keer en vermoedelijk twee keer in de loop van de jaren 60–65 G.T. in Rome is geweest, doet vermoeden dat hij zijn evangelie ergens in de loop van die jaren daar voltooid heeft.

BIJZONDERHEDEN VAN MARKUS’ VERSLAG

Hoewel Markus in grote trekken dezelfde stof behandelt als Mattheüs en Lukas, verschaft hij ook aanvullende bijzonderheden. Sommige daarvan belichten Jezus’ gevoelens. Hij was ’diepbedroefd over de ongevoeligheid van het hart’ van personen die er bezwaar tegen maakten dat hij op de sabbat de verdorde hand van een man genas (Mark. 3:5). Toen Jezus in de streek waar hij was opgegroeid door de mensen onvriendelijk werd ontvangen, „verwonderde [hij] zich over hun ongeloof” (Mark. 6:6). En hij „koesterde liefde” voor de rijke jonge man die informeerde wat de vereisten waren om eeuwig leven te verwerven. — Mark. 10:21.

Bepaalde bijzonderheden in verband met het einde van Jezus’ aardse leven zijn eveneens uitsluitend in Markus’ verslag te vinden. Hij bericht dat tijdens Jezus’ verhoor de valse getuigenissen niet overeenstemden (Mark. 14:59). De voorbijganger die geprest werd om Jezus’ martelpaal te dragen, was Simon van Cyrene, „de vader van Alexander en Rufus” (Mark. 15:21). En Markus verhaalt hoe Pilatus zich ervan vergewiste dat Jezus dood was voordat hij Jozef van Arimathea toestemming gaf het lichaam mee te nemen om het te begraven. — Mark. 15:43-45.

Eén van de vier illustraties van Jezus die in het Evangelie van Markus te vinden zijn, wordt door de andere evangelieschrijvers schijnbaar niet vermeld (Mark. 4:26-29). Het verslag maakt gewag van ten minste 19 door Jezus Christus verrichte wonderen. Twee hiervan (de genezing van een dove die tevens een spraakgebrek had en de genezing van een zekere blinde) staan uitsluitend in het Evangelie van Markus. — Mark. 7:31-37; 8:22-26.

VERWIJZINGEN NAAR DE HEBREEUWSE GESCHRIFTEN

Hoewel Markus schijnbaar in hoofdzaak voor de Romeinen schreef, bevat zijn verslag wel degelijk verwijzingen naar en aanhalingen uit de Hebreeuwse Geschriften. Hij bericht dat het werk van Johannes de Doper een vervulling was van Jesaja 40:3 en Maleachi 3:1 (Mark. 1:2-4). Ook worden in het verslag voorbeelden aangetroffen van de wijze waarop Jezus de Hebreeuwse Geschriften toepaste, er aanhalingen uit deed of erop zinspeelde. Enkele daarvan zijn: God louter lippendienst bewijzen (Mark. 7:6, 7; Jes. 29:13); ouders eren (Mark. 7:10; Ex. 20:12; 21:17); de schepping van man en vrouw en de instelling van het huwelijk (Mark. 10:6-9; Gen. 1:27; 2:24); verscheidene geboden (Mark. 10:19; Ex. 20:12-16; Lev. 19:13); wat Jezus over de tempel zei (Mark. 11:17; Jes. 56:7; Jer. 7:11); zijn uitspraak dat hij verworpen zou worden (Mark. 12:10, 11; Ps. 118:22, 23); Jehovah’s woorden tot Mozes bij het brandende doornbos (Mark. 12:26; Ex. 3:2, 6); de twee grote geboden betreffende de liefde (Mark. 12:29-31; Deut. 6:4, 5; Lev. 19:18); Jehovah’s profetische woorden tot Davids Heer over de onderwerping van vijanden (Mark. 12:36; Ps. 110:1); de verstrooiing van Jezus’ discipelen (Mark. 14:27; Zach. 13:7); Jezus’ uitroep dat hij door God verlaten was (Mark. 15:34; Ps. 22:1); de instructies die hij aan een genezen melaatse gaf (Mark. 1:44; Lev. 14:10, 11) en zijn profetische uitspraak betreffende het walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt. — Mark. 13:14; Dan. 9:27.

De verwijzingen naar de Hebreeuwse Geschriften in Markus’ verslag illustreren rijkelijk dat Jezus Christus vertrouwen stelde in die Geschriften en ze in zijn bediening gebruikte. Het evangelie verschaft ook een basis om beter bekend te raken met de Zoon des mensen, die „niet gekomen [is] om gediend te worden, maar om te dienen en zijn ziel te geven als een losprijs in ruil voor velen”. — Mark. 10:45.

OVERZICHT VAN DE INHOUD

I. Bediening van Johannes de Doper (1:1-11)

II. Jezus’ activiteiten vanaf de tijd dat hij door de Duivel wordt verzocht tot aan de uitzending van de 12 apostelen (1:12–6:6)

A. Door de Duivel verzocht; begint bediening in Galilea na gevangenneming van Johannes (1:12-15)

B. Roept eerste discipelen; drijft demonen uit en geneest zieken (1:16-45)

C. Zijn handelwijze in twijfel getrokken door Farizeeën en anderen; er wordt een samenzwering tegen hem op touw gezet (2:1–3:6)

D. Genas velen en dreef demonen uit; de 12 apostelen uitgekozen (3:7-19)

E. Weerlegging van de beschuldiging dat hij demonen uitdreef door bemiddeling van de heerser der demonen (3:20-30)

F. Volgelingen gelijkgesteld met broer, zuster en moeder (3:31-35)

G. Zijn onderwijs: verschillende illustraties, bijv. die van de zaaier en van het mosterdzaadje; verklaart deze aan zijn discipelen als hij met hen alleen is (4:1-34)

H. Verschillende wonderen: stormwind tot bedaren gebracht; een door demonen bezeten man genezen alsook een vrouw die aan een bloedvloeiing leed; Jaïrus’ dochtertje uit de doden opgewekt (4:35–5:43)

I. Prediking in eigen gebied (6:1-6)

III. Jezus’ bediening vanaf de tijd dat hij de 12 apostelen uitzendt tot aan zijn vertrek uit het gebied van Tyrus en Sidon (6:7–7:30)

A. De 12 apostelen uitgezonden (6:7-13)

B. Nieuws van Jezus’ krachtige werken bereikt Herodes (6:14-29)

C. De apostelen komen terug met een bericht over hun activiteit (6:30-32)

D. Jezus’ onderwijs en wonderen, met inbegrip van de spijziging van de 5000; hij loopt op de zee en verricht enkele genezingen (6:33-56)

E. Strijdpunt betreffende het traditionele wassen der handen (7:1-23)

F. Door demonen bezeten dochter van Syro-Fenicische vrouw in gebied van Tyrus en Sidon genezen (7:24-30)

IV. Vanaf de tijd dat Jezus het gebied van Tyrus en Sidon verlaat tot aan het begin van zijn bediening in Perea (7:31–9:50)

A. Wonderen: genezing van een dove; spijziging van ongeveer 4000 mannen (7:31–8:9)

B. Twistgesprek met Farizeeën over een teken; waarschuwing voor zuurdeeg van Farizeeën en dat van Herodes (8:10-21)

C. Geleidelijk herstel van het gezichtsvermogen van een blinde te Bethsaïda (8:22-26)

D. Petrus erkent dat Jezus de Christus is; maakt bezwaar tegen dingen die Jezus moeten overkomen; wordt bestraft (8:27-33)

E. Vereisten waaraan men moet voldoen om een volgeling van Jezus te kunnen zijn (8:34-38)

F. Het visioen van de transfiguratie (9:1-13)

G. Genezing van door demonen bezeten jongen die Jezus’ discipelen niet konden genezen (9:14-29)

H. Jezus voorzegt zijn dood en opstanding; wijst discipelen terecht en onderwijst hen (9:30-50)

V. Jezus’ bediening in Perea en de omgeving van Jericho (10:1-52)

A. Jezus op de proef gesteld in verband met een vraag over echtscheiding (10:1-12)

B. Koninkrijk behoort aan personen die als jonge kinderen zijn (10:13-16)

C. Aan een rijke man wordt verteld wat de vereisten zijn om eeuwig leven te verwerven; zij die Jezus’ volgelingen worden, ontvangen zegeningen (10:17-31)

D. Jezus’ toekomstige lijden; verzoek van Jakobus en Johannes om aan Jezus’ rechterhand te mogen zitten (10:32-45)

E. Genezing van de blinde Bartimeüs in de nabijheid van Jericho (10:46-52)

VI. Laatste dagen van Jezus’ openbare bediening (11:1–14:16)

A. Jezus’ zegepralende intocht in Jeruzalem (11:1-11)

B. Vijgeboom vervloekt (11:12-14)

C. Tempel gereinigd (11:15-18)

D. Discipelen onderwezen omtrent geloof en gebed (11:19-25)

E. Overpriesters en anderen trekken Jezus’ autoriteit in twijfel; zijn antwoord en illustratie van wijngaard en goddeloze wijngaardeniers (11:27–12:12)

F. Pogingen om Jezus met vragen over het betalen van belasting en de opstanding in de val te laten lopen; grootste gebod in de Wet (12:13-40)

G. Jezus observeert degenen die in de tempel bijdragen geven; gave van arme weduwe (12:41-44)

H. Hij voorzegt de verwoesting van de tempel; later geeft hij in antwoord op de vraag van de discipelen een beschrijving van het „teken” (13:1-36)

I. Samenzwering tegen Jezus; Judas komt overeen hem te verraden (14:1-11)

J. Toebereidselen voor het Pascha (14:12-16)

VII. Jezus’ laatste 14de Nisan op aarde (14:17–15:41)

A. Paschaviering gevolgd door instelling van Avondmaal des Heren (14:12-26)

B. Discussie over de kwestie dat allen tot struikelen zullen worden gebracht en Petrus Jezus driemaal zal verloochenen (14:27-31)

C. Gebeurtenissen in de hof van Gethsemane (14:32-52)

1. Jezus bidt; Petrus, Jakobus en Johannes vallen in slaap (14:32-42)

2. Judas verraadt Jezus met een kus; gepeupel neemt Jezus in hechtenis; allen laten Jezus in de steek en vluchten (14:43-52)

D. Jezus staat terecht en wordt schuldig verklaard aan godslastering; verloochening door Petrus (14:53-72)

E. Vroeg in de morgen houdt het Sanhedrin raad; Jezus voor Pilatus, die zwicht voor de eis hem aan de paal te hangen (15:1-15)

F. Jezus door soldaten bespot, weggevoerd en aan de paal gehangen; hij blaast de laatste adem uit (15:16-41)

VIII. Jezus’ begrafenis en zijn opstanding (15:42–16:8); verschijningen na zijn opstanding (lang besluit; 16:9-20)

LANG EN KORT BESLUIT

Sommigen zijn van mening dat Markus 16:8, welk vers eindigt met de woorden: „en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd”, een te abrupt slot is om het oorspronkelijke einde van dit evangelie te kunnen zijn. Die conclusie hoeft echter, gezien Markus’ algemene stijl, niet getrokken te worden. Bovendien zijn de vierde-eeuwse geleerden Hiëronymus en Eusebius het erover eens dat het authentieke verslag besluit met de woorden „zij waren bevreesd”.

Er is een aantal handschriften en vertalingen waarin na deze woorden een lang of een kort besluit wordt toegevoegd. Het lange besluit (bestaande uit 12 verzen) wordt aangetroffen in het Alexandrijnse handschrift, de Codex Ephraemi rescriptus en de Codex Bezae Cantabrigiensis. Het komt ook voor in de Latijnse Vulgaat, de Curetons-Syrische vertaling en de Syrische Pesjitta. Maar het is weggelaten in het Sinaïtische handschrift, het Vaticaanse handschrift nr. 1209, de Sinaiticus (in het oud-Syrisch) en de Armeense vertaling. Bepaalde late handschriften en vertalingen bevatten het korte besluit. De Codex Regius uit de 8ste eeuw G.T. heeft beide besluiten, en geeft eerst het kortste. Beide besluiten worden voorafgaan door een aantekening waarin staat dat deze passages weliswaar op sommige plaatsen gangbaar zijn, maar kennelijk geen van beide als gezaghebbend moeten worden erkend.

In een commentaar op het lange en het korte besluit van het Evangelie van Markus merkte bijbelvertaler Edgar J. Goodspeed op: „Het korte besluit sluit veel beter aan op Markus 16:8 dan het lange, maar geen van beide kan als een oorspronkelijk onderdeel van het Evangelie van Markus worden beschouwd.” — The Goodspeed Parallel New Testament, blz. 127.

Zie het boek „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”, blz. 181-186.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen